Vredeskerk     elke dag open

 

RK PAROCHIE VAN ONZE LIEVE VROUW KONINGIN VAN DE VREDE – AMSTERDAM                                 MAANDAG TM ZATERDAG 13-17 UUR EN NATUURLIJK OP ZONDAG

HOME  |   ADRES-CONTACT-LINKS |  VIERINGEN |   SACRAMENTEN  |   PREKEN |    CARITAS  |    BIDDEN   |   FOTO’S   |    PASTOR  |   HISTORIE |    KOREN  

 

                                                                                                                                                   

Verkondiging

 

                                                                                                                                    

op 5 maart 2017, de eerste zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (2, 7-9; 3, 1-7), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (5, 12-19) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (4, 1-11).

 

Wat is er misgegaan dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Wannéér is het misgegaan? En wáár is het misgegaan? - met u, met jou, met mij, met ons in onze individuele levens en met ons samen als mensheid op aarde?

 

Ik denk: het is wáár; - een bewustzijn dát er iets is misgegaan, dát er iets of dingen fout zijn gelopen, zo'n bewustzijn kunnen wij in sterke mate hebben. En allerlei gedachten kunnen ons wat dit betreft sterk bezig houden: Hoe? Waar? Wanneer?

 

Al heel spoedig na het begin! wil de bijbel ons vandaag laten weten, in het tweede hoofdstuk van het boek Genesis waaruit wij in de eerste lezing hoorden voorlezen. Het leven op aarde was nog heel pril en paradijselijk. De mens was er nog maar pas. En meteen bedierf de mens, dat wil zeggen: om te beginnen de vrouw die haar man er in meenam, meteen bedierven zij het al - niet alleen voor zichzelf, maar ook voor alle mensen die nog zouden volgen, voor alle kinderen van Adam en Eva, voor alle geslachten na hen. Hoe stom. Hoe dom. Hoe jammer. En hoe onbenullig: Het eten van één enkele vrucht (was het een appel? of een banaan? een peer? of een mango?) - één enkele vrucht. Zo is het gekomen. Dat was de fout. Daarmee is het misgegaan.

 

Moeten we dat verhaal van Adam en Eva nu letterlijk nemen veelgeliefden? Is het "echt zó gebeurd"? Nee, natuurlijk niet. Juist als verklarende mythe, als voorstelling, als idee, als verhaal over 'hoe het allemaal gekomen is', zijn de beide scheppingsverhalen in de bijbel, Genesis 1 en 2, binnen het joodse volk ontstaan, precies zoals andere volken ook hún verklarende verhalen over de oorsprong, het begin van het leven én over het waar, hoe en wanneer het misging hebben.

 

Ooit... leefden we in een paradijs en waren we naďef, onnadenkend. We werden verleid. We waren dwaas. Door schade en schande wijs geworden weten we inmiddels beter. Na de zonde komt het berouw. Ik denk, veelgeliefden, deze bijbelpassage, kan ons helpen bij het ons bewustworden ván, het nadenken óver en het erkénnen van wanneer, waar en hoe dingen zijn misgegaan in ons persoonlijk leven. Politici liggen wat dit betreft onder een vergrootglas, zeker in verkiezingstijd. Bert Tichelaar, de commissaris van de koning in Drenthe, een PvdA'er, en François Fillon, de zeer katholieke, rechtse Franse presidentskandidaat, allebei zijn ze in de problemen gekomen omdat ze faciliteerden dat familieleden van hen, overheidsopdrachten kregen. Ja, je kunt je voorstellen hoe zoiets kan lopen, want het hemd is altijd nader dan de rok. Maar totaal correct en onkreukbaar was het niet en achteraf gezien was het ook niet slim. Want beiden, Tichelaar en Fillon, hebben zich erdoor in de nesten gewerkt, hebben er problemen door gekregen en kunnen zich er nu vast voor om hun kop slaan: dat ze destijds die vrucht van het bevoordelen van hun familie hebben geplukt hebben en die familieleden ervan hebben doen eten.

 

Verboden vruchten smaken het lekkerst. En mensen, wij, wij kunnen zwak en zot zijn en hebben onszelf ook niet gemaakt, maar zijn kinderen van Adam en Eva: mensen die zagen hoe goed het was om te eten van de verboden boom, dat hij een lust voor het oog was, mensen die plukten en aten.

 

In een zeldzaam en prachtig moment van ongevraagde publieke eerlijkheid konden wij verleden week zondagavond in zijn tv-serie Made in Europe de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst op een steigertje aan een Zweeds meer zien staan. Hij was daar eerder geweest. Want een tijdlang is hij met een Zweedse vrouw samen geweest en woonde hij daar. We hoorden hem zeggen: "Voor het eerst sinds lange tijd rijd ik terug naar de plek waar ook ik een deur achter me dicht trok. Verleden... het is iets wat je opstapelt. En mijn stukje leven in Zweden bevindt zich inmiddels op die stapel. Maar kijk, ik ben toevallig in de buurt en gaap mijn oude pijnen aan." En dan, staande op dat steigertje: "Ik heb al eens afscheid genomen van deze plek en had niet gedacht hier nog eens opnieuw te staan. (...) Een laatste blik, omdraaien en weggaan. Zoals ik afscheid neem van alles: mij gewoon omdraaien. Er zat teveel kut in m'n kop en te weinig verstand in m'n lul. Dat is een beetje een rode draad aan het worden. Het wordt tijd dat het renpaard op stal gaat. Ik ben zo iemand die een huis koopt en de dag erna tegen z'n vrouw gaat zeggen: Ik heb je bedrogen. Of die een trouwfeest geeft en die de week nadien zegt: Ik moet je iets zeggen... Ja... Ik ben toch een geweldige klootzak, ik. Maar ik meen het wel goed altijd. Ik ga er altijd voor, voor eeuwig. En een week nadien is het weer met iemand anders voor eeuwig. Verlaten, men kan er zich ook in bekwamen." 

 

Tot zover Dimitri Verhulst.

 

Tja veelgeliefden. De relatievorming in zijn leven is duidelijk niet conform hoe onze Roomse kerk het graag ziet en als Gods bedoeling voorhoudt. Maar Verhulst, die naar eigen zeggen een heel vroom jongetje was, is op zijn twaalfde het geloof in God kwijtgeraakt en heeft afstand genomen van de kerk. Nochtans moet ik zeggen dat de wijze waarop hij, heel eerlijk, vol humor, zelfspot maar ook met milde ogen zichzelf in zijn persoonlijk verlangen én onvermogen, in zijn mislukkingen, durft te laten zien, dat mij dat erg aanspreekt. En ik heb het duizendmaal liever dan de hypocrisie van, excusez le mot, allerlei katholieke en andere klootzakken.    

 

Het achter je dichttrekken van een deur. Dat deed Verhulst. En Adam en Eva werden er uitgegooid, uit het paradijs. Zij, wij, aten van de verboden vrucht en het gebeurde. En nu zitten we met de gebakken peren, met de brokstukken van ons leven. En hoe nu verder?

 

Afgelopen week heb ik een roman gelezen waar ik geweldig van onder de indruk ben, Mintijteer van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis. Het gaat in dat boek om verschrikkingen van het leven en hoe geloof in God daardoor beproefd en afgebroken wordt. Maar bij Esther Maria Magnis blijft God ten diepste wonderwel overeind en blijkt het geloof in Hem ook van geweldige betekenis te kunnen zijn. Ik citeer er een stukje uit:

 

"Ons geloof, het geloof van de christenen, daar zit schrik in. Het heeft weet van de complete rotzooi die de wereld is. Daar schrik je van. Van de drek en het afval en het puin. Dat eerst. En dan pas komt de blijde boodschap. Eerder is er geen enkele reden om dom grijnzend op de preekstoel te gaan staan en de mensen voor je met hun echte nood, met hun kapotte huwelijken en zieke kinderen, mensen die hun broers en zussen verliezen en van wie de ouders dementeren, mensen met gebroken harten en gekrenkte trots, om die met slap en gemoedelijk geleuter en sociale kitsch in slaap te sussen."

 

Einde citaat. Aldus schrijft Esther Maria Magnis in Mintijteer. Wat zij in deze woorden als norm stelt, dat herken ik en ik hoop er aan te beantwoorden. Ik hoop dat ik als pastor en predikant inderdaad níet slap en gemoedelijk leuter en u niet met sociale kitsch in slaap sus.

 

Complete rotzooi de wereld, drek en puin, die wij naast al het goede óók van onze voorvaderen en -moeders hebben overgeërfd en -gedragen hebben gekregen. Dat eerst. En dan nu, veelgeliefden: de blijde boodschap.

 

Ook Jezus maakte, net zoals wij het kunnen meemaken, een woestijntijd in Zijn leven mee: een tijd waarin het in Zijn leven dor, schraal, leeg en kaal was. Hoe, waar, waarin moet je het zoeken? Wat geeft aan je leven nog inhoud en zin? Kun je die inhoud en die zin maar beter vergeten en je beperken tot en genoegen nemen met het natje en het droogje? Dat was en is de eerste duivelse beproeving. Kun je als een desperado in een kamikazeactie maar beter alle remmen losgooien en je in het avontuur, de leegte, de diepte, de afgrond storten? Dat was en is de tweede duivelse verleiding. Of moet je gaan voor de macht en het heersen en ja zeggen tegen alle duivelse bekoringen, mores en methodes die er vaak bij horen als je wilt winnen, als je aan de top wilt komen en wilt blijven? Zie Fillon en Tiggelaar en het hele verkiezingscircus dat we momenteel meemaken. Geworteld in Zijn God is Jezus er níet in mee gegaan en hopelijk laten wij, in diezelfde God, in Hem, in Jezus, geworteld ons ook níet gek maken: gaan ook wij níet alleen voor de materie, doen we niet aan kamikazeacties en houden wij ons ook niet bezig met slinkse, laagbijdegrondse, gemene methodes om andere mensen te beheersen, niet in werkverhoudingen niet in de privé-sfeer. Daar nee tegen zeggen, vanwege God en vanwege jezelf. Jezus kon het en heeft het gedaan. En daarmee bracht hij "vrijspraak en leven voor allen" schrijft Paulus in de Romeinenbrief. Wat fundamenteel mis ging én gaat op aarde, onder de mensen, dat is en wordt door Jezus hersteld. Want Hij hield en houdt nog altijd stand in de beproevingen en Hij gaf en geeft zichzelf nog altijd, áán ons en ook in ons hopelijk.

 

Aan het eind van Mintijteer van Esther Maria Magnis sterft Johannes, de 23jarige broer van de hoofdpersoon aan kanker zoals eerder hun vader gestorven is aan dezelfde ziekte. Nogmaals citeer ik en daarmee eindig ik dan:

 

"(En) het was op deze ogenblikken, als Johannes weer een pijnaanval had, dat ik begon mijn God ervoor te danken dat hij zich door de mensen had laten folteren. Dat hij zelf geschreeuwd had. Want als dat niet zo was geweest, dan had ik niet meer met hem kunnen spreken. Dan had ik misschien op een of andere manier nog heel beleefd in hem geloofd. Maar ik zou dan ook gedacht hebben: 'Kom eerst eens uit de hemel hier naar beneden. Lijd eerst zelf maar eens, voordat je van ons verlangt dat we in je geloven' - maar dat kon ik nu niet meer zeggen.

               God had al geleden, en zoals Johannes nu met hem sprak, leek het alsof het juist op dat moment gebeurde, alsof hij geen centimeter week van het kind dat hij liefhad, alsof hij het geen seconde uit zijn ogen liet, alsof hij zich had voorgenomen de hele tijd ononderbroken niet een seconde eerder zijn marteling aan het kruis op te geven dan die bij de jonge man, die daar op dat bed lag, voortduurde. Hij bleef en bleef en bleef. En in de tussentijd wendde Johannes zijn gezicht en keek hem aan - en voor die momenten, voor die ontmoetingen heb ik geen woorden."[1]

 

Tot zover Ester Magnis en deze verkondiging. Jezus aankijken als je het moeilijk hebt, als je beproefd wordt, als je lijdt, als je sterft. Hij kijkt jou aan. Hij is onze rijkdom, Hij is onze kracht. Amen.

 

Verkondiging

op de 8e zondag door het jaar, 26 februari 2017, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Mattheüs 6,24-34

                              Jesaja 49,13-16. Psalm 62. 1Korinthiërs 4,1-5

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Is er iets nuttelozers dan vogelen: met een verrekijker op zoek naar vogels? “Je ziet ze gaan en je ziet ze komen;” “Je ziet ze vliegen”, zogezegd. Maar had deze nu een witte oogstreep of niet? Zat er wat oranje bij de vleugel of was het de schaduw?  Is er iets nuttelozers dan vogelen?

               Pas toen ik in het klooster leerde mediteren en ging studeren, merkte ik dat dat “nutteloze” turen naar vogels wel degelijk óók vruchten voortbracht. Het kostte mij nauwelijks moeite om aandachtig te zijn voor de details – vogels onderscheiden zich vaak van elkaar door minieme verschillen – čn tegelijkertijd aandachtig voor het grotere geheel, want vogels vind je niet zomaar, maar meestal in een bepaalde leefomgeving, waarin zij passen. Bovendien maakt het op zoek gaan naar vogels geduldig en gepassioneerd. Dat hoef ik hopelijk niet uit te leggen.

               Jezus in het evangelie wijst ons op de schoonheid van de schepping, het wonderlijke van- en in de natuur. Lang niet iedereen had en heeft daar oog voor. Want toen het leven veel langzamer ging dan nu, was die natuur zo vanzelfsprekend, dat menigeen de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan niet zag. Nu is ons leven misschien te druk, te stads, te commercieel of te digitaal om de schoonheid ervan waar te nemen.

               Toch was juist een populaire geleerde met de naam Einstein iemand die oprecht verwonderd was over het mooie dat hij vond in de natuur en in heel het universum. Het ging hem niet alleen over uiterlijke schoonheid, maar ook om de schoonheid van de natuurlijke processen en om de orde ervan: het past allemaal zó mooi in elkaar, dat hij het wel heel onwaarschijnlijk vond dat de dingen en de ordening ervan alléén maar toeval zouden zijn.[2]

               Het mooie en harmonieuze in de natuur verwijzen naar iets nog veel groters, zegt Jezus ons: niet alleen dat alles van oudsher door “God” gemaakt is en goed geordend [Ps 136,1-9: schepping], maar ook dat Deze als een goede vader en moeder ervoor zorgt [bevrijding: Ps 136,10-24, en voorzienigheid: Ps 136,25v cf. resp. Mt 6,26. Js 49,15]; alles is op elkaar afgestemd; Hij draagt en beschermt wat Hij gemaakt heeft, zodat het niet verloren gaat [W 1,14]. De natuur zoals we die nu kennen, is zo gegroeid, inderdaad. Maar zo is zij ook bedóéld.

               Als God al zo bezorgd is om de kleinste vogels, hoeveel te meer zal Hij dan niet bezorgd zijn voor de mens, die Hij in Zijn liefde een bijzondere plaats en verantwoordelijk-heid heeft gegeven in het geheel? [Mt 6,30 cf. Gn 1,26-29, vandaar: Ps 62]

               Maar dáár gaat het voor veel mensen mis. Want lang niet iedereen belééft dit zo. God

is voor menigeen juist ver weg. De wereld is vol lelijkheid, ellende... Die ervaring wordt door de profeet Jesaja verwoord in de Eerste Lezing: “De Heer heeft mij verlaten; mijn God heeft mij vergeten” [Js 49,14]. Deze woorden worden Sion in de mond gelegd, i.e. de stad Jeruzalem. Deze stad ligt compleet in puin na de oorlog. Wat er momenteel in Mosul (Syrië) en op zoveel andere plaatsen gebeurt, is niets nieuws. Maar het kan gelovigen (en niet-gelovigen) wel wanhopig maken, want de erváring van Gods afwezigheid is echt!

               De menselijke ervaring is nooit het hele verhaal. De verstoring van de harmonie van Godswege door de hebzucht [Mt 6,24 cf. 4,3v], eerzucht [Mt 4,5-7] en honger naar macht [Mt 4,8-10] van de mens is een feit. Zij is een realiteit náást die harmonieuze realiteit [cf. W 14,22-15,19]. De ervaring van het in de steek ge-laten zijn, van de teleurstelling speelt zich af op de vóórgrond. Op de ŕchtergrond blijft evenwel de herinnering, de belofte. En de ňndergrond die alles draagt, blijft de realiteit van de harmonie en de orde, ook al is die schoonheid voor ons oog soms onzichtbaar. Op het slagveld van gisteren, waar de lijken nog niet eens zijn weg-gehaald, begint vandaag een vogel zijn nest te bouwen... “Ik vergeet jou nooit!” [Js 49,15]

               Door het lawaai van oorlogsgeweld en rouwklachten, verkiezingsretoriek en reclame, het verkeer en de smartphone, door de stem in ons hart die ons oproept om snel, sexy en succesvol te zijn, horen we de zang van de vogels niet meer. Amsterdam zit vol merels: een van de mooiste zangvogels in Nederland. Nooit hebben zij zangles gehad. Niemand voedt hen. Zij léven – en zo getuigen zij van Gods goedheid, ŕls je het ziet en hoort.

               “Wat zullen wij eten, drinken, aantrekken? Door zulke vragen worden ongelovigen in beslag genomen” [Mt 6,31-32a]. Wij kunnen diezelfde vragen hebben, maar altijd vanuit het vertrouwen dat de Heer, Die de aarde vanaf het begin vormde en ordende, zorgt voor elk van Zijn mensen [Mt 6,32b] – óók als we dit zelf niet ervaren.

               Wie niet in beslag genomen wordt door het zoeken naar meer bezit, om te overleven en te genieten, kan zich realiseren vrij te zijn en gedragen te worden. In die vrije ruimte kunnen wij de stem verstaan die ons oproept om vóór alles het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken [Mt 6,33]. Of met de woorden van de apostel Paulus: “Men moet ons beschouwen” en wij moeten dus onszelf beschouwen “als helpers van Christus” [1Kor 4,1]. Ons vertrouwen maakt ons niet passief of gericht op ons eigen welzijn alleen; wij worden ons ervan bewust dat wij gedrágen worden in ons zoeken, voortdurend, dat wij geholpen worden in onze taak om het goede van Godswege te beheren en door te geven, en betrouwbaar te zijn [1Kor 4,2].

               Voor Jezus liep die weg uit op de veroordeling tot de kruisdood, zoals wij in het bijzonder in de komende 40-dagentijd in herinnering zullen roepen. Het eindoordeel echter ligt bij Degene Die ons het leven geeft, en een leefomgeving die bij ons past [Mt 6,32b]. Voor Hem is niets verborgen [1Kor 4,4v cf. Ps 139]. In de Eucharistie vieren wij dat Hij voor hen die met Hem de weg van de gerechtigheid gaan, de deur naar het léven opent: niet pas hierna, maar nú al [Mt 6,33]; zoals de merels in hun leefomgeving het voedsel vinden dat zij nodig hebben, zo voedt Hij ons op deze weg [cf. Lk 24: Emmaüs] met geloof, hoop en liefde, met kracht en geduld, wijsheid en inzicht. God-dank! Amen.

                                                                    

Verkondiging

 

op 29 januari 2017, de vierde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Sefanja (2,3; 3, 12-13), Psalm 146, de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 26-31) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (5, 1-12a).

 

De grootste rijkdommen van onze kerk, dierbare gasten en parochianen, zijn ongetwijfeld de heiligen. Dat zijn: vrouwen en mannen in alle eeuwen die op een authentieke, overtuigende wijze gelovige mensen zijn geweest, mensen die er echt voor gingen voor dat geloof en die er alles voor over hebben gehad. Van de martelaren onder de heiligen geldt zelfs dat ze het er niet levend van af hebben gebracht. Ze stόnden ergens voor. En dat hebben ze met hun bloed moeten bekopen.

 

Voor wie zich in hun levens verdiept, kunnen zij echt gaan leven en gaan spreken, ook al zijn zij gestorven. Bepaalde heiligen kunnen zo echt met je méé gaan leven. Ze gaan deel uitmaken van 'je systeem' en in allerlei omstandigheden kunnen ze een voorbeeld voor je zijn, mede richting geven aan je leven en een bron van kracht en van troost voor je zijn.

 

Voor mij is de heilige Johannes Chrysostomus zo iemand. Hij is één van de vier Griekse kerkvaders, zoals er ook vier Latijnse zijn, van wie de kerkvader Augstinus de bekendste is. Johannes, geboren rond het midden van de vierde eeuw, was een ascetische figuur en een geweldige predikant. Zijn eretitel 'Chrysostomus' betekent 'mond van goud'. Hij werd bisschop van Constantinopel, de keizersstad aan de Bosporus. Hij schroomde niet om gevoelige onderwerpen aan de orde te stellen, zoals: losheid van zeden, luiheid van priesters en laksheid van bestuurders. Daar maak je niet per se vrienden mee natuurlijk. Keizerin Eudoxia kon zijn bloed wel drinken. Vier jaar na zijn aantreden wist men een groep bisschoppen zo ver te krijgen om te verklaren dat hij was afgezet. Johannes Chrysostomus moest in ballingschap gaan. Hij werd gedwongen tot slopende dagmarsen richting de Zwarte Zee. Ziet u hem lopen, dierbare gasten en parochianen: deze bisschop... ? Hij bezweek er aan, de arme man. Hij was nog maar begin vijftig.

 

Onze eigen Titus Brandsma was ook zo iemand. Hij was een Friese boerenzoon. In mijn eerste jaren in de Vredesparochie kwam daar dagelijks een oude dame, mevrouw Siemensma, όόk een Friezin. In de buurt werd ze wel 'rondje-om-de-kerk' genoemd, want inderdaad: voortdurend cirkelde ze er als het ware omheen, om het heilig geheim dat door het kerkgebouw wordt gesymboliseerd en omvat.

 

"Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is" zo hoorden wij vandaag in onze tweede lezing uit Paulus' eerste Korinthenbrief. En zo iemand was die mevrouw Siemensma wel. Zij was een doodsimpele ziel. Maar ook: een mens zonder bedrog. Ze was een beetje van de wereld. Maar misschien was ze ook wel verslonden in God. Ze was een beetje de kluts kwijt, maar ze had ook haar heldere momenten. Toen ik een keer op de jaarlijkse gedenkdag van Titus Brandsma over hem sprák en in dat verband in de dagkapel rechtstreeks háár aansprak als afkomstig uit dezelfde provincie, toen zei ze: "Ik heb z'n sokken nog gewassen...".

 

Indrukwekkend was dat. De rillingen liepen mij over de rug. Titus Brandsma: kloosterling, karmeliet, priester. Hij werd professor in de wijsbegeerte en in 'de geschiedenis van de vroomheid' aan de pas opgerichte universiteit van Nijmegen. En hij was ook journalist. Hij verzette zich tegen het opkomend nazisme, kwam op voor de joden, en bleef dat doen, ook toen de nazi's aan de macht kwamen. Hij werd opgepakt, kwam in Dachau terecht, moest zich afbeulen op een akker en op 26 juli 1942 gaf een kamparts hem een spuitje. Hij was eenenzestig jaar oud.

 

Tenslotte, kort, nog éénmaal: pater Frans van der Lugt, zoon van deze parochie, jezuďet, het hart verpand aan Syrië. Zijn klooster in Homs was een oase van ontmoeting en vriendschap voor mensen van verschillend geloof. Hij verliet de mensen en de plek niet toen de stad werd belegerd, ook niet toen de honger door de straten gierde. Op 7 april 2014 schoot iemand hem een kogel door het hoofd. Hij was zesenzeventig jaar oud.

 

Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma, Frans van der Lugt: drie mannen van geloof, drie mannen die ergens voor stonden, drie mannen die zich niet lieten intimideren, drie martelaren die blijven spreken, net als mevrouw Siemensma trouwens, ook al zijn zij gestorven.

 

De vraag, veelgeliefden, die natuurlijk onontkoombaar op je afkomt als je stilstaat bij de levens van zulke heilige mensen, dat is de vraag: En waar sta jíj voor, ook als het moeilijk wordt? Waarvoor en voor wie kom jíj op, juist als christen? - áls jij jezelf tenminste zo wenst en durft te noemen, áls jij tenminste jezelf for better and  for worse gecommitéérd hebt aan de man uit Nazareth...

 

Het woord 'recht' loopt als een rode draad door de lezingen van deze zondag. Doe ik recht? En doe jij recht? Dat zijn de vragen die ons gesteld worden.

 

"Zoekt de gerechtigheid", zo klonk het in de eerste lezing uit het boek van de profeet Sefanja. De enige mensen die het redden, zo stelt hij van Godswege, dat zijn de mensen die "geen onwaarheid meer doen en geen onwaarheid meer spreken, in hun mond is geen tong die bedriegt." Zulke mensen redden het, bij en voor God, de anderen vallen af.

 

"De Heer verschaft recht" en "bemint de rechtvaardigen" zo klonk het in de 146ste psalm die wij baden.

 

En in de eerste Korinthenbrief schreef Paulus over "Christus Jezus, die van Godswege heel onze (...) gerechtigheid is geworden" - en onze wijsheid, heiliging en verlossing. In Hem, in Jezus, is het allemaal te vinden. Hij was, Hij is 'de gerechte'. Wil jij het ook zijn, kijk dan naar Hem, doe als Hij, laat Hij de bron zijn waaruit jij put.

 

In het evangelie hoorden wij de beroemde zogenaamde 'zaligsprekingen'. Jezus sprak ze uit op een berg, precies zoals Mozes ooit op een berg de wet van God ontvíng. De laatste van die zaligsprekingen begint met: "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid..."

 

Dit en wat volgt wordt door de Bijbel in gewone taal als volgt vertaald:

 

"Het echte geluk is voor mensen die lijden omdat ze doen wat God wil. Want voor hen is de nieuwe wereld van God. Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben omdat je bij mij hoort. Misschien schelden de mensen je uit, of willen ze je gevangen nemen. Misschien vertellen ze allerlei leugens over je. Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel. De profeten van vroeger werden net zo slecht behandeld als jullie nu."

 

Tja...

 

Oef!       

 

Laten wij ons geen illusies maken veelgeliefden. Wie haar of zijn bestaan met dat van Jezus verbindt, met hem of haar kan dan gemakkelijk gebeuren wát met Jezus is gebeurd. Kijk maar naar Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma en Frans van der Lugt. Wínnen in onze wereld, dat doen steeds weer degenen die bereid zijn om daarvoor eventueel alles uit de kast te halen: allerlei machts- en drukmiddelen, oneerlijke methodes en geweld, verbaal en ook fysiek als het moet. Degenen die daarvoor passen, zij die het kwade spel niet mee willen spelen, díe delven het onderspit - in deze wereld.

 

Maar gelukkig, veelgeliefden, is er ook nog een andere wereld, een wijder perspectief, dat van de hemel, de wereld waarin alleen God regeert zoals wij Hem in Jezus hebben leren kennen. Het echte geluk, zoals de Bijbel in gewone taal vertaalt, is alleen daar, in die andere wereld te vinden. En wáár is die andere wereld veelgeliefden? Ik denk: het is déze wereld ánders, het is deze wereld bezien in en vanuit het licht dat God, dat Jezus er op werpt. En díe wereld kan zonder lijden niet betreden worden, lijden dat aanvaard, omarmd en bemind zelfs wordt, omdat je kunt geloven en ervaren dat het ook ergens goed voor is.

 

Sinds enkele weken bezoek ik een dame, ergens in de zestig denk ik, die ongeneeslijk ziek is. Ze is bezig met het laatste stukje van haar aardse levensreis. Voor haar ramen strooit iemand af en toe wat brood voor de vogels. Daar geniet ze van: om naar de vogels te kijken. Ze begint ze al te herkennen. Eén winterkoninkje is altijd alleen. Daar maakt ze zich wat zorgen over. En ze herkent zichzelf er in. Afgelopen week is ze met de wensambulance in het Amsterdamse Bos geweest, ook in de geitenboerderij. Ze was er verwend. Iedereen was zo aardig geweest. Betaald hoefde er niet te worden. Het was 'van het huis'. De dagen erna heeft ze het wel moeten bezuren. Ze had veel pijn. Men begint dan al gauw over morfine. Want: je hoeft geen pijn te hebben. "Maar ja", zei ze, "dan dan ben je ook meteen wel 'van de wereld'. Je wordt verdoofd, maar je bent er ook eigenlijk al niet meer" - terwijl zij nog zo graag ziet, en vόelt. En een zekere mate van pijn, zolang die nog enigzins te dragen valt, heeft ze daar wel voor over.

 

Wat voor ons hét grote geneesmiddel is had ik bij mij. Ik steek een kaarsje aan. Ik open dit drieluikje met daarin een crucifix. We bidden. Ik lees voor uit het evangelie. En ik geef haar de communie, vrucht van Jezus' kruisdood en voorspijs van Gods nieuwe wereld, die van Jezus' verrezen leven en het echte geluk. In jouw lijden is Hij bij je. Hopelijk kun je voor jouw lijden kracht putten uit het zijne. Morfine verdooft. Hopelijk kan Hij je helpen om zo lang mogelijk te blijven voelen en de overgang naar het andere leven zo bewust mogelijk te ervaren.

 

Het is net een wip: de morfine en de verdoving aan de ene kant, het kruis en het voelen, maar ook lijden, aan de andere kant. Wat kies je? Wat is voor jou de juiste dosering, van het een en van het ander? Wat kun je aan? Kun je het nog aan? Heb je het er voor over?

 

Misschien wel het beste en mij dierbaarste gebed in ons getijdenboek, veelgeliefden, is dit: "Heer onze God, sterk ons door het lijden van uw Zoon om bereidwillig zoals Hij ons juk te dragen. Maak ons ontvankelijk voor zijn liefde die elke last verlicht."

 

Ja... zo is dat. Jezus heeft met zijn liefde de last van Johannes Chrysostomus, van Titus Brandsma en Frans van der Lugt verlicht. En Hij kan en Hij wil het ook voor jou, voor ons doen. Mogen wij het laten gebeuren. En laat mensen die jou eventueel geen warm hart toe dragen maar lekker in hun eigen sop gaarkoken. Bid maar voor ze en lach er maar om. Maar blijf jij lekker bij Hem, bij Jezus, daar zit je goed. En met Hem wordt alles anders. Amen.

 

Verkondiging

 

op 15 januari 2016, de tweede zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (49, 3-6), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 1-3) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (1, 29-34).

 

Er zijn dingen die mensen zeggen, die komen binnen, die blijven hangen...

 

Jaren geleden hoorde ik een oud-studiegenoot zeggen: Alle instellingen waar ik ooit leerling of student geweest ben, zijn inmiddels opgeheven: de lagere school waar ik op gezeten heb, de middelbare school waar ik op gezeten heb en ook het theologisch instituut waar hij en ik elkaar van kennen, hier in Amsterdam, ook dat is inmiddels opgeheven.

 

Een erg relativerende opmerking dierbare gasten en parochianen. Denk aan die verschillende scholen en denk aan die theologische faculteit. Denk aan al die mensen die er leerden, studeerden, werkten. Die school, dat was veelal het centrum van hun leven, daar draaide

alles om. Daar leerden ze hun vrienden kennen. Ze spraken er voortdurend over met elkaar. Ze wonden zich er over op. Ze deden er alles voor. Zoveel tijd, zoveel geld, zoveel idealisme, zoveel denkkracht en concrete inzet werd daar in geďnvesteerd. En zie nu eens... allemaal verdwenen, allemaal in lucht opgegaan of nou ja... όpgeheven en in ander verband voortgezet of opnieuw begonnen. Want onderwijs is er in Nederland natuurlijk nog altijd. Je kunt er zelfs nog theologie studeren.     

 

Ander voorbeeld: De kussens waar de mensen op zitten die zitten in de stoelen die staan vόόr onze voorste kerkbanken. Kussens gemaakt van prachtige stof. Ik heb die destijds, vele jaren geleden, zelf uitgezocht: stof in de stijl van de twintiger jaren waarin ook onze kerk gebouwd werd. De stoelen ben ik destijds samen met Elly Visser in Amstelveen gaan kopen. En de kussens werden gemaakt door Alie van Rijn en haar dochter Diny Faber, vrouwen die zich geweldig voor onze kerk hebben ingezet. Zo leidde Alie vele jaren lang de kerkschoonmaak op dinsdag. Later groeiden beiden naar mijn indruk enigzins weg van de kerk, in elk geval van de onze. Ze verhuisden trouwens allebei. En beiden zijn inmiddels gestorven. Gelukkig hoorden we er wel van, van beider overlijden en hebben we in elk geval bloemen kunnen sturen, maar toch... wat bleef er voor henzelf over van al hun inzet? Voor ons bleven dus in elk geval die kussens er van over. En hoe lang zullen die nog meegaan en nodig zijn? Ik kan ze niet zien, die kussens, zonder ook aan Alie en Diny te denken. Ik vind dat fijn. Maar zou het ook voor hen, voor Alie en Diny, iets betekenen - dat zij nog leven en mijn gedachten, dat ik vandaag hun namen noem en hun inzet ter sprake breng?

 

Laatst sprak ik iemand die vergeleek onze kerkelijke situatie met het langzaam leeglopen van een badkuip. Als de kuip bijna leeg is en het water naar het putje stroomt, dan treedt er een versnelling op. En dát is wat er in deze tijd kerkelijk gebeurt volgens de bewuste persoon - die het weten kan. Mensen en middelen verdwijnen in rap tempo, extra snel. Het is, dierbare gasten, het is geen opwekkend maar integendeel: het is een onheilspellend beeld. Maar het is misschien wel een reëel beeld, niet alleen wat onze situatie in Nederland betreft trouwens. Kerk en geloof verdampen en verdwijnen zegt men, hoezeer wij ook trachten om er in te blijven geloven en er ons voor inzetten, soms met grote persoonlijke offers. Nochtans gebeurt het zegt men. En waar is het dan allemaal goed voor geweest? En wat komt er voor in de plaats? We zien allerlei ontwikkelingen in deze tijd met lede ogen aan maar voelen ons vaak machteloos.

 

Vergeefs. "Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt". Zo hoorden wij vandaag in de eerste lezing de profeet Jesaja spreken en zijn woorden sluiten aan bij vele ervaringen van vergeefsheid en mislukking die wij zelf kunnen

hebben. Diederik Samson en Barack Obama zouden er ook een duit over in het zakje kunnen doen. En Jesaja's woorden kunnen we ook verbinden met het levenseinde van Jezus. Want dat leven lijkt, met Jezus' kruisiging, objectief te zijn uitgelopen op een totale mislukking. Nee, als beeld word je daar natuurlijk niet vrolijk van: van een kruisiging - precies zoals we niet vrolijk worden van allerlei krantenfoto's. Wat een ellende. Wat een mislukking. Wat een vergeefsheid. Zoveel liefde die wreed eindigt.

 

En toch veel geliefden... dit is niet hele verhaal. Jesaja zegt nog meer: " 'Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt'; maar de Heer zal mij recht brengen en mijn God zal mij belonen. Ik sta hoog in aanzien bij de Heer, en mijn God is mijn kracht."

 

Ja... Waar, aan wie kun je als mens jezelf optrekken als je verzeild en opgescheept bent geraakt met ervaringen van vergeefsheid? Ja natuurlijk, veelgeliefden, dan moet je het hebben van je eigen innerlijk ervaring. En voor ons als mensen die zichzelf graag beschouwen als gelovigen, als mensen die dat kleine vlammetje van geloof in ons proberen te bewaren en behoeden, voor ons is die innerlijke ervaring in tijden van rampspoed er hopelijk één van gezien, bemind, getroost en bekrachtigd worden door God zelf met Jezus als ons grote voorbeeld, Jezus die hopelijk ín ons leeft.

 

De apostel Paulus, in de tweede lezing vandaag uit de eerste Korinthenbrief, Paulus schrijft de gemeenschap van gelovigen in Korinthe aan als degenen die "geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus." Veelgeliefden, hoe wordt ons leven geheiligd? Wat is een heilig leven? Ik denk, waar het om gaat, dat is: zoáls Jezus en mét Jezus samen door de dood en door allerlei ervaringen van vergeefsheid en mislukking ook heen kunnen gaan. "He brought me (...) out of the horrible pit out of the mire and clay" zong het koor in de veertigste psalm die wij hoorden: "Hij trok mij omhoog uit het rampzalige graf, omhoog uit slijk en moeras" - zό klinkt dat in het Nederlands.[3]

 

Johannes de Doper noemt Jezus in het evangelie van deze dag "lam van God". "Daar is het lam van God" zegt hij. Dat woord, 'lam', en het beeld dat het oproept, herinneren ons meteen aan "het lam dat ter slachtbank wordt geleid" zoals Jesaja daar elders in zijn profetieën over spreekt.[4]  En het herinnert aan de bok die op symbolische wijze beladen met de zonde van het hele volk op de Grote Verzoendag de woestijn werd ingejaagd.[5] En het herinnert aan het lam dat haastig werd gegeten op de avond van het vertrek uit de slavernij in Egypte, voordat men de zee in zou gaan, daar doorheen zou gaan.[6] En die zeeërvaring komt dan weer terug in de doop die Johannes toedient om daarmee de Zoon van God te kunnen identificeren, om daardoor te kunnen vaststellen wie die Zoon is. Want: "Als je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten, dan weet je: Hij is degene die doopt in Heilige Geest." En

 

"Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken van de aarde" zegt Jesaja - en precies dat is wat er gebeurd is met, in en door Jezus wiens leven, gekruisigd, zo vergeefs en mislukt leek te zijn geëindigd. Maar zo was en zo is het niet veelgeliefden. Nee, integendeel. Juist in en door onze ervaringen van vergeefsheid, mislukking en kruis heen, kan God in ons leven, bij ons van binnen, in hart en geest, en zich des te sterker doen gelden. Juist dan steekt Hij in de gekruisigde Jezus Zijn hand naar ons uit. Mogen wij in staat zijn om het te geloven en het mogen ervaren. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                 

op 8 januari 2017, hoogfeest van de Openbaring des Heren ('Driekoningen') in de kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (2, 1-12).

 

"Stralender dan stralend!" Zό karakteriseerde één van ons, dierbare parochianen en gasten, zό karakteriseerde een koorlid de kerstnachtviering hier in onze kerk. Ik was daar niet bij. Maar ik heb de tekst van de sublieme verkondiging door mijn ambtsbroeder pater Frans Vervooren gelezen. Lekker kort! En het koor heb ik de volgende dag gehoord, op Eerste Kerstdag. Geweldig! Dus inderdaad: Stralender dan stralend.

 

Vandaag, op dit hoogfeest van de Openbaring des Heren, Epifanie, dat vanouds ook Driekoningen wordt genoemd, vandaag wordt er in verband met al dat stralen nog een tandje bíjgezet. Want vandaag verschijnen de "wijzen uit het oosten" ten tonele, de drie koningen bereiken de stal of liever gezegd: "het huis" - want dát is wat er in de Mattheüs-tekst staat. Vandaag verschijnen die raadselachtige wijzen en vandaag verschijnt om te beginnen die ster waardoor zij magisch worden aangetrokken. En de vraag is natuurlijk: Kunnen wij ervaren wat zij hebben ervaren? 

 

We asked for signs. The signs were sent. In de kerstnacht citeerde pater Frans Vervooren de pasgestorven Leonard Cohen: "We vroegen om tekens. (En) tekens werden ons gezonden." En dat teken waar we naar verlangden en dat we kregen was dus en is dus vandaag die stér.

 

                                   Ik zag vanavond voor het eerst een ster.

                                   Hij stond alleen, hij trilde niet.

                                   Ik was vanavond ineens van hem doordrongen,

                                   ik zag een ster, hij stond alleen,

                                   hij was van licht, hij leek zo jong en

                                   van vόόr verdriet.

                                                                                   (Maria Vasalis)[7]

           

Waarom een ster? In die ontelbare kleine lichten aan de nachtelijke hemel herkennen wij wellicht het zuivere, oorspronkelijke licht, van inderdaad: vόόr verdriet, in elk van ons, in elk mensenkind. En temidden van al die sterren valt Jezus' licht speciaal op. Zijn ster wekt de interesse van de wijzen en houdt voor hen een belofte in. Zij herkennen in die ster iemand die ons geven kan wat niemand andersgeven kan. Jezus' ster springt er uit, letterlijk: hij gaat aan de wandel en de wijzen gaan er achteraan.

 

In één adem noemde pater Frans in de kerstnacht Bethlehem, Berlijn, Aleppo én Amsterdam. 'Nacht' is het symbool van alles wat jammer, wat slecht, wat verschrikkelijk is op aarde. "Niet voor niets", zei Frans, "staat er in het lijdensverhaal van Jezus volgens Johannes op het moment dat Judas van tafel opstaat: 'Het was nacht'. Iemand verraden is nacht. En terreur is nacht. "Duisternis bedekt de aarde, donker de volkeren" klonk het ook vandaag in de eerste lezing uit het boek van de profeet Jesaja. De nacht van Kerstmis staat voor de nachtzijde van het bestaan op aarde. En midden in die nacht is het Kind in de kribbe de grote bron van licht en hoop. En Zijn ster wijst daarheen de weg.

 

Intussen zijn wij nu bijeen in het volle licht. En vol van licht was met name ook onze eerste lezing vandaag, die van Jesaja: "Sta op, laat het licht u beschijnen, Jeruzalem, want de Zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen. (...) Volkeren komen af op uw licht, koningen op de luister van uw dageraad." Maar scherp daarmee in contrast staat wat we in het evangélie hoorden over datzelfde Jeruzalem. Jeruzalem láát zich niet zo gemakkelijk beschijnen blijkt daar. De wijzen komen er heel argeloos aan. Onbekommerd informeren ze naar de pasgeboren koning van de joden. Maar die vraag slaat in als een bom - al houdt misschien iedereen zijn en haar gezicht in de plooi. "Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem." Jeruzalem in last. Deskundigen worden er bijgehaald en die geven feilloos het goede antwoord op de vraag van de wijzen: In Bethlehem moeten ze zijn. Die deskundigen kennen de bijbel van buiten, maar ik ben bang, veelgeliefden, dat het slechts 'geloofskennis' is: kennis van het hoofd, maar niet van het hart. Het is kennis die niet echt is ingedaald en die de mensen in feite worst is en koud laat. Waar het om gaat, om Wie het gaat, houdt ze niet echt bezig. Waarover praten wij onderling, ook in kerkelijk verband? Hebben we het ooit over Hem, over de Heer? Nou ja, praatjes vullen geen gaatjes zult u zeggen. Als je maar een goed mens bent. En zijn wij dat dan, u en ik? Wat zijn onze manieren? Hoe gaan wij met elkaar en allerlei mensen om? Heeft die omgang de kwaliteit van de Heer? Het is maar een vraag...

 

Bij Jesaja was alles licht vandaag. Maar te Jeruzalem wil het maar moeilijk doordringen. En hoe is dat bij ons? Ja, het was hier stralend in de kerstnacht, stralender dan stralend, en ook nu. Maar... veelgeliefden, is dat stralende alleen iets van de buitenkant? Of zit het ook bij ons van binnen? Bij die mevrouw, die van dat "stralender dan stralend" denk ik wel. Ik meende het in en bij haar te zien. Hoe zit dat met het licht bij u, bij jou, bij mij van binnen?

 

Een érg duistere figuur vandaag is koning Herodes. Hij is de baas, zit op het pluche en dat wil hij graag zo houden. Zulke figuren kennen wij. Krampachtig houdt Herodes vast aan zijn macht. Maar hij voelt zich gauw bedreigd - nu door een zuigeling nota bene. Het is om te lachen en het is om te huilen. Herodes "ontbood in het geheim de wijzen" hoorden wij. En dat "in het geheim", daar is iets mee. We komen daarmee in de sfeer van het stiekeme, in de sfeer van het 'niet verder vertellen hoor', in de sfeer van achterbaks gedoe en onfris geregel. Nacht! Uit de mond van Herodes, veelgeliefden, komt dan vervolgens een werkelijk bloedstollende zin, een zin waarbij je de rillingen over de rug lopen. "Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan opdat ook ik het hulde kan gaan brengen." Hij spreekt poeslief, Herodes, maar onderhand... zéér onwaarachtig. Ook wij kunnen dat meemaken: dat mensen waar je bij bent, in je gezicht, vriendelijk en aardig zijn, maar intussen... Hoe wordt er over je gesproken zodra je je hielen gelicht hebt? In bepaalde situaties, bij bepaalde mensen kun je soms aan je theewater voelen dat het niet klopt en dat men heel andere gevoelens, gedachten en intenties heeft, die jíj niet te horen krijgt. Voelen de wijzen het ook aan hun theewater? Het zou zomaar kunnen. Er staat: "Na de koning aangehoord te hebben vertrokken zij." Dat "aangehoord" - Je ziet ze verstrakken, de wijzen.

 

"En zie", we hienee in het Hebreeuws, "de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het kind zich bevond stil bleef staan." Opnieuw de vraag: Door welke ster, door welk licht, word jij als door een magneet getrokken? Waar en hoe komen jij en dat licht bij elkaar? Kun jij rusten in dat licht? En kan dat licht rusten in jou? Heb jij zo'n ster, zo'n licht in je leven? Wat is het? Wie is het? Is het Jezus of iemand of iets anders? Heeft jouw passie 'Jezus-kwaliteit'? Zit Híj er in? "Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde". Hoe vreugdevol kun jij zijn? Geeft waar jij 'het' in probeert te vinden in jouw leven, geeft dat jou vreugde? Opnieuw: Heeft het Jezus-kwaliteit? Zit Hij er in?

 

"In een droom van godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij", de wijzen, "langs een andere weg naar hun land." Dat laatste! Waar is jouw land? Waar ben jij thuis? Wat is jouw basis? Daar doe je het toch voor? De ontmoeting met de pasgeboren Jezus heeft de wijzen verrijkt. In materiële zin zijn ze een stuk lichter geworden. Hun goud, wierook en mirre hebben ze achtergelaten. "Veel kun je niet menemen op reis en veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren. Goud van de liefde, wierook van het verlangen, mirre van de pijn heb je altijd bij je. Hij zal het aanvaarden" - woorden van de grote theoloog Karl Rahner die pastor Martin Schneeberger dit jaar op zijn kerst- en nieuwjaarswens liet drukken. "Veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren." En zo is het. De Nederlandse worstverkoper op de kerstmarkt in Berlijn hield het na de aanslag daar voor gezien vertelde pater Frans in de kerstnacht. "Zo hoeft het voor mij niet meer" had hij gezegd. En zo is het veelgeliefden. Als je hart, als God, het je ingeeft, door een droom of anderzins, dan mag je rustig, of dan moet je wel, afstand nemen van waar en bij wie het niet pluis is en het niet deugt. Maar laat Hem, Jezus, Zijn licht, in je zijn, altijd, overal. Volg Zijn ster. Ga er achteraan, ook in 2017. Word zélf: strálender dan stralend. Amen. Zalig Nieuwjaar.

 

Verkondiging

 

Op de Tweede Kerstdag 2016   -Ton van Hal

 

Dat zijn allemaal behoorlijk nare dingen die Jezus zijn leerlingen in het vooruitzicht stelt. Zij zullen zijn leer gaan verkondigen maar dat zal niet zonder slag of stoot gaan. Dat zien we al meteen met Stefanus die dus uiteindelijk gestenigd werd. “Maar wie stand houdt tot het einde zal worden gered”. Dat zegt Jezus er ook bij.  In vers 55 van Mt (dat we vandaag niet hoorden) staat het: Maar hij (Stefanus), vol van de heilige geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Gods rechterhand. Stefanus zag de hemel open.

Jezus, die we gisteren nog als weerloos baby’tje in het kribje zagen liggen is volwassen geworden.   De romantiek van gisteren tegenover de harde realiteit van wat Jezus kwam doen in de wereld.

Het gaat vandaag over weerstand. Jezus voorzegt de grote weerstand die de apostelen zullen gaan ondervinden, Hij spreekt over weerstand tussen ouders en kinderen. Weerstand die zich zal gaan vertalen in rechtszaken en ernstige agressie. Maar ook horen we vandaag dus over “de hemel open zien” als je niet buigt voor de weerstand. Het gaat daarbij  over hoofd- en bijzaken.

Ik zal het hebben over Stefanus, Maarten Luther, Paus Franciscus en Steffi de Pous.

We hoorden van Stefanus die ernstige weerstand opriep door de mensen erop aan te spreken hoe verkeerd ze bezig waren met hun geloof. Dat ze de profeten niet eerden en ze zelfs gedood hadden (Jezus ook). Dat ze teveel met uiterlijkheden bezig waren, met allerlei bijzaken.   Dat hoorden de mensen niet graag, met name niet toen Stefanus de heilige tempel van Salomo relativeerde. “De allerhoogste rechter woont niet in wat men met mensenhanden maakt, want “De hemel is mij een troon en de aarde een voetbank voor mijn voeten”.  Ze stopten hun oren dicht om het verder maar niet meer te hoeven aanhoren.

Ik kom eerst even op iets anders. Volgende week is het 2017 en dus het jaar waarin Maarten Luther 500 jaar geleden zijn 95 stellingen publiceerde. Ook Luther had, net als Stefanus 1500 jaar daarvoor, ernstige kritiek op de wetten en gebruiken van de kerk in die dagen en ook hij ontmoette harde weerstand. Luthers belangrijkste theologische geschilpunt met de Kerk ging over de genadeleer (krijgen we die “om niet” van God geschonken of  kunnen wij die ook verdienen door goede werken?)  Maar Luther keerde zich ook fel tegen de praktijk van de zgn aflaatbrieven. Die konden mensen kopen bij wijze van penitentie na de biecht. Luister hoe dat ging daar in Sachsen.

Albrecht van Brandenburg was op 23-jarige leeftijd (1513) aartsbisschop van Maagdenburg en  Halberstadt. Een jaar later werd hij als keurvorst en aartsbisschop van Mainz voorgedragen, mede omdat Albrecht beloofd had de door Mainz te betalen kerkelijke belastingen  voor zijn rekening te nemen. Maar Albrecht bezat dus al de bisschoppelijke zetels van Maagdenburg en Halberstadt. Dit was in strijd met de kerkelijke wet Maar de curie was zo goed hem dispensatie te verlenen tegen 10.000 dukaten. Samen met de belastinggelden van Mainz (14.000 dukaten) moest Albrecht nog 24.000 dukaten hebben, waarvoor hij 29.000 Rijnlandse goudgulden leende bij de bank in Augsburg. Hij moest dit geld bij elkaar brengen door zich gedurende acht jaar te belasten met de prediking van de aflaat en de verzameling van de opbrengsten uit de verkoop ervan voor de Sint Pieterskerk, waarvan hij de helft mocht houden.

Ook Luther die zich hiertegen natuurlijk terecht verzette (daarover kunnen we het nu wel eens zijn denk ik) , ook Luther ontmoette weerstand : Hij moest zijn kritiek bekopen, wel niet met steniging, maar wel met excommunicatie en de zgn Rijksban. Hij moest onderduiken in de Wartburg in Eisenach.

De heilige tempel van Salomo, de Sint Pieter in Rome: dat zijn niet de hoofdzaken.

Ik denk (in alle bescheidenheid uiteraard) dat wat vandaag bedoeld wordt is:

Trouw zijn aan God is belangrijker dan trouw aan  al het andere, inclusief gebruiken in de kerk, ja, misschien wel dan de hele kerk. Trouw zijn aan God is uiteindelijk  belangrijker dan trouw zijn aan je familie, aan je vrienden. Wat is Hoofdzaak en wat zijn bijzaken ?

Hoe ben je dan trouw aan God?  Door trouw te zijn aan de onbaatzuchtige Liefde (met een hoofdletter) , aan de Waarheid (ook met een hoofdletter, maar ik bedoel niet de krant), en aan wat het Evangelie ons leert. Tel uit je winst? Ja, dat is pure winst. Dan kun je  de hemel open zien, als Stefanus (en Jezus aan het einde). Dan zie je de Hoofdzaak en niet al die talloze bijzaken die ons zo bezig houden. Dat is denk ik de eenvoudige, maar verrekte moeilijke boodschap vandaag.

Tot besluit nog twee teksten. Eentje van  onze Paus (met au) en een van Steffi de Pous (met ou).

De tekst van paus Franciscus vond ik opmerkelijk als je die legt naast het optreden  van Stefanus       In 2014 gaf de paus “tien tips om gelukkig te worden”. Een daarvan:

Probeer niet mensen te bekeren tot je eigen mening. We kunnen anderen inspireren door op zo’n manier te getuigen dat je samen groeit in onderlinge communicatie. Maar het ergste van alles is religieuze bekeringsdrang, die verlammend werkt. “Ik praat met jou om je te overtuigen”. Nee, de gesprekspartners moeten in dialoog zijn met elkaar, ieder vanuit zijn/haar eigen identiteit. De kerk groeit door haar aantrekkingskracht, niet door bekeringsdrang. (einde citaat).

Van de week zag ik op tv een reportage over Steffi de Pous (met ou dus) Een prachtige jonge vrouw die Amsterdam verruilde voor Lesbos om daar de vluchtelingen te helpen en op die manier (zo werd gezegd) haar grote geluk vond. “Dat is raar he”, zei ze, “dat je door mensen die het veel slechter hebben te helpen, dat je daar dan toch gelukkig van wordt.” 

Dat is helemaal niet zo raar, volgens Jezus: Wie tot het einde stand houdt zal gered worden. Die ziet de hemel open.

Ik dacht: nog maar de helft van de Nederlanders rekent zich tot een religieuze gemeenschap. Maar als die andere helft nou uit allemaal Steffies de Pous zou bestaan, zou dat dan erg zijn ?

En wij? Wij zijn wel de hard-core katholieken die zelfs op 2e kerstdag naar de mis komen, maar we zijn geen Stefanus, geen Maarten Luther en misschien ook geen Steffi de Pous.

Misschien kunnen we. Als we toch goede voornemens maken voor 2017, eens nagaan wat voor ons nou hoofdzaken en wat eigenlijk toch maar bijzaken zijn in het leven. Misschien leidt dat wel tot een paar pijnlijke ontdekkingen, maar het kan je ook helpen om de hemel een stukje open te zien gaan.

AMEN

                                                                                                                                    

Verkondiging

 

in de Kerstnacht van 2016 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (9, 1-6), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 1-14).

 

Ergens twee hoog in de Rivierenbuurt: oma, aan huis gebonden, haar dochter en haar kleindochter. Een paar weken voor Kerst, op een avond, bezoek ik hen. Zij hebben mij voor het eten gevraagd. In een hoek van de huiskamer staat de t.v. Die staat aan, gedurende heel mijn bezoek. De ontvangst van de Syrische televisie, midden in Amsterdam, is haarscherp. Wat een wonder is zoiets toch. Hoe is het mogelijk! Van wat er allemaal gezegd wordt versta ik natuurlijk niets. Maar de beelden spreken een eigen taal. Vooral zie ik met regelmaat rookpluimen opstijgen uit woonwijken. Weer een beschieting. Weer een bom...

 

Op een gegeven moment zie ik: juichende, uitzinnige mensen. Het is in Aleppo. Ik vraag: waarom is dat? De kleindochter, die spreekt al goed Nederlands, zegt: Ze zijn blij, want ze zijn bevrijd. Waarvan? Van wie? Van I.S? Van 'de rebellen'? Het wordt me niet helemaal

duidelijk. De kleindochter zegt: "Mensen gaan af op het kleinste beetje licht..." - Die woorden hakken er bij mij in. En ze blijven hangen. Ik denk: natuurlijk is dat zo. Mensen in nood klampen zich vast aan elke strohalm, aan elk sprankje hoop, aan elk licht - ook al is dat licht een vals licht eventueel. Want Assad die gesteund door Poetin de I.S. of de 'de rebellen' verdrijft of verslaat, dat is natuurlijk de duivel met beëlzebub uitdrijven - als u die uitdrukking nog kent en verstaat... 

 

Hoe is het gesteld, dierbare gasten en parochianen; hoe is het gesteld met het licht in ons, in uw, in jouw, in mijn leven? Wat, wie is licht voor jou? Op wat, op wie ga je af? Door wat, door wie laat jij je leiden? Waarop, op wie koers je en vaar je eventueel blind zelfs. Ik denk: ten diepste en uiteindelijk zijn het nooit dingen en denkbeelden die jouw licht zijn, maar wel: mensen, of: een mens. Wie vertrouw jij? Wie vertrouw je werkelijk? Wie is je vertrouwen waard? Wie beliegt, wie bedriegt je niet? In wie is werkelijk licht? - geen vals licht, maar: echt licht, het ware licht. Wie ís, wie zijn er werkelijk voor jou als je in nood bent, als je op reis bent, ver van huis, als je bezittingen achter je hebt moeten laten, je veilige huis, je geboortegrond, je eigen cultuur, je eigen taalgebied, je eigen middelen van bestaan, je beroep? Wie is er dan voor jou? Wie is dan licht?

 

Op 22 juni van dit aflopende jaar mocht ik op het Sint-Pietersplein in Rome aanwezig zijn bij de woensdagse audiëntie van paus Franciscus en heb ik hem na afloop daarvan ook enkele minuten persoonlijk gesproken - wat een prachtige, fantastische, onvergetelijke, dipe-bevredigende ervaring was. Want heel warm hield paus Franciscus mijn hand vast en legde hij zijn andere hand op mijn onderarm, temidden van al die duizenden mensen heeft hij heel aandachtig naar mij geluisterd en tenslotte sprak hij enkele heel goede woorden waaruit bleek dat hij mij heel goed begrepen had. De paus kwam die dag op in het gezelschap van een heel stel jonge zwarte mannen in T-shirts en slobberbroeken. "Ja", zei de paus: "jullie zien: ik heb vandaag die jongens bij me... Er zijn allerlei mensen die zeggen: Ze hadden beter kunnen blijven in hun eigen land, waar ze vandaan komen. Maar ja," zei de paus, "daar hadden ze zo te lijden. En daarom zijn ze nu hier. Zij zijn nu onze vluchtelingen." Hij zei: "Een christen heeft altijd voor iedereen plaats." "Per favore, siamo fratelli... Alsjeblieft mensen... we zijn broeders en zusters... !" Dat zei de paus.

 

Super-eenvoudige woorden die wat mij betreft allemaal midden in de roos waren. Ware woorden, van veertien karaats goud, gesproken vanuit de pure Geest van het Evangelie. Maar ja veelgeliefden: natuurlijk ook woorden die erg confronterend zijn, woorden die ons voor allerlei problemen kunnen stellen, woorden die binnen de concreetheid van ons samenleven in Nederland en Amsterdam niet zo gemakkelijk zijn om te leven, om er consequenties aan te verbinden, om er uitvoering aan te geven.

 

Een tijd lang al doolt er door onze stad een groep mannen die elkaar hebben gevonden in het kader van een groep die zichzelf We Are Here - 'Wij zijn hier' noemt. Het zijn wat de Vlamingen wel 'Zandafrikanen' noemen, uit Noord-Afrika, én 'Brousseafrikanen', van onder de Sahara, uit de oerwoudgebieden. Mensen in een verduiveld moeilijke positie zijn het. Ze hebben hier in Nederland geen verblijfsgrond en -status. Ze moeten weg van onze overheid, terug. Maar ze willen niet terug. Ze werken niet mee aan terugkeer. En ze zijn ook moeilijk of zelfs niet-uitzetbaar zoals dat heet. Dus ja, wat moet dat dan? Wat moeten we er mee, als Nederland, als Amsterdam? En wat moeten we ermee als christenen? - de woorden van paus Franciscus indachtig...

 

Ik denk, veelgeliefden: Het bewaken van de staatsgrenzen, de toegang tot Nederland, wie hier mogen zijn: over dat alles gaat onze overheid die wij met z'n allen hebben gekozen en gemandateerd. Wij kunnen er wel een mening over hebben, maar het is niet onze eigen directe verantwoordelijkheid. Als christenen hebben wij wel een andere, directe verantwoordelijkheid: die voor God. Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen - in de titel van dat liedje van Thé Lau, ik denk: daarin heeft Gods Geest, die van Jezus, zich behoorlijk goed uitgedrukt, - met dien verstande dat wij als christenen wel ín de wereld zijn, maar niet ván de wereld' zijn, want όns vaderland is in de hemel - zoals de apostel Paulus in zijn brief aan de Filippenzen schrijft (3, 20).

 

En toch veelgeliefden, in de alledaagse praktijk van het kerk-zijn is dit toch allemaal niet zo vanzelfsprekend en gemakkelijk, maar eerder: lastig. Vrijdagmiddag een week terug streek die 'Wij zijn hier'-groep neer op όns kerkplein. En toen maakten wij als kerkgemeenschap het not in my backyard-mechanisme ('niet in míjn achtertuin', voortuin dan in ons geval) toch even behoorlijk heftig mee zo moest ik constateren. Seinen gingen op rood, sommigen sloegen zelfs op tilt. Moet u zich voorstellen: die kleine troep arme sloebers, have-nots op het plein, drie ontzettende aardige politiemannen die de entree van de kerk bewaken - en boven hun hoofd: dat spandoek met een foto van de paus en de pastoor waar met grote letters 'welkom' onder staat. Het was even onze wereld in een notendop vond ik. Iemand schreef na afloop, bozig: "Dit heeft veel mensen binnen de kerk (...) zeer veel tijd gekost in een periode dat wij dat niet kunnen hebben." Nee, veelgeliefden: want er moest Kerstmis gevierd gaan worden en dat brengt veel drukte met zich mee, thuis en in de kerk.

 

Ja... maar waar wat vieren we dan eigenlijk met Kerstmis? Waar gaat het om? Om wie gaat het? De vraag hier en nu stellen, veelgeliefden, dat is een open deur intrappen, dat is die vraag ook beantwoorden. Iedereen weet het, maar iedereen kan ook de neiging hebben om er voor weg te duiken: voor Hem, voor hen voor wie geen plaats was en is in de herberg. Jezus is het ware licht, het licht der wereld. In Hem verschijnt de heerlijkheid van onze grote God en redder - om met de brief van Paulus aan Titus te spreken. Jezus, het kind in de kribbe, belijden wij. Wij beweren in Hem te geloven. Wij proberen dat te doen. Maar Hem en Zijn woorden echt dichtbij je laten komen, in je hart, dat is moeilijk, dat durven we vaak niet goed, want: Hij daagt ons uit. Hij vraagt wat van ons. Hij wil wat van ons. "Ik was vreemdeling en jullie hebben me opgenomen" zal Jezus als volwassen man zeggen.[8] "Hoezo dan?" vragen de mensen. "Alles wat je voor de armste van mijn broeders en zusters hebt gedaan, dat heb je voor mij gedaan...".

 

Maar... wij kunnen toch niet het leed van de hele wereld op ons nemen! Maar... wij kunnen toch niet iedereen opvangen! Zo is dat mensen. Inderdaad kunnen en hoeven wij niet de verantwoordelijkheid voor het leven van anderen niet van hen over te nemen. Dat kan niet. En zo werkt het niet. Het gáát echter niet om wat je niet kunt doen. Het gaat wél om wat jíj wél kunt doen. Wat heb ik zelf gedaan voor die mensen van 'Wij zijn hier'? Nou, ik heb ze allemaal een hand gegeven en in de ogen gekeken. Ik heb dat geprobeerd - om in hen Christus onder ogen te komen. Want in mensen zoals zij, in zulke omstandigheden wordt Hij zichtbaar, laat Hij zich zien. Ik moet u zeggen: toen en daar, in die omstandigheden, was het voor mij al genoeg en een hele ervaring. Meer was naar mijn aanvoelen op dat moment ook niet nodig. Meer werd niet gevraagd.

 

Wij leven, veelgeliefden, in een stroeve, een weerbarstige tijd die ons zeer op de proef stelt. Velen voelen zich bedreigd en zijn geneigd om in elke vreemdeling een potentiële terrorist te zien. En natuurlijk... terroristen bestaan, dat is wel duidelijk. Wat er afgelopen week weer in Berlijn is gebeurd, dat is verschrikkelijk. Maar voor ons mogen de belangrijkste vragen toch nooit zijn: Hoe houden we vreemdelingen buiten het land, buiten de deur, van 't ljjf. Voor ons zouden die belangrijkste vragen wel kunnen zijn: Hoe kunnen wij zelf voor mensen een licht zijn, Zijn licht? Hoe kunnen wij zelf ontwapenend en verbindend aanwezig zijn? Hoe winnen wij de harten? Hoe kunnen wij zό met mensen van andere culturen en godsdiensten omgaan dat wij hen inspireren en enthousiasmeren zodat men kan geen denken: dat christendom en die Jezus die er de bron van is, daar wil ik meer van weten, of zelfs: zo wil ook leven! Moge het vieren van Zijn geboorte geven dat Hij, Jezus, op zό'n manier in ons opnieuw geboren wordt. Amen. Zalig Kerstmis.

 

Verkondiging

 

Verkondiging op de 3e zondag van Advent, “Gaudete”, 11 december 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

Lezingen:            Mattheüs 11,2-11
                              Jesaja 35,1-6a.10. Psalm 146. Jakobus 5,7-10

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

Gaudete! Verheugt u! Want het duurt nog twee weken voordat het Kerstmis is. Is dat lang? Nou ja, lang; 336 uur. Zo’n getal zegt de meesten van ons helemaal niks. We leven in een tijd van de feiten, waarin bewijs en datgene wat we kunnen meten toonaangevend is. Maar als het gaat over ons eigen leven of over dingen waarop we betrokken zijn, blijkt dat onze interesse toch niet zozeer ligt in die feiten. Denk maar aan klimaatsverandering, verkiezingsuitslagen, de files, huiselijk geweld, werkloosheid, immigratie – noem maar op: de cijfers zijn voor-handen. Maar als we ermee geconfronteerd worden, laten we ons toch vooral leiden door ons gevoel. Verstandelijk wéten we hoeveel en hoe groot en hoe lang, maar wat dit in ons teweegbrengt, bepaalt veelal hoe we met deze gegevens omgaan. Feiten en ons gevoel erbij: de geleefde en de beleefde werkelijkheid. 336 uur duurt 336 uur. Maar sommigen vinden het lang, terwijl anderen vinden dat het snel gaat.

               In de Bijbel vinden we nog een derde manier van benaderen van de werkelijkheid: naast de feiten en ons gevoel erbij gaat het daar vooral om de betekenis. De tijd vóór de komst van de Heer mag nog uren weg zijn – God weet hoeveel – en in onze ogen is dat lang of kort, maar die tijd heeft ook betekenis en zij is ook ergens goed voor. Ik vind dit prachtig verwoord in een gedicht van T.S. Eliot. Hij kwam pas op zijn 32e tot geloof. Zeven jaar later, in 1934, verscheen zijn toneelstuk The Rock, De Rots. Een gedeelte hieruit (in eigen vertaling):

 

The endless cycle of idea and action,                                  De eindeloze kringloop van denken en doen,

Endless invention, endless experiment,                  eindeloos uitvinden, eindeloos onderzoek,

Brings knowledge of motion, but not of stillness;               brengt kennis van beweging, maar niet van het er zijn;

Knowledge of speech, but not of silence;                             kennis van het spreken, maar niet van de stilte;

Knowledge of words, and ignorance of the Word.             kennis van woorden en ňnwetendheid van het Woord.

All our knowledge brings us nearer to death,        Al onze kennis brengt ons dichter bij de dood,

But nearness to death no nearer to God.                              maar de nabijheid van de dood brengt ons niet dichter bij God.

Where is the Life we have lost in living?                Waar is het Leven dat we verloren door te leven?

Where is the wisdom we have lost in knowledge?              Waar is de wijsheid die wij verloren door onze kennis?

Where is the knowledge we have lost in information?      Waar is de kennis die wij verloren door informatie?

What life have you, if you have not life together?              Wat voor leven heb je, als je niet samen-leeft?

There is not life that is not in community,                             Er is geen leven dat niet in gemeenschap is,

And no community not lived in praise of GOD.      en er is geen gemeenschap zonder eer aan God.

And now you live dispersed on ribbon roads,        We wonen wijd verspreid langs bochtige wegen

And no man knows or cares who is his neighbor                 en niemand kent zijn buren of kan het schelen wie zij zijn,

Unless his neighbor makes too much disturbance,             tenzij zij te luidruchtig zijn.

But all dash to and fro in motor cars,                                   Allen scheuren wij maar wat heen en weer in onze auto,

Familiar with the roads and settled nowhere.       vertrouwd met de wegen en nergens thuis;

Much to cast down, much to build, much to restore          veel om af te breken, op te bouwen, te herstellen.

Oh my soul, be prepared for the coming of the Stranger.  O mijn ziel, bereid je voor op de komst van de Vreemdeling!

Be prepared for him who knows how to ask questions.    Bereid je voor op Degene die weet welke vragen gesteld

                                                                                         moeten worden.

There is one who remembers the way to your door:          Er is iemand die jouw deur weet te vinden.

Life you may evade, but Death you shall not.                     Je kunt ontkomen aan het leven, maar aan de dood niet.

You shall not deny the Stranger.                                            Gij zult de Vreemdeling niet tegenspreken.

 

In het Evangelie wordt ons aangezegd dat de tijd ons gegéven is: niet als een opeenvolging van seconden, niet als een lege huls, maar als een gelegenheid om ons voor te bereiden op de Ontmoeting met Degene Die komen zal [Mt 11,3]. Bekeer je! Keer je om en ga de beloofde Vreemdeling van Godswege tegemoet. T.S. Eliot schildert in 1934 al (!) het voor ons nog steeds herkenbare tafereel dat wij gewoon doorgaan met ons ‘eigen’ leven alsof er niks aan de hand is. “Ga aan Johannes vertellen over het goede dat je hoort en ziet” [Mt 11,4]. Maar ondertussen klampen ons vast aan de méétbare kennis, ook al weten we dat er veel meer is dan dat tussen hemel en aarde. We besteden onze tijd aan het zoeken naar een pil die ons geneest van de dood; we willen eeuwig leven. Maar in die razende zoektocht zijn wij onder-weg wel elkaar kwijtgeraakt; we leven in onze haastige drukte langs elkaar heen.

               Zo heeft menigeen zich ook van God vervreemd; wij herkennen Hem niet meer. Hij is te midden van ons een vreemdeling geworden [Joh 1,26 cf. Mt 25,40!]. Zó vreemd is Hij voor ons geworden, dat wij Hem zelfs niet herkennen als Hij naar ons toekomt [Adventus = komst: Lk 1,78] om ons te géven wat wij zoeken [Ap 3,20]. Want dŕt vieren we dadelijk met Kerstmis! Dat is wat wij in elke Eucharistie vieren! De vreugde en het geluk [Js 35,1-10] die wij menen zelf te moeten maken, hoeven we inderdaad alleen maar geduldig tegemoet te leven [Jak 5,7v], uit Zijn hand te ontvangen en door te geven aan onze buren, ook al kennen wij hen nog niet [Wie is mijn naaste: Lk 10,29]. Zo ontstaat gemeenschap en samen-leving.

               De ingezaaide akkers [Jak 5,7] liggen er op het eerste gezicht maar doods bij. De steppe zal bloeien, voorzegt de profeet Jesaja [Js 35,1]. Wie durft te vertrouwen op deze belofte van Godswege, zal nu al de tekenen zien die ons vandaag in het evangelie worden aangezegd: ogenschijnlijk zwakke mensen die van harte streven naar het goede leven op aarde, zijn niet te stoppen – tegen alle geweld en populisme in [Mt 11,5].

               Het gaat dus niet om de 336 uur, alsof we “alle tijd” hebben voor “de kerst”. Willen we de gegéven tijd aannemen om onze houding, gedachten, onze woorden en daden tegen het licht te houden, tegen het komende licht van Christus? Dan hoeven we onszelf niet langer voor de gek te houden en zullen wij de Vreemdeling herkennen Die in Gods Naam gekomen is. Net als Hij beseft dan ieder van ons welke vragen gesteld moeten worden.

               Op weg naar het Feest van de komst van de Vreemdeling realiseren wij ons dat feiten, gevoel en betekenis samenkomen in ons geloof, in onze hoop en in onze liefde: niet wereldvreemd, niet een ŕndere werkelijkheid, niet onredelijk, maar met hart en hoofd en handen – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. God-dank! Amen.

 

Verkondiging

 

 

13 XI AD 2016

Lezingen: Mal.3: 19 t/m 20a, Ps.98, 2Tess.3: 7 t/m 12, Lc.21: 5 t/m 19

Jezus, dierbare parochianen, gasten en passanten  -  Jezus is overal en altijd. Misschien is dat de oorzaak dat het evangelie ook vanochtend weer helemaal van deze tijd is. Het klinkt in veel opzichten als een beschrijving van onze samenleving, zoals die er vandaag bij ligt. Hoewel Jezus ongetwijfeld ook de totale verwoesting van Jeruzalem voorspelt, enige tientallen jaren later na deze toespraak en inmiddels al weer bijna 2000 jaar geleden. De sporen daarvan zijn desondanks zelfs nu nog, onder de nieuwbouw, te zien. 

 

Voor te verwachten rampspoed waarschuwt Hij vaker. Vorig jaar op de derde zondag van advent, zondag Levavi, mocht ik ook al ingaan op zo’n aanzegging. Angst voor wat komen gaat is van alle tijden: ook vandaag zijn er doemdenkers onder ons.  Angst voor het ongewisse, of voor reële narigheid, allerlei onlustgevoelens hadden en hebben de samenleving in onrustbarende mate in hun greep.  Maar Jezus is geen doemdenker want Hij geeft een alternatief. Daar kom ik nog op terug.

 

Die tempel, waaraan de evangelist refereert  -  dat is de geest van onze tijd. Dat zijn wij zoals wij te vaak denken en handelen. Er wordt geklaagd en geroepen dat het zo slecht gaat   -   terwijl het nergens in de wereld zo goed is als in ons zwaar bevoorrechte noordwest Europa. O.-k.  -  wij leven niet in een paradijs, zoals Adam en Eva tot zij iets stoms deden en in de wereld van vandaag belandden. Veel mensen eten  bijvoorbeeld niet van de verboden boom maar van de voedselbank. Maar ik ben van 1935.

 

Ik heb nog weet van de terreur door de Duitse bezetters en de hongersnood in de winter van 1944. That was other cook, zou een Nederlandse voetbaltrainer zeggen. Inmiddels is dat ruim 70 jaar geleden, maar de oorlogen, waarvan de evangelist rept, vonden en vinden nog overal ter wereld plaats, zij het ver van ons bed. Wel komen zij steeds dichterbij. Vanaf het verre Oosten en Afrika is de  terreur inmiddels opgerukt tot Parijs en Brussel en Schiphol zou in the picture geweest zijn. 

 

En net als in de tijd van Jezus zijn er vele roeptoeters die ongehinderd door werkelijk inzicht beweren te weten wat zou moeten gebeuren. ‘’Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt’’ houdt Jezus ons voor.  Hoe actueel is dat vermaan in een tijd dat wij worden overspoeld door waarschuwingen door bijvoorbeeld politici die vooral bezig zijn zichzelf te profileren. ‘’Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.’’

 

Die taal, die wijsheid  -  dat is het evangelie, het Woord van Jezus. Leven vanuit dat Woord  -  het zal niet altijd gemakkelijk zijn; dat zegt Jezus duidelijk. Er kan ons een hoop ellende overkomen als wij handelen naar Zijn Woord.  Lijden zal ons deel zijn. Willen wij dat ?   ‘’Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.’’  Impliciet zegt Jezus eigenlijk ook wat onder anderen Angela Merkel ons voorhield: onze christelijke traditie moet sterk genoeg zijn om eventuele beproevingen, als die er al zijn, om zulk lijden aan te kunnen.

 

Hopelijk zal dat lijden geen lijden zijn zoals ons vorige week zondag in de 1e schriftlezing uit het boek Makkabeeën werd opgedist; dat was wel erg heftig.   En wij, nu, vandaag ?  Maken wij ons nu zorgen over de verkiezing van een typisch Amerikaanse patser tot president van die zieke schurkenstaat aan de verkeerde kant van de grote haringvijver ?   In plaats van te vertrouwen op Gods voorzienigheid ? 

 

 * * *

 

Dat alternatief van Jezus: toen ik deze schriftlezingen op mij liet inwerken  -  toen moest ik denken aan gesprekken, die ik een tijd geleden voerde met nonnen uit Sierra Leone, waar toen een hevige burgeroorlog woedde. Zij maken deel uit van een in de 19e eeuw in Frankrijk gestichte congregatie, de Filles de Jesus, de dochters van Jezus en ik ontmoette hen in het hoofdklooster van die congregatie in zuidwest Frankrijk.

 

Jonge vrouwen, iets ouder dan 20, bloedmooi en ondanks hun leeftijd al ongewoon vakbekwame verpleegkundigen. Ik vroeg hun of zij niet bang waren terug te gaan naar hun door de burgeroorlog geteisterde land, want ook in dat deel van de wereld gaat oorlog gepaard met moord, marteling, verkrachting, kortom gruwelen waarvan wij ons in dit gezegende deel van de wereld maar moeilijk een voorstelling kunnen maken.

 

De nonnen uit Sierra Leone gingen vol vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid terug naar dat levensgevaarlijke gebied. Een vertrouwen dat mij diep ontroerde, vervulde van bewondering maar mij ook aan het denken zette.  Hoe zit dat bij mijzelf ?  Evenaar ik dat gigantische vertrouwen in God de Vader ?  Twijfel ik daar nooit aan ?  Durf ik het risico aan, dat lijden mijn deel is ?  Hoewel : een beetje lijden, met een lange ij  -  hoort dat niet bij het leven ?

 

Je zou je zelfs kunnen afvragen of zelfs zulk lijden misschien een soort godsgeschenk is, dat Hij, dat God je meegeeft om scherp, om bij de les te blijven. Intussen is het ver van mij om dat lijden te zien als een straf van God voor menselijk falen, want God, de vader van Jezus Christus, is een God van liefde, niet van wraak.  Wraakzuchtige godsbeelden zijn voorbehouden aan andere religies.

 

Lijden kan geen straf zijn want zo veel onschuldige mensen lijden terwijl aan de schurken die dat lijden veroorzaken een comfortabel leven vergund is. Ik noem geen voorbeelden. Die kan u zelf bedenken en bovendien houdt Jezus ons voor: oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt*.  Met het opgeheven vingertje wijzen naar de ander  -  dat is te gemakkelijk.

 

Maar als dat vertrouwen in onze God nu niet gehonoreerd wordt  -  dat kan schuren. Een tijd geleden las ik in het weekblad Vrij Nederland een stukje waarin de vraag gesteld werd ‘’Wat gebeurt er als God in rampzalige tijden niet thuis geeft ?’’  Om vervolgens te schrijven:  ‘’Als het goed gaat is God     overbodig’’. En verder ‘’Zo ziet men God wel als de oorzaak van het slechte maar niet van het goede, waarvan (van dat laatste dus) men zichzelf als de oorzaak ziet’’. 

 

Kijk: dat is de zaak op zijn kop.  Wanneer je alleen met God bezig bent wanneer je in de merode zit  -  ik denk dat je dan op een verkeerd spoor bent beland. Neem dan een voorbeeld aan Job, die weigert zijn Godsvertrouwen opzij te zetten wanneer alles, maar ook werkelijk alles faliekant mis gaat. En als hij dan klaagt  -  dan geeft God hem er nog van langs ook. Maar toen het hem goed ging  -  toen heeft hij van zijn dankbaarheid optimaal laten blijken. Terecht.

 

Als ik uit eigen ervaring mag spreken: God ervaar ik meestal als heel dichtbij tijdens mijn gelukkigste momenten. Dat kan bij een prachtige zonsopgang in de vrije natuur zijn, of bij het beluisteren van de Mattheus Passie, of bij het ontvangen van het Lichaam van Christus, zo dadelijk  -  en zo kan ik nog wel even doorgaan. Vaak komt God langs in situaties die ik niet begrijp, of die ik nauwelijks kan bevatten. Dat zijn heerlijke ogenblikken.

 

Op zulke momenten zou ik die psalm van vanochtend uit volle borst willen zingen, maar heb ik de tekst niet bij de hand. Hoeft ook niet van Onze Lieve Heer. Ik sta dan wel stil bij die woordenvan de profeet Maleachi: ‘’gaat dan de zon van de gerechtigheid op, die met haar vleugels gerechtigheid brengt’’.  Jammer dat de regel, die er op volgt, vanochtend niet gelezen werd: ‘’Dan zult u dansend naar buiten komen, als kalveren, die op stal hebben gestaan.’’.

 

Op stal staan  -  ook mij overkomt dat, dat ik God even of zelfs langdurig uit mijn leven verban, of er overkomen mij rampen, waarbij alles helemaal mis gaat, meestal door mijn eigen stomme schuld, de paniek toeslaat, ik verval in schietgebedjes en ik hoop dat het goed komt. Want als het vertrouwen tekort schiet  -  wat dan overblijft is  hoop.  Hoop is gemakkelijker op te brengen dan blind vertrouwen. Hoop  -  dat wil zeggen: zal het morgen beter gaan ?  Eigenlijk valt het nu al mee.

 

Er is een gezegde: hoop doet leven.  Niet voor niets sluit de H.  apostel Paulus zijn loflied op de christelijke liefde, de aghape, in de brief aan de parochie in Korinthe af met de woorden geloof, hoop en liefde; maar de liefde is het voornaamste **.  O.-k, de liefde is het belangrijkst, maar op twee staat de hoop. Hopen dat het goed komt. Maar als ook dat geen uitkomst biedt ?

 

De H. apostel Paulus geeft in zijn 2e brief aan de parochie van Thessaloniki als recept hard werken: ‘’iemand die niet wil werken, zal ook niet eten’’.  Een wel heel simpele oplossing misschien, maar ergens sluit het toch wel aan bij het alternatief, dat Jezus geeft in Zijn homilie in de tempel: ‘’Als u volhardt, zult u uw leven winnen.’’.  Hoop doet leven. En volharden, al dan niet denkend aan die nonnen uit Sierra Leone  -  dat kan verdraaid moeilijk zijn, maar toch is het uiteindelijk de laatste mogelijkheid om uit de sores te komen: blijven hopen, lieve mensen, de hoop niet verliezen.  Zo zij het, amen.

 

Leo Jacobs ofs, 13 november AD 2016.                                                                   

 

*Mt 7: 1, Lc 6: 37, 1 Kor 4: 5

** 1Kor 13: 13b

 

Verkondiging

 

 

Vandaag moet ik bij jou zijn

Lucas 19: 1-10.

Zondag 30 oktober 2016. Door: Marco Voorhuis

‘Vandaag moet ik bij jou zijn.’ Met die woorden richt Jezus zich tot Zacheüs, de kleine oppertollenaar. Zacheüs was iemand die je naar onze maatstaven zou bestempelen als fout. Goed fout. Hij was chef van de belastingdienst, een instelling die destijds niet uit heel fijnzinnige types bestond. Het interesseerde de Romeinen niet hoe het geld van de Joodse bevolking binnenkwam, áls het maar binnenkwam. Daarvoor werden de tollenaars ingeschakeld. Bedreiging, corruptie en afpersing waren aan de orde van de dag. Zacheüs moet een harde man zijn geweest, die de wind er goed onderhad. De mensen zullen bang voor hem zijn geweest.

Jezus komt aan in Jericho. In plaats van zijn neus op te halen voor die timmermanszoon die de volksmassa op de been krijgt en lekker thuis te blijven, doet Zacheüs juist moeite om Jezus te zien. Er moet iets geweest zijn in de persoon van Jezus, wat de nieuwsgierigheid van Zacheüs wekte. Waarom? Was er bij Zacheüs iets van rusteloosheid? Iets knagends? Realiseerde hij zich dat er zaken in zijn leven niet klopten? Zacheüs wil Jezus zien. Zacheüs gaat zelfs zo ver dat hij – waarschijnlijk toch een van de rijkste en waardigste inwoners van die grote stad-  in een boom klimt. Iets wat hoogwaardigheidsbekleders niet snel deden in die dagen – en ook niet in de onze.

Dan gebeurt er iets wonderlijks. Jezus stopt en spreekt hem aan. Kent zelfs zijn naam. ‘Zacheüs, vandaag moet ik in jouw huis te gast zijn’. Wat er daarna precies gebeurt, is door de evangelist maar heel kernachtig omschreven: Zacheüs ontvangt Jezus met vreugde en verklaart dat hij afstand doet van een groot deel van zijn vermogen.

Zacheüs is veranderd. Er is iets in zijn innerlijk gebeurd. Hij heeft een nieuwe identiteit. Hij voelt zich bevrijd. Zo vrij zelfs, dat hij heel veel geld weggeeft. Laten we eerlijk zijn: je moet je wel heel erg bevrijd voelen om zoiets te doen.

Het verhaal van Zacheüs is een verhaal van bekering, van verandering, van een nieuwe stap zetten, zoals we die veel in de Bijbel kunnen vinden. En wat kunnen wij nu, voor onszelf, met dit verhaal?

Misschien zegt u: ‘Ja, die Zacheüs, dat was een slecht mens, die kon zo’n verandering heel goed gebruiken, want hij deugde echt niet.’  En zegt u: ‘Ik herken mezelf niet in die man. Ik ben weliswaar niet perfect, maar ik doe gewoon mijn best, zoals de meesten, en verder weet ik het ook niet.’ Dat kan een overweging zijn, toch denk ik dat we veel overeenkomsten hebben met Zacheüs. Net als hij voelen we soms de afkeuring van anderen, voelen we ons alleen staan, weten we diep van binnen dat we het vaak niet goed doen, dat we het laten afweten. Zoeken we naar verlichting van een innerlijke pijn. En wat deed Jezus daarmee? Die lette niet op de zonden van Zacheüs. Jezus vond die fouten niet belangrijk. Hij rekende Zacheüs er niet op af. Jezus strekte zijn arm uit en zei zonder voorbehoud: ik moet bij jou zijn. Het gaat erom dat wij ieder voor zich, ons realiseren dat wij, met al onze goede kanten en gebreken, net zo menselijk zijn als Zacheüs, en dat Jezus ongeacht al die vlekken en vlekjes, zonder voorbehoud bij ons wil zijn. Jezus wees zelfs de allergrootste zondaars niet af, dus Hij heeft geen enkele moeite om ons in zijn armen te sluiten.

Misschien zegt u: ‘Dat gebeurde tweeduizend jaar geleden, toen Jezus nog op aarde rondwandelde. Jezus sprak Zacheüs rechtstreeks aan. Keek hem in de ogen en praatte met hem. Van mens tot mens.’ En zegt u: ‘Jammer genoeg gebeurt dat nu niet meer.’ Dan zeg ik: verruim dan je blik. En verruim je hart. Want Jezus is nog wel degelijk te vinden in onze wereld. Misschien is hij wel die zwerver bij de supermarkt, die om een euro vraagt. Misschien is hij die stem in je innerlijk, die stem die je blijft wegdrukken maar die steeds weer naar boven komt. Jezus werkt ook door mensen. Je kunt Hem tegenkomen in een onverwachte ontmoeting met je medemens, of een schrijnende hulpvraag. Of een ogenschijnlijke vervelende gebeurtenis waarvan je je afvraagt waarom jou dat moest overkomen. Open je ogen, en open je hart, en wie weet op welke manieren Jezus zich aan jou laat zien.

Misschien zegt u: ‘Zo’n radicale bekering als Zacheüs, dat zie ik niet zitten. Ik ben niet iemand van grote veranderingen. Heb liever niet dat Jezus teveel in mijn comfortzone komt.’ Misschien voelt u zich eigenlijk best wat ongemakkelijk bij het Evangelie van vandaag. ‘Veel geld weggeven, poeh.’ Dan denk ik: dat kan ik mij goed voorstellen. Zo’n radicale ommekeer is niet iets dat velen meemaken. Uit onze eigen parochiegemeenschap kennen we misschien enkele gevallen. Maar dan denk ik ook: Jezus toelaten kan op vele manieren: groot én klein. Het kan een radicale bekering zijn, maar ook een kleine stap, een gebaar, een innerlijk besluit, dat al grensverleggend kan werken.

Prachtige voorbeelden hiervan zie je soms op tv. Neem nou dat programma Het Familiediner. Bert van Leeuwen belt ergens aan. De bewoner die opendoet herkent Bert, maar zegt desgevraagd geen idee te hebben waar Bert voor komt. Even later zitten ze aan de huiskamertafel: O ja, die oude kwestie, wordt er bedremmeld erkent. Nee, het heeft geen zin daar nog iets aan te veranderen. Dat komt nooit meer goed. Je ziet de wanhoop, het verdriet, de gekwetstheid in de ogen van die mensen. Het onvermogen om iets dat al jaren vastzit te veranderen. Maar dán, er komt iets los, als Bert hen vraagt om een stap te willen zetten. En je ziet in dat programma dat ze het aandurven, dat mensen een verandering willen ondergaan. Mensen die zich realiseren dat er iets fout is in hun leven en een stap zetten om dat te wijzigen. Soms stijgen die mensen in dat programma boven zichzelf uit. Omdat er iemand voor hun deur stond die zei: Vandaag moet ik bij jou zijn.

Wij hebben niet allemaal een Bert van Leeuwen bij de hand, helaas, dus misschien is het goed dat we vooral bij onszelf te rade gaan. Misschien is het een mooi idee om vanavond, voor het slapen gaan, als u in de spiegel kijkt naar uzelf, toch eens na te denken: welke verandering zou ik willen, wat kan er bij mij beter? Moet ik anders omgaan met mijn eigen donkere kanten, of met mijn naasten, met de buitenwereld? En realiseer je daarbij het volgende: Uiteindelijk is de kern van dit verhaal niet alleen maar dat Jezus zonder voorwaarden bij jou wil zijn, maar vooral de vraag aan jezelf: hoe welkom is Jezus in mijn leven? Hoe serieus neem ik hem? Wil ik eigenlijk wel dat hij een rol speelt? Wil ik verandering, of vind ik het wel goed zo?

Wij hebben geen Bert van Leeuwen, maar we hebben wel degelijk iemand die ons daarbij wil helpen. Dát mogen we ons realiseren. De uitnodiging van Jezus uit het verhaal van Zacheüs is zonneklaar en staat nog steeds. De vraag is: welke stappen zetten wij naar Hem toe? Grote of misschien hele kleintjes? Ik denk dat Hij immens blij is met elke stap, hoe klein ook.

Denk nog eens goed over na over die toegestoken hand van Jezus, en zijn boodschap die na tweeduizend jaar nog niets aan kracht heeft verloren: Vandaag moet ik bij jou zijn.

Verkondiging

                                                                                        

                                                                                                                                                   

op 30 oktober 2016,  de 31ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Wijsheid (11, 23-12, 2), Psalm 145 (ged.), de tweede brief van de heilige apostel Paulus een de christenen van Tessalonika (1, 11-2, 2) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (19, 1-10).

 

Nou, gezéllig was het daar níet, dierbare gasten en parochianen; gezellig was het daar niet - daar in dat Jericho met en rond en in verband met die Zacheüs. Een verkeerde figuur was hij - in de ogen, in de beleving, in de visie van 'de mensen'. Hij was 'een zondaar'. Men noemde hem 'een zondaar'. Hij was het geďdentificeerde probleemgeval. Hij was de bonte hond over wie iedereen zijn of haar afkeuring uitsprak.

 

Wat mankeerde er aan hem? Wat was er mis met hem? Wát deed hij verkeerd?

 

In elk geval had het te maken met zijn beroep, met wat hij deed. Dat werk maakte hem rijk. Maar met die rijkdom was duidelijk iets aan de hand. Daar was iets mis mee. Hij was een belastinginner. En hij was dat, hij deed dat, Zacheüs, vόόr en in opdracht van de bezetter van het land. Dus hij heulde met de vijand. Dat maakte hem onrein. En dat maakte hem fout. Hij was fout in de oorlog. Maar intussen legde dat werk hemzelf, Zacheüs, geen windeieren. Het maakte hem tot een rijk man. Maar die rijkdom klopte niet, die deugde niet. Hij kwam er niet eerlijk aan. Hij zoog zijn medebrugers uit. Hij zette ze extra onder druk om er zelf beter van te worden. Ach ja mensen, geldt stinkt. Mensen die veel met geld omgaan, die komen gemakkelijk in een kwade reuk te staan. Bankiers, directeuren van ziekenhuizen, zorgkoepels en woningbouwverenigingen, bestuurders van charitatieve fondsen enzovoort. We maken het vaak mee dat hun manier van doen aan de kaak wordt gesteld als zelfverrijking. Ze weten het zo te plooien dat ze er zelf goed uit springen en warmpjes bij komen te zitten. De thuishulp met haar hongerloontje wordt aan de dijk gezet maar de directeur krijgt bij zijn vertrek zes ton mee. En zo, veelgeliefden, op die manier, was Zacheüs dus ook een rijk man. Maar tegelijk was hij ook een arme eenzame man, een geďsoleerde figuur. Hij stond buiten de gemeenschap. Hij hoorde er niet bij. Men wendde zich van hem af en keek hem met de nek aan. Dus in die zin zat Zacheüs er níet warmpjes bij. Nee integendeel. Zijn leven was verder behoorlijk kaal en kil.

 

Maar... hoe kwam dat zo? Waarόm, dierbare gasten en parochianen, waarόm worden mensen wie ze zijn? Waarόm manifesteren zij zich op een bepaalde manier? Waarόm kiezen ze een bepaald beroep, een beroep bijvoorbeeld waardoor ze lekker binnenlopen? Hoe zat dat bij Zacheüs?

 

Behalve dat hij rijk was, was hij ook klein zo hoorden wij, opvállend klein, een onderdeurtje met van die korte, koddige beentjes wellicht. Ja, je probeert het je voor te stellen en er een beeld bij te krijgen. Hoe mensen er uitzien: of ze groot zijn of klein, mooi of lelijk, sterk of zwak, aardig of onaardig, leuk of minder leuk, wit, zwart, geel of bruin - wat doet dat met hen sociaal? Welke plek nemen  ze, ook daardoor, in binnen de gemeenschap? - in het gezin, op school, in de klas, op het werk en in de kerk ook...      

 

We weten allemaal: in welk nest je geboren wordt, hoe ouders met hun kinderen omgaan en wat er in hun schooltijd met kinderen gebeurt, hoe hun leerkrachten en hun klasgenoten met hen omgaan en op hen reageren - het heeft allemaal grote gevolgen voor de hele rest van het leven, voor hun beroepskeuze en voor het relationele leven. Ortho-pedagogiek, hoe je kinderen goed opvoedt, zodat het rechte en stevige bomen worden en geen zwakke en scheve, daarover nadenken en vooral: het in praktijk brengen, dat is dus een heel belangrijk vak.

 

Hoe zat dit allemaal in het leven van Zacheüs? Wie waren zijn ouders? Hoe zijn ze met dat kleine jochie omgegaan? En hoe was het op school? Was hij een gelukkig kind? Is hij nu als volwassene samen met iemand? Heeft hij zelf een gezin? Of is hij alleen? De evangelietekst zegt er verder niets over, over de relationele omstandigheden van de tollenaar, maar we zijn denk ik geneigd om te denken: het laatste. Zacheüs zal wel geen partner hebben. Hij is vrijgezel, ongehuwd, celibatair.

 

En was dat een keuze of was dat het lot in het geval van Zacheüs? En hoe leefde hij het alleen-zijn? Ging hem dat goed af of had hij er moeite mee, grote moeite eventueel? Voelde hij zich lekker of was hij gefrustreerd? Ik denk: het zijn allemaal zinvolle en belangrijke, wezenlijke vragen. Was Zacheüs gelukkig of ongelukkig? En hoe zit het met u wat dat betreft? En met mij? 

 

Wat je, veelgeliefden, vaak ziet, als 'het niet stroomt' in het leven van een mens, als er een onopgelost probleem is in de basis, in de diepte van zijn of haar leven; wat je dan vaak ziet, dat is dat een mens dat dan gaat 'compenseren' zoals dat heet. Mensen die zich unfair behandeld voelen door 'het leven' of door 'de mensen', hun medemensen, die kunnen de neiging hebben om zich min of meer te wreken. Men voelt zich onderbedeeld, of misdeeld, en men gaat het dan zelf nemen wat men tekort is gekomen. Ik zal jullie wel krijgen! En: Ik zal je pakken! Dát sentiment. Had Zacheüs daar last van? Speelde dat in zijn leven? Ach ja veelgeliefden, ik denk: Het zou zomaar kunnen...

 

Zacheüs zit klem. Hij zit muurvast. Er is sprake van een impasse. Hij kan niet vooruit. En hij kan niet achteruit. Maar dan hoort hij: Jezus is in de stad! Hij trekt er doorheen. Hetzelfde gebeurt vandaag, hier en nu in onze kerk. Jezus is er. Hij komt langs. Hij trekt aan ons voorbij. En wie weet kunnen wij Hem ook wérkelijk ontmoeten.

 

Zacheüs heeft het gehoord. En hij is ontwaakt uit zijn verdoving, uit zijn verstarring, uit zijn winterslaap die misschien wel al heel lang heeft geduurd. Hij wil zien wie Jezus is. En willen wíj dat ook? Wil jij het όόk? Ben je wérkelijk geďnteresseerd in wie Hij is en in wat Hij je geven kan en wil? Of ontbreekt feitelijk die interesse en heb je eerder iets van: Ach die Jezus - dat weten we wel...

 

Zacheüs klimt in de boom. Want hij is klein. En hij is slim. En dat is ook omdat hij er niet bij hoort, omdat hij er niet bij mág horen en misschien ook niet helemaal bij wíl horen. Niet in de kring maar er buiten. En er boven. Het is een verheven positie. Hij kijkt van daar uit op de mensen neer, letterlijk, maar ook figuurlijk. Hij kijkt zelfs op Jezus neer. Maar Jezus voelt zich niet te min om naar Zacheüs όp te kijken. Jezus ziet hem, Zacheüs. En Hij kijkt dwars door hem heen. Zoals Jezus door elk van ons dwars heenkijkt. Hij ziet wat er mis is met ons. Hij ziet wat we mankeren. Hij zie wat er niet goed is aan en in ons. Hij ziet wat er is scheefgegroeid in onze levens. Hij ziet wat we elkaar en onszelf aandoen. Hij ziet onze zonden. En zonden, veelgeliefden, zijn vormen, het zijn symptomen van ziekte - van het hart en van de geest die ziek kunnen zijn. Jezus ziet het. Hij ziet 'wat er achter zit': Hij ziet ons lijden. En hij ziet ons hunkeren. En Hij ziet onze onmacht.

 

"Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik bij jou zijn." Pats. Midden in de roos. De zeepbel wordt doorgeprikt. Er komt een eind aan de illusies van Zacheüs en aan die van de anderen - alsof híj 'de zondaar' zou zijn en zijzelf géén zondaars, maar 'de betere mensen', of dat hij Zacheüs dat zou zijn: een hogerstaand mens, tronend maar ook verschanst in zijn heilig gelijk in verband met wat hem allemaal is aangedaan in zijn jeugd en nadien. Jezus weet het allemaal. Hij ziet het. Hij ziet de effecten van het lijden. Maar Hij kijkt er ook doorheen. En Hij prikt er doorheen. "De Heer is vol liefde (...). De Heer is bezorgd voor iedere mens (...). De Heer ondersteunt die dreigen te vallen, richt al wie gebukt gaat weer op." Die woorden klonken vandaag in de 145ste psalm die wij samen gebeden hebben. En hoe Jezus omgaat met Zacheüs illustreert die woorden. In onze eerste lezing, uit het boek der Wijsheid, daarin hoorden wij: "Gij ontfermt u over allen (...) en Gij let niet op de zonden der mensen, opdat ze tot inkeer komen. Gij houdt immers van alles wat bestaat en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt." Voor die woorden geldt hetzelfde als voor die van de psalm: Jezus maakt ze waar in zijn bejegening van, in zijn omgaan mét Zacheüs. Voor Jezus is Zacheüs geen onaanraakbare zondaar om wie je met een grote boog heen moet lopen maar een mens als alle anderen bij wie Hij nota bene zichzelf thuis uitnodigt. Geen chagrijnige, krampachtige, klein- en náárgeestige maar een liefderijke, royale houding. En die houding doet wonderen veelgeliefden. Jezus ráákt bij Zacheüs het hart van zijn hele bestaansproblematiek. Hij raakt het hart van zijn innerlijke verwonding. En Jezus geneest die. Het ijs in Zacheüs' hart smelt. Hij ontdooit. Het gaat weer stromen in hem. En Zacheüs wordt zélf royaal, uitbundig, vrijgevig.          

 

'Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn' zo luidt het gezegde. En daar heeft Jezus' houding iets van. Met dit verschil dat het bij en voor Hem geen 'trucje' is, maar Hij meent het. Hij heeft Zacheüs wérkelijk lief, zoals Gόd Zacheüs en elk van ons werkelijk liefheeft.

 

Proberen wij dan evenzo te doen veelgeliefden. Laten ook wij elkaar wérkelijk liefhebben. Geen pose graag. Maar écht. Van binnenuit. Met het hart. Dan wordt het vast gezellig. Amen.  

 

Verkondiging

 

op 23 oktober 2016, de dertigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Wijsheid van Jezus Sirach (35, 12-18), de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (4, 6-18) en, in afwijking van het lezingenrooster, het heilig evangelie volgens Lucas (???).

 

"Laten we de lieve vrede bewaren".

 

Typisch zo'n uitdrukking uit mijn kindertijd is dat. "Laten we de lieve vrede bewaren." Dat zei mijn moeder als er rumor in casa was - als het rommelde onder ons kinderen, als er spanning was en ruzie dreigde.

 

'Koor van de lieve vrede'. Zo heet ons koor dat vandaag jubileert, een jubileum dat het viert samen met het koor van van de Liturgische Werkgroep van de Martelaren van Gorcum, de kerk in de Watergraafsmeer, aan de Linnaeushof. Dat koor bestaat vijfenveertig jaar. En dat werd verleden week gevierd. Toen was ons koor daar, in de Martelaren. Nu zijn zij hier, bij ons. Wat goed als twee koren en twee parochies op zo'n manier contact met elkaar hebben en elkaar versterken.

 

Het Lieve Vredekoor bestaat twintig jaar. Wat een tijd! En ik heb dat koor hier zelf opgericht! Tjee... Ik word oud! En wie van de leden zijn erbij geweest vanaf het allereerste begin? (het blijken er twee te zijn) - U ziet, dierbare gasten en parochianen: Het koor heeft zich in de

loop van die twintig jaren behoorlijk vernieuwd. Nog altijd is Michiel Mirck, op het orgel (en af en toe mag hij ook nog altijd op piano spelen), de vaste begeleider ervan. Maar Mark Walter, 23 jaar oud, is na Wilfred Kemp en Bregje van Goudoever dus de derde dirigent van het koor.

 

Aan Bregje dankt het koor zijn naam. Bregje was/is niet van het houtje. Dus ook met Onze Lieve Vrouw was ze niet zo vertrouwd. Dus laat staan met Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede - aan wie onze kerk gewijd is. Dat is ook een hele mond vol. Bregje verhaspelde het. Ik moest lachen als ze dat deed. Wat maakte ze ervan? 'kerk van de lieve vrouw van de vrede' of zo... 'kerk van de lieve vrede'. Nou... zό is het Koor van de Lieve Vrede dus aan zijn naam gekomen. Door Bregje. En door mijzelf. Want ik heb zelf voorgesteld om het koor dan maar zo te noemen:

 

Koor van de Lieve Vrede. Ik dacht destijds: dat is dan meteen een mooi understatement. En een bezwering. Want laten we ons geen illusies maken veelgeliefden... En laten we niet te veel pretenties hebben... Met het koor komt zoals bekend de duivel de kerk binnen! 'Koor van de Lieve Vrede'. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!

 

Maar nee! Of juist: Ja! Het heeft geholpen! In al die twintig jaar heb ikzelf van extreme spanningen of van uit de hand lopende ruzies bij het koor echt helemaal niets gemerkt. Die zijn er dus niet geweest of ze hebben die voor mij goed verborgen gehouden. Dat kan natuurlijk ook. Maar... volgens mij heeft het koor zijn naam bést eer aan gedaan. Naar mijn indruk is die lieve vrede steeds goed bewaard, tamelijk ontspannen en gemakkelijk zelfs, twintig jaar lang. En daarbij is het koor gegroeid: in omvang, in kwaliteit van zang, in variëteit van mensen. - Onder de laatste aanwinsten van het koor zijn Roela en Majda... - uit Damascus. Met dat alles is het koor denk ik vooral gegroeid in vreugde. En hopelijk ook in diepgang. Ik denk, en ik zeg ook altijd als ik reclame maak voor het koor en mensen over de streep tracht te halen om mee te gaan zingen: Die prachtige diepzinnige bijbelse of door de bijbel geďnspireerde teksten van vooral Huub Oosterhuis zingen, de paus van Amsterdam,[9] liederen op melodiën van Bernard Huijbers, Tom Löwenthal en Antoine Oomen - die ik altijd in het zwembad tegenkom, die laatste; die teksten en melodiën zingen daarmee geef je jezelf toch een groot cadeau? Daarmee krijg je toch tegelijk een geweldige vorming in spiritualiteit? Daardoor vormt zich op de bodem van je ziel, op die van de koorleden maar hopelijk ook op die van de kerkgangers; daardoor komt er op de bodem van je ziel toch een sediment, een humuslaag van wijsheid die vreugde geeft en weerbaar maakt...? Ik stel mij voor dat koorleden en mensen die graag en aandachtig naar het koor luisteren en meezingen, dat er bij hen een heel reservoir van woorden, flarden van woorden en melodiën is ingedaald die nog wel eens van pas kunnen komen in bepaalde omstandigheden.

 

Een vriendin van mij moest begin afgelopen week naar het ziekenhuis in verband met een herbehandeling. Het gaat om kanker. Ik vroeg: Hoe is het gegaan? Antwoord: "De vensters van de ziel zijn tijdelijk gesloten."

 

Ja...

 

Ook die vriendin zingt - een heel ánder liturgisch genre overigens weer dan het Lieve Vrede-koor, maar toch. Zal zij iets hebben in deze omstandigheden waarin het er op aankomt; zal zij iets hebben aan alles wat zij gezongen heeft en wat in haar ziel is ingedaald? Ik hoop het!

 

"Geef met een blij gezicht en naar je vermogen, want Hij is een Heer die beloont. Hij geeft het je zevenvoudig terug" zo hoorden wij vandaag in de eerste lezing, uit het boek van de Wijsheid van Jezus Sirach. "Geef met een blij gezicht". Ik zie dat blijde gezicht vaak bij de koorleden. Wat géven zij ons veel met en in hun zingen. En wat geven zij zichzelf daar veel mee. "Hij geeft het je zevenvoudig terug" zegt Jezus Sirach.

 

In de tweede lezing, uit zijn tweede brief aan Timoteüs, doet Paulus zijn beklag: Iedereen heeft hem in de steek gelaten. "Maar de Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven." "En de Heer zal mij blíjven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk."

 

Vijf vragen:

 

Hόe stáát de Heer een mens terzijde?

Hόe geeft Hij kracht?

Hόe beschermt Hij en brengt Hij een mens behouden over naar Zijn hemels koninkrijk?

Dat koninkrijk, wat is dat voor iets?

Waar is dat ergens?

 

"Die in ons hart zijn rijk begint, alleluia, alleluia" - Terwijl ik al die vragen stel gaat in mij dát lied klinken: "Zingt voor de Heer van liefde en trouw..." - een lied van Michel van der Plas op muziek van J. Huls uit 1958. En met dat het gebeurt veelgeliefden, mét dat lied dat in mij opkomt, krijgen al die gestelde vragen een antwoord:

 

In elk geval kan God ons helpen en kracht geven en beschermen in de woorden en klanken van teksten die over Hem spreken en zingen. Daarin spreekt Hij. En daarmee en daarin begint in ons Zijn rijk.

 

 "Jij bent (...) mijn veelgeliefde, in jou verheug ik mij" zo hoorden wij in de door het koor gezongen evangelietekst. De woorden hebben betrekking op Jezus, maar ik denk: Als je Jezus kent, als je met Hem leeft, als je deel uitmaakt van Zijn lichaam dat de kerk is, dat lichaam dat in de viering van de eucharistie door Hemzelf gevoed wordt, als je van Hem houdt en met Hem vergroeid bent, dan wéét je en dan kun je soms ook erváren, voelen: Hij houdt van míj. Die veelgeliefde, in wie Hij zich verheugt, dat ben ik zelf. Zijn zoon, Zijn dochter - dat ben jij.

 

"De tijd is vol, het koninkrijk van God dichtbij, keer je leven om." Zo spreekt de Heer. Zo zong het koor. "Keer je leven om." Geen lieve vrede maar werkelijke vrede... door Hem, in Hem. Misschien moeten we het koor toch omdopen... het 'koor van de echte vrede' gaan noemen - al is dat wel veel riskanter, ja vrágen om moeilijker misschien. 'Koor van de lieve vrede' is veel veiliger...

 

Échte vrede. Dat elk van ons die nochtans zoeken, dat elk van ons die vinden, dat elk van ons die hebben, dat elk van ons die ontvangen mag. Van Hem, in Hem. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                   

op 16 oktober 2016, de 29ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (17, 8-13), Psalm 121, de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (3, 14-4, 2) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas  (18, 1-8).

 

Cobie Baas! Zo'n vrouw, zo'n type als Cobie Baas... - daar denk ik aan in verband met die weduwe uit de evangelielezing van deze zondag. Cobie, een boerendochter, de vrouw van de melkzaak die vroeger aan de Van Hilligaertstraat zat - waar nu een kapsalon is. Zij was een grote, stevige vrouw die altijd hard had gewerkt. Het korte blonde, altijd keurig gekapte haar droeg zij op haar hoofd - bijna als een helm. De helm van een strijder, van amazone die op oorlogspad kon zijn. Want zo was Cobie. Haar beide kinderen zaten nog op de middelbare school  toen hun vader, Theo, Cobies man, aan kanker stierf. Cobie was met hem vergroeid. En zij bleef hem missen en naar hem verlangen, iedere dag, tot haar eígen laatste snik, vorig jaar mei. Je kreeg dat ook van haar te horen. Want Cobie had haar hart op haar tong. En zij maakte van haar hart geen moordkuil. Geregeld gaf zij lucht aan haar verdriet en voor haar tranen schaamde zij zich niet. Luid kon zij haar nood klagen en allerlei figuren (mensen uit haar omgeving, hulpverleners en autoriteiten) die het in haar ogen niet goed deden, die te kort schoten en door wie zij zich benadeeld voelde, kon zij met haar woorden striemen. Buren, dokters, ambtenaren, wethouders, de huisbaas, de pastoor... die konden het voorwerp zijn van haar toorn en die kon zij ervan langs geven. Je kon je maar beter bérgen als Cobie van wal stak met haar tirades. "Dring aan, te pas en te onpas, weerleg, berisp" - zo schrijft de apostel Paulus in zijn tweede brief aan Timoteüs waaruit wij hoorden voorlezen. En het zijn woorden, veelgeliefden, die een mens als Cobie op het grote lijf geschreven hadden kunnen staan: "Dring aan, te pas en te onpas, weerleg, berisp".

 

Die rechter met wie de weduwe in het evangelie te maken heeft, die rechter is duidelijk een dubieuze figuur. Hij "vreesde God niet en liet zich aan geen mens iets gelegen liggen", zo hoorden wij over hem. En dat is natuurlijk een ervaring veelgeliefden die je met machthebbers, met mensen op sleutelposities, die de lakens uitdelen, nogal eens kunt hebben: Je kunt dingen tegen hen zeggen of aan hen schrijven tot je een ons weegt... - maar ze doen toch waar ze zelf zin in hebben. Ze gaan hun eigen goddelijke of goddelόze gang en trekken zich van niets of niemand iets aan... tenzij van 'hogere machten' ofwel hun eigen superieuren eventueel. Maar van de mensen die van hen afhankelijk zijn? de mensen die hen nodig hebben? - vergeet het maar... Vaak hebben die de ervaring dat ze hoog of laag kunnen springen, maar geen gehoor vinden en dat men hen in de kou laat staan.

 

Dat wil zeggen... Nee, toch niet uiteindelijk! Nee hoor... Jezus verkondigt in het evangelie van deze zondag werkelijk goed nieuws! Goed nieuws op de eerste plaats voor de Cobies van deze wereld, voor de mensen die hun mond durven open te doen, voor hen die zonder ophouden "blíjven bidden en de moed níet opgeven".

 

Vandaag wordt iemand als Cobie Baas ons door Jezus ten voorbeeld gesteld. Geweldige achternaam trouwens in dit verband: Baas! Wie zich níet laat intimideren door allerhande autoriteiten die niet correct, zorgvuldig en dienstbaar opereren, die níet doen wat van hen verwacht mag worden, wie níet ophoudt om het όnrecht aan de kaak te stellen, díe kan hen aan - zulke autoriteiten.

 

Van de Poolse schrijver Ryszard Kapuściński zijn de woorden: "Alleen als de gewone man of vrouw ophoudt met bang zijn, dan begint de revolutie."[10] En zo is het veelgeliefden. Wij moeten niet bang zijn en níet schromen om onze mond open te doen als de gerechtigheid in het geding is.   

 

Die weduwe die niet ophoudt die lapzwans dan wel klootzak van een rechter aan z'n kop te zeuren, die krijgt tenslotte tόch wat ze nodig heeft. Hij gaat uiteindelijk toch όm, die rechter. Elke druppel die valt holt de rots verder uit en uiteindelijk breekt die. Met eetlepels, met messen, met vijlen en vooral: met eindeloos geduld, met vastberadenheid, een ijzeren doorzettingsvermogen, veel inventiviteit en boven alles een onwankelbaar geloof is het gevangenen in alle eeuwen gelukt om uit te breken uit allerlei naargeestige, afschuwelijke gevangenissen. En terwijl ik deze woorden uitspreek denk ik met grote deernis en pijn in het hart aan de mensen in Noord-Korea die opgesloten zitten in hun eigen land als in een collectieve gevangenis. En in hoeveel andere landen zijn de mensen niet vrij om te gaan en te staan waar zij zelf willen en om te lezen, te zeggen en te schrijven wat zij zelf willen? In hoeveel landen staan de mensen en staat hun vrijheid niet onder grote druk? Denk aan China, denk aan Rusland, denk aan allerlei moslimlanden. Maar denk nota bene ook binnen de EU aan een land als Hongarije.

 

Mensen kunnen trouwens ook opgesloten zitten in hun eigen hoofd. Ook dát kan een gevangenis zijn. En uit die gevangenis, veelgeliefden, is er maar één enkele uitweg, namelijk: je uitspreken, het gesprek of désnoods de confrontatie aangaan met iemand of met enkele of met een helebόel mensen. En samen kom je er dan hopelijk tόch uit, uit die gevangenis in je hoofd. Geef de moed niet op. Blijf bidden.

 

"We durven elkaar niet meer in de ogen te kijken" staat er boven een groot interview dit weekend in NRC-Handelsblad, een interview met de Vlaamse psychiater Dirk De Wachter die daar, in Vlaanderen, een bekende figuur is.[11] Hij raadt mensen aan, deze Dirk, om te práten, desnoods met de psychiater, maar op de eerste plaatst toch vooral met mensen die dichtbij staan, met familieleden en vrienden. Ik citeer:

 

"Als iemand zich slecht voelt moet hij bij hen aankloppen: 'Het gaat niet goed, ik heb je nodig.' In plaats daarvan verschuilen wij ons vaak achter nieuwe media, men zit voor dat scherm te hannesen en ziet elkaar niet meer. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?" De interviewer zegt dan: "Je hoort het niet vaak meer: ik heb je nodig." En Dirk De Wachter antwoordt dan: "Nee. Men is bang ge-defriend te worden. In plaats van een uitgestrekte hand volgt vaak afgrijzen: O jee, die zit in de knoei, brrr. Men moet elkaar vastpakken (...) bij het vel. Men moet elkaar in de ogen kijken. De oplossing voor ons verdriet is dat we het zien en durven leven. Dat we de angst durven zien en durven leven. Dat kan alleen samen met de ander." Tot zover Dirk De Wachter, de Vlaamse psychiater.

 

Eigen verdriet en angst dúrven zien en dúrven leven. Dát is de oplossing die hij mensen aanreikt en ik denk: die oplossing ligt in het verlengde van de oplossing die Jezus ons aanreikt in het evangelie van deze zondag. Die weduwe doet het. Cobie Baas deed het: eigen nood, angst, verdriet in elk geval durven uíten en durven léven en áánkloppen in elk geval daarmee bij anderen. En iedereen, veelgeliefden, kan dat uiteraard op eigen wijze doen. Het hoeft natuurlijk niet altijd per se op de onstuimige wijze van zo'n Cobie.

 

Aankloppen bij mensen. Aankloppen bij God. Is dat min of meer hetzelfde? Of is daartussen toch een verschil? Ik denk het toch wel. Want wat Jezus ons vandaag verhaalt en wil duidelijk maken impliceert dat namelijk. Die rechter waarover Hij het heeft zegt bij zichzelf: "Omdat ze zo lastig is, zal ik deze weduwe aan haar recht helpen; anders komt ze me uiteindelijk een klap in mijn gezicht geven." Denk maar weer aan Cobie Baas bij die woorden: Ik had haar ertoe in staat geacht, in uiterste nood, om welke bobo dan ook zo'n optater te géven. En natuurlijk is dit geen pleidooi voor fysiek geweld veelgeliefden. Wij moeten elkaar natuurlijk héél laten, op onze tellen passen en op onze impulsen letten. Wij moeten respectvol met elkaar omgaan en elkaar in principe niet te lijf gaan, máár... uiterste nood breekt uiteindelijk wel wet natuurlijk. Er zíjn misschien inderdáád soms omstandigheden waarin ons géén andere oplossing overblijft dán precies die klap - die je dan natuurlijk beter thuis tegen een kussen kunt geven. Maar Jezus zegt dan vervolgens: "Hόόr wat die onrechtvaardige rechter zegt. Zou Gόd dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen en naar wie Hij welwillend luistert?

 

Ik moet u zeggen veelgeliefden: Ik huiver gewoon bij die woorden. Want ze bevatten, ze impliceren een buitengewoon indrukwekkend en mooi, ja een prachtig en verlossend geheim, het geheim namelijk dat God werkelijk 'bestaat', dat Hij er is, dat Hij ons ziet, en hoort, dat Hij op ons betrokken is en dat Hij werkelijk in staat is en bereid is om ons, om jou en mij bij te staan en te helpen.

 

Maar... veelgeliefden, wát moeten wij ons dan voorstellen bij 'God' en bij het tot Hem bidden? Ik denk, wat Jezus zegt en wat Hij gelooft, dat impliceert dat God is als een machtig mens, máár daar toch boven uit gaat. Jazeker: God is machtig - maar als zodanig van een andere orde als machtige mensen het zijn. Want machtige ménsen zijn toch net als wijzelf: Zij én wijzelf kunnen het af laten weten, zijn feilbaar, kunnen onder de maat blijven enzovoort. Maar dat alles geldt niet voor God. Hij, God, is altijd en overal in alle omstandigheden - "welwillend" zegt Jezus; "welwillend voor zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen". Ik denk: dát is dus bidden. Dat is dus: om hulp roepen, God om hulp vragen. En hoe doe je dat dan?

 

Ach ja... Je moet dan natuurlijk in God kunnen gelόven. God is De Hoogste. God is De Diepste. God is Het Hart. God is Het Wezen. God is Liefde. God is mijn oorsprong. Ik kom van Hem. Ik ben van Hem. Hij is mijn basis. Hij wil mij. Hij houdt van mij. Naar Hem ben ik op weg. Hij staat voor mij klaar. Hij zal mij ontvangen. Hij vangt mij op. Volgens mij is dát: geloven in God. En bidden is dan: die relatie met God ervaren, onderhouden, léven - in groot vertrouwen.

 

Is bidden: woorden de ruímte in slingeren? Ja, veelgeliefden, ook dat is bidden, maar dan met dien verstande dat er voor die woorden die dan de ruimte in geslingerd worden, dat daarvoor ook een adres is. "Omhoog naar de bergen richt ik mijn ogen: Van waar kan ik hulp verwachten?" - zo hebben wij gebeden vandaag in de 121ste psalm. En de in die psalm gestelde vraag krijgt dan meteen een antwoord: ("Van waar kan ik hulp verwachten?") "Mijn hulp zal komen van God de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft." God is liefde. En ik bin vom Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt - van hoofd tot voeten ben ik op die liefde gericht. En niet alleen ik. Nee, hemel en aarde zijn het. Die liefde die God is, is alles. En buiten die liefde die God is gaat niets om.

 

Heb je dit geloof? Kun je het volhouden? Of als je het kwijt bent geraakt, korter of langer geleden, als dat geloof je eventueel totaal in de benen is gezakt, kun je het dan terugkrijgen, terugwínnen? Ach ja veelgeliefden: Waarom niet eventueel?

 

Dat geloven in God en bidden niet en nooit vanzelfsprekend is, dat je het en Hem nooit in je zak kunt steken en dat 'het' altijd een inspanning blijft vragen, dat maakte denk ik zeker ook onze eerste lezing vandaag duidelijk, uit het boek Exodus: in dat indrukwekkende beeld van Mozes die zijn armen in gebed ten hemel heft. "En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield, waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken, dan won Amalek" - en 'Amalek' is dan uiteraard een beeld van alles en iedereen door wie en waardoor ons leven en ons geloof worden bedreigd en aangetast. Mozes wordt moe. En dan gaan Aäron en Chur zijn armen ondersteunen. "En zo bleven zijn armen hooggeheven, tot zonsondergang toe." Oh veelgeliefden, wat een beeld... Dat gaat je toch gewoon door merg en been? En zo is het toch ook gewoon? Want: op eigen houtje lukt het toch niemand? - om te blijven leven en te blijven geloven, "tot zonsondergang", het eind van ons leven, toe? We hebben toch allemáál mensen nodig die bereid zijn om onze biddende armen te ondersteunen - opdat wij in de strijd van het leven niet versagen en ten voortijdig ten onder gaan?

 

Onlangs las ik een boek van een Poolse ambtsbroeder van mij, Krzysztof Charamsa heet hij. Afgelopen zomer was hij in Amsterdam en ontmoette ik hem ook. In dat boek stelt hij ook het thema suďcide, zelfmoord aan de orde. Hij schrijft, Charamsa - en hiermee zal ik deze verkondiging besluiten: "In elke zelfmoordpoging zit een drama besloten waar iemand niet meer tegen is opgewassen. Dit heeft niets te maken met verantwoordelijkheid, want het gaat om iets dat sterker is dan een mens. (...) Maar als God wint,  dan is een mens veilig en pleegt hij geen zelfmoord."[12]

 

Moge dus God, veelgeliefden, moge God zό dus in elk van ons blijven winnen. En laten we elkaar daarin ondersteunen. En vraag ook om die steun aan mij of aan iemand anders als je die steun nodig hebt. Hou moed. Blijf bidden. Denk maar aan Cobie Baas. Amen.       

 

Verkondiging

op de 28e zondag door het jaar, 9 oktober 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

Lezingen:            Lukas 17,11-19

2Koningen 5,14-17. Psalm 98. 2Timotheüs 2,8-13

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

Dankbaarheid. Dat is een lastige. Dankbaarheid was “vroeger”, in Jezus’ tijd blijkbaar al een lastige [cf. Kol 3,15].. Waren niet alle tien genezen van een ongeneselijke ziekte? Je kunt er natuurlijk een draai aan geven, bijvoorbeeld dat die andere negen zo blij waren, dat zij eerst naar hun geliefden gingen, om zich met hen te verenigen. Maar de vraag van Jezus blijft staan: Waar is de dankbaarheid van de anderen die genezen zijn?

               Nog een stapje verder is wat ik vorige week zaterdag vernam in een televisie-programma over Lourdes (Andere Tijden). Een van de geďnterviewden vertelde hoe hij daar skeptisch geworden was door wat hij zag: Sommigen worden – blijkbaar – genezen, maar zovele anderen daar en in de rest van de wereld niet. Al dat leed is zo overweldigend, dat het afstompt: deze man kon “door het lijden God niet meer zien”. Deze man zag door al het lijden ook de genezingen, de goede dingen niet meer. Zo verloor hij zijn geloof.

               Precies dezelfde manier van redeneren kun je horen in het EO-programma Adieu God. Zoals de titel van het programma al doet vermoeden, gaat de presentator daarin met zijn gast het gesprek aan over de manier waarop deze zijn/haar geloof en kerkbetrokkenheid heeft opgegeven. Soms hangt het direct samen met iets ergs wat er in het eigen leven is gebeurd, maar meestal geeft toch het overweldigende leed om ons heen of ver weg daarbij de doorslag. Er is zoveel leed; waar is God dan? [cf. Ps 42,7-12. Mt 27,46]

               Wat mij opvalt in zulke verhalen, is de volledige afwezigheid van dankbaarheid – of in ieder geval wordt dankbaarheid daar compleet overschaduwd door de realiteit van het lijden. Nog voordat er ruimte komt om dankbaar te zijn –voor het leven, de liefde, voor al het goede dat gebeurt – worden we meegesleurd door het volgende leed dat zich aandient. Hoe kun je dankbaar zijn in een wereld waarin het lijden een realiteit is?

               Eerlijk gezegd vind ik het een vreemde vraag; mijn vraag is het niet. Maar het is een vraag die lééft. Daarbij is God Zelf problematisch: bij almacht, Gods macht, stelt menigeen zich totále controle voor: “alles wat gebeurt, is Gods wil; anders is Hij niet almachtig, toch”? Dit idee van almacht is niet gebaseerd op ons geloof, maar op onze fantasie, ons voorstellingsvermogen [cf. Js 55,8v. W 11,21-26]. Als al het leed dat op aarde geschiedt, Gods wil zou zijn, waarom zouden we dan nog bidden om de komst van Zijn rijk: “Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel” [Onze Vader: Mt 6,10]. Wat almacht is, wordt ons echter door Jezus geopenbaard, in Zijn leven čn in Zijn sterven. Dan blijkt: Gods macht is de niet-te-stoppen macht van de liefde, die vergeeft, geneest en heel maakt, die leven geeft, juist in het menselijke bestaan met al zijn lijden en zelfs over de dood heen [2Tm 2,11]; als een grassprietje door het asfalt heen. Dit vieren wij telkens weer in de Eucharistie – en eucharistie betekent dankzegging! Kortom, Gods macht openbaart zich niet in dwang en overmacht, maar in het laatste Avondmaal en op het Kruis.

                Niet alleen ons beperkte voorstellingsvermogen m.b.t. God houdt ons ervan af om dankbaar te zijn, ook ons idee van dankbaarheid. Want dankbaarheid veronderstelt een relatie; je kunt niet dankbaar zijn jegens je computer of je stoel, maar alleen jegens iemand, een jij/u/gij, die je iets goeds geeft wat je zelf niet kunt doen/maken. Dankbaarheid betekent dat er een wederzijdse band is die je goed doet: gever en ontvanger, zoals je in het dagelijkse leven dankbaar kunt zijn voor alles wat je van je ouders, vriend en vreemdeling hebt gekregen.

               In die zin valt het mij op dat steeds vaker mensen zeggen dat ze “trots” zijn. Je kunt trots zijn op iets dat je zelf hebt gepresteerd. We zeggen wel dat wij trots zijn op onze Olympische en Paralympische sporters. Echter, deze sporters hebben er jaren lang voor getraind. Wij niet. Je hoort het niet vaak, maar toch kunnen zij naast trots óók dankbaar zijn: dankbaar voor de talenten (natuur) en de inspiratie (genade) die ze hebben gekregen. Zij hebben ermee gewerkt, maar daaraan vooraf gaat dat zij ontvangen hebben. Evenzo bij trotse ouders: hun opvoeding heeft vruchten afgeworpen. Maar tegelijkertijd kunnen zij dankbaar zijn dat zij überhaupt een prachtig kind hebben gekrégen. Gekregen.

               Dankbaarheid als houding vinden we in onze samenleving steeds minder. Dat heeft met het vele leed om ons heen te maken, maar eveneens omdat ons wordt geleerd om zelfstandig te zijn, in de zin van onafhankelijk – alsof wij individuen-zonder-relatie zouden zijn, maar wel met rechten. Dan is het moeilijk om te erkennen dat wij God en elkaar nodig hebben. Hulp vragen wordt dan al gauw beschamend. Bovendien kůnnen we zelf ook steeds meer en dat maakt vooral trots.

               Al enige jaren ben ik als pastor werkzaam in het bedevaartsoord van de heilige Pater Karel in Munstergeleen (bij Sittard). Daar gaat het er wat anders aan toe. Allerlei mensen komen daar, om te vragen om hulp čn om te bedanken. Tegeltjes, foto’s, intenties in het intentieboek “uit dankbaarheid”, kaarsen: het is net of je in een andere wereld bent. Het is opvallend dat ook vandaag zeer velen deze plek weten te vinden om uitdrukking te geven aan hun dankbaarheid. Zo vindt menigeen ook in de kerk, in gebed, in muziek enz. mogelijkheden om dankbaarheid te uiten – niet omdat er niks mis gaat, maar om niet te vergeten dat er steeds zoveel weer beter gaat, dankzij de Ander: dankbaar voor het goede dat je ten deel valt te midden van alles wat niet goed gaat!

               In het evangelie is het schokkend dat juist een Samaritaan, een niet-Jood en anders-gelovig, een voorbeeld wordt [Lk 17,16]. De aanwezigheid van diverse bevolkingsgroepen en religies in onze samenleving opent ons de ogen ervoor hoe het ook anders kan dan wat wij doen: in het licht van het evangelie soms beter, soms niet. Maar als het gaat over het aannemen van een dankbare houding, kunnen wij in “Holland”/West-Nederland zeker nog wel iets van anderen leren [zoas bijv van de Syriër in de Eerste lezing].

               Eucharistie betekent dankzegging. Wij zeggen dank voor het goede in een wereld waarin zoveel niet goed gaat. Hier ontvangen wij wat we nodig hebben en niet zelf kunnen maken. Door hiervoor dank te zeggen blijven wij ons hiervan bewust. Wij oefenen ons in dankbaarheid jegens de Eeuwige en zo ook jegens elkaar. Want, “is er iets wat je hebt dat je niet gekregen hebt?” [1Kor 4,7]. Mogen wij zo samen het geluk vinden dat “God (de Almachtige)” voor de mens heeft bedoeld. Amen.

 

 

Slotgebed

Almachtige, Barmhartige, God van alle mensen,

Wij danken U dat U ons te midden van alle ellende en onzekerheid
het goede blijft geven.
Wij vragen U:

Geef dat wij het van harte, met open armen willen ontvangen.
Maak dankbare mensen van ons,
zodat wij blijven groeien in geloof, hoop en liefde.

Dit vragen wij U in de Heilige Geest, door Christus, onze Heer. Amen.

 

Verkondiging

 

Verkondiging 25 september 2016 door Elsbeth Greven, Vredeskerk Amsterdam. Gelezen: Amos 6, 1-7, 1 Tim. 6, 11-16, Lucas 16, 19-31.

 Het gefeest en geluier is voorbij. Dat is nog eens klare taal. Gericht aan ons, als de zogenaamde rijken, degenen die lekker feesten. Het leven mag natuurlijk ook gevierd worden. Zolang we ons tegelijk ook bekommeren om de minderbedeelden, om de lazarussen, volgt er meteen achteraan. De lezingen van vandaag kunnen we zo op de huidige toestand in de wereld leggen. Nog steeds oorlog in het Midden-Oosten, vluchtelingen uit Syrië, ongerechtigheid,  vrouwenonderdrukking, zovéél oneerlijke verdeling op vele maatschappelijke terreinen …

Keer op keer benadrukt ook onze paus Franciscus deze zaken, helemaal in dit jaar van de barmhartigheid. En hij spoort ons voortdurend aan: doe er iets aan, verklein die kloof tussen arm en rijk, tussen oorlog en vrede, tussen recht en onrecht - en al die andere kloven tussen macht en onmacht, tussen normaal en anders, tussen nu en later, tussen bikini en boerkini, tussen jong en oud, tussen alleen en samen, tussen olympisch en paralympisch, tussen natuur en cultuur, tussen man en vrouw.

Om wie bekommeren wij ons? Voor wie komen wij op? Waar dichten wij de kloven? En waar halen wij onze inspiratie vandaan?

‘Het is gedaan met de feesten van hen die daar lui liggen uitgestrekt ’ oftewel het gefeest en geluier is voorbij - zo lezen we in de Nieuwe Bijbelvertaling, een dreigende maar ook wel vermakelijke zin die me is bijgebleven van de profeet Amos. Straks gaan wij als rijken in ballingschap als we niet oppassen… en eindigen wij als de naamloze rijke in het evangelieverhaal … Maar, zoals bij veel Bijbelverhalen, kunnen we deze gelijkenis beter niet al te letterlijk nemen.

‘Ze hebben Mozes en de profeten’, zei Abraham tegen de rijke man in het evangelie. ‘Laten ze naar hen luisteren’. Hebben we daar nog wat aan, tegenwoordig? Aan Mozes bijvoorbeeld?  Afgelopen zomer was ik twee weken met een groep studenten en wetenschappers in Rome, op studiereis waarvoor ik was uitgenodigd door een Nederlandse katholieke stichting. Iedereen had een eigen studieonderwerp uitgekozen waaraan je in Rome kon werken. Die van mij – hoe toevallig nu! - was Mozes en Sigmund Freud in Rome.

Mozes kriebel, wat moeten we nu nog met Mozes, en het Oude Testament, en al die wreedheden daarin? Het gaat toch eigenlijk alleen om het Nieuwe Testament, over het evangelie waar we iets aan hebben ’– aldus een van mijn Roomse studiegenoten die mij nogal eens met mijn onderwerp plaagde. De grote psycholoog Freud was zijn hele leven lang een groot bewonderaar van Mozes.  Mozes was als een vader voor hem. Hij droomde zelfs regelmatig over hem! Het gaf hem veel kracht en troost. Freud bestudeerde ook het indrukwekkende beeld van Mozes dat Michelangelo maakte. Het staat in de San Pietro in Vincoli - een kerk in Rome. Misschien bent u er geweest, en heeft u het beeld gezien.

Volgens Freud steeg Mozes boven zichzelf uit omdat hij zijn woede kon beheersen toen hij met de Stenen Tafels de berg Sinaď afdaalde. Dat drukt het beeld van Michelangelo volgens hem uit. Mozes die zich juist inhoudt, én zijn eigen verlangens opzij legt. Een andere, eigenzinnige kijk op het beeld. Freud ging elke dag wekenlang naar het beeld van Mozes toe. In Rome heb ik natuurlijk het beeld ook bezocht. Net als Freud raakte ik ervan onder de indruk. Mozes is nog jong en gespierd, heeft een grote volle baard en twee hoorns op zijn hoofd. Hij kijkt vol toorn en teleurstelling opzij en hij blijft je daarbij indringend nakijken. Dat was wel een zeer krachtige herinnering aan bijvoorbeeld de tien geboden, die ons vaak nog maar weinig zeggen omdat ze ons als moralistisch voorkomen. Maar de wereld zou er volgens deze oeroude raadgevingen al een stuk beter uitzien…

Ja, dus ook uit Mozes kun je inspiratie putten, het wordt zelfs aangeraden door de evangelist Lucas. Kunnen we ook inspiratie vinden bij de vrouwen in de Schriften? Gelukkig staan er in het evangelie vrouwen op. Maria, Magdalena, Elisabeth - zij en de vele heiligen en martelaressen die de rooms-katholieke kerk en de wereld rijk zijn. Zij hebben de goede boodschap heel goed verstaan en de weg vrijgemaakt om die ook te verwezenlijken. Zij bieden ons nog steeds volop inspiratie. ‘Het vrouwelijk genie’ volgens paus Franciscus. En, niet te vergeten, de hedendaagse geniale vrouwen: geestelijk begeleiders, theologen, lectoren, pastoraal werkenden, religieuzen, bestuurders, en: ook vrouwelijke dirigenten, zie het prachtige koor, het Canticum Anglicum, dat een groots jubileum vandaag met ons viert, onder leiding van Marga Schoutens.

‘Ik begrijp niet, zo zei een jonge priesterstudent onlangs tegen mij, waarom vrouwen ook vooraanstaande posities willen in de kerk. Ze kunnen toch non worden?’ Ja, dat is zeker zo, en dat is prachtig, maar is het niet zo dat vrouwen ook andere capaciteiten hebben, of misschien een priesterroeping? Zij zouden ons en de kerk verder kunnen helpen. Kan er ook naar hen omgekeken worden? Ook - en juist ook - door mannelijke geestelijken?  Het gefeest en geluier is voorbij … wij in de Vredesparochie doen in ieder geval ons best, maken al verschil.

Ik was blij te zien dat er in de studiegroep Rome zoveel vrouwelijk katholiek (geďnspireerd) talent was. De een bestudeerde het verschijnsel hoop, een ander literatuur en mystiek, en één studente werd de eerste vrouwelijke katholieke voorzitter van een christelijke studentenvereniging. Ook de wijze waarop de jonge katholieke mannen en vrouwen zo vanzelfsprekend gelijkwaardig en inspirerend met elkaar omgingen, raakte mij. Kan dit ook in onze katholieke kerk? Gelijke mogelijkheden voor vrouwen? Het lijkt mij dat er behoefte is aan katholieke vrouwelijke religieuze leiders. Zeker om goed op de toekomst voorbereid te zijn, en daar op tijd de juiste stappen voor te gaan nemen. ‘Bestendige vooruitgang’ heette dat pas nog in de Troonrede.

Toen paus Franciscus dit voorjaar een onderzoek heeft gestart naar de mogelijkheden om vrouwen toe te laten tot het ambt van diaken, een gewijde functie in onze kerk, was ik daar wel opgetogen over. Dat is al enige beweging tenminste. Het onderzoek wordt gedaan door twaalf internationale onderzoekers, zes vrouwen en zes mannen[i][ii]. Zou het niet mooi zijn wanneer er eens boven de ingang van onze kerk dan weer een mooi groot doek hangt, maar nu van een vrouw, bijvoorbeeld de eerste vrouwelijke katholieke diaken, vergezeld door Franciscus? 

Streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen’, zo zeiden en deden Timóteüs, Lucas, Magdalena, Franciscus , Maria, Mozes,  Amos en al die profeten. Ik zeg het ze graag na. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                      

op 18 september 2016, de vijfentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Amos (8, 4-7), Psalm 113 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (2, 1-8) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (16, 1-13).

 

De Tsjechische hoofdstad Praag, aan de oevers van de Moldau, is een sprookjesachtig mooie stad. Die roep en roem van Praag is ook doorgedrongen in het Verre Oosten, want het wemelt in Praag van de Oost-Aziatische toeristen: Japanners, Chinezen, Koreanen, Maleisiërs, Indonesiërs, Filippino's. De jumbojets moeten af en aan vliegen. Samen met pater Mark-Robin Hoogland wás ik afgelopen week in Praag en onze indruk was dat tachtig procent van de toeristen die je er zag uit Azië kwam - ook vele bruidsparen die op en rond de beroemde Karelsbrug in hun mooie trouw-outfit romantische plaatjes laten maken.

 

Want u weet: dáár houden de Aziaten erg van, van fotograferen, nόg meer dan wij. Ik vond het af en toe maar moeilijk te verdragen, al dat gefotografeer. Eén van mijn leermeesters, de priester en professor Ruud Huysmans, ook hier geen onbekende, maakte in mijn studententijd ooit de opmerking: "Ik weet niet wat de mensen vast willen houden." Ik dacht: Hij heeft gelijk. En ik ben acuut gestopt met fotograferen. Maar dan ben je als toerist een uitzondering. De massa's toeristen die tegen betaling door de Sint-Vituskathedraal, binnen de Praagse burcht, worden geloodst fotograferen en kwekken alleen máár zo lijkt het. De terreur van de fotografie! Het stuitte mij érg tegen de borst. Zo wordt de kerk een museum. Zo wordt God een bijzaak en komen de ziel en het gebed in het nauw.

 

Heel confrontérend voor mij: al die Aziatische toeristen met hun camera's die Praag bijna lijken te hebben overgenomen. Van de andere kant: als Europeanen hebben we natuurlijk boter op ons hoofd. Wie ben ik eigenlijk dat ik die lieve ondernemende enthousiaste Aziatische mensen het reizen en het fotograferen zou willen en mogen ontzeggen? Ook pater Mark-Robin en ik liepen daar rond in pretpark Praag. En ook wíj hebben wel degelijk foto's genomen. Nou ja... vooral hij dan. Maar ik ga ze toch ook bekijken als hij ze me stuurt. En: waar is de fotografie trouwens uitgevonden? Juist, hier, in Europa, in Frankrijk. En wie zijn er begonnen met het ontdekken van de wereld en van vreemde volkeren, met het geweldig ontwrichten daarvan, met die aan zichzelf onderwerpen en genadeloos exploiteren tot het verschepen van slaven van het ene continent naar het andere toe? Juist: 'Wij', όnze voorvaderen, de Europeanen. En wij Nederlanders hebben daarin ons mannetje gestaan, zeker ook wat betreft die slavenhandel.

 

Al die Aziatische toeristen, in Amsterdam nog in mindere mate tot op heden, maar: wacht maar af... al die Aziatische toeristen houden ons daarom denk ik in die zin een spiegel voor: In hen krijgen wij een koekje van eigen deeg. In hen zien wij feitelijk versterkt onszelf terug. Zij zijn een karikatuur van onszelf die όόk maar overal heenvliegen en elders in de wereld de zaak overnemen met vaak weinig respect voor de cultuur van de landen waar wij neerstrijken.

 

Een spiegel die ons wordt voorgehouden: όόk in het evangelie van deze zondag. Die 'rentmeester'. Wat een schelm. Wat een schurk. Maar die schelm en die schurk zijn wijzelf veelgeliefden. U bent dat. En ik ben die. Want allemáál denken, praten en leven we in meer of mindere mate vanuit het perspectief van ons eigenbelang en vegen daarbij ons eigen straatje schoon. En allemáál zijn we geneigd om te denken dat de hele wereld van ons is en dat wij op van alles maar recht zouden hebben en de anderen niet. Dit land is toch "van ons"? En: "Wij hebben er toch voor gewerkt?" Ach ja mensen: het zal allemaal wel. Maar álles, of in elk geval: heel veel, het meeste in het leven voor de meeste mensen, dat is afhankelijk van waar je wiegje heeft gestaan. Toeval dus. En domme pech dus voor veel mensen. Je zult in deze tijd maar in Aléppo geboren worden. Dan ben je dus de sigaar. De mensen die zich vanuit moeilijke omstandigheden zogenaamd hebben 'opgewerkt', die hebben misschien grote talenten zomaar meegekregen én ze zijn misschien slim geweest of ook soms: gewiekst. Die kunnen όόk zijn opgeklommen door anderen te passeren en achter zich te laten, ook soms door allerlei gesmoes, gekonkel en ellebogenwerk. De wereld en zelfs de kerk zijn soms net een slangenkuil. "Hoor dit, u die strikken spant voor de armen" sprak de profeet Amos in onze eerste lezing vandaag. "U (...) redeneert: Wij kopen de misdeelde voor geld, de arme voor een paar schoenen."

 

Om een voorbeeld van dat laatste te geven:

 

Midden in Praag, op het centrale plein in de binnenstad, staat een groot monument voor Jan Hus. Hij werd omstreeks 1370 geboren. Zijn vader was voerman, vrachtrijder dus. Zelf werd hij priester, professor en zelfs rector van de universiteit van Praag. In de Bethlehemkapel, vlakbij waar Mark-Robin en ik logeerden kun je nόg de preekstoel zien van waaraf hij het woord voerde voor soms wel drieduizend mensen tegelijk. Hus moet een machtige stem hebben gehad en die kapel een goede akoestiek. Gezongen werd er in de landstaal. Toen al! Hus was een man van het volk. Hij klaagde de rijkdom van de kerk en de hebzucht van de geestelijkheid aan. En hij zei: Je hebt leden van de kerk, christenen, die het alleen in naam zijn. En je hebt christenen die het wérkelijk zijn en er dus ook wérkelijk bijhoren, bij de kerk. Alleen die laatsten zullen het redden als God de wereld zal oordelen. Hoe een mens geleefd heeft zal daarvoor bepalend zijn. Dat was kortgezegd zijn visie.

 

Maar vanwege die visie kreeg hij een spreekverbod. Hij moest de stad ontvluchten en in 1414 werd hij gedagvaard om voor het concilie, de algemene kerkvergadering, in Konstanz te verschijnen. De Duitse koning Sigismund beloofde hem daarvoor een vrijgeleide. Maar de koning gaf niet thuis toen het concilie, die kerkvergadering, Jan Hus op 6 juli 1415 veroordeelde om als ketter op de brandstapel te sterven. Mijn grote leermeester pater Van Kilsdonk wás ooit in Konstanz. "Ik heb de hele dag gehuild" zei hij. Want Jan Hus, die zijn visie trouw bleef en niet wilde herroepen, die werd als een arme voor een paar schoenen verkocht door de hoge, puissant rijke heren van de kerk. En koning Sigismund wilde behalve koning van Duitsland ook graag koning van Bohemen worden, dus dan kon hij zo'n ketter bij nader inzien toch maar beter niet beschermen. Een inktzwarte bladzijde in het geschiedenisboek van onze kerk zoals daarin helaas vele van zulke bladzijden zijn[13]

 

- precies als in het geschiedenisboek van ons land: Toen men in 1986 de Erasmusprijs aan de Tsjechische mensrechtenorganisatie Charta 77 wilde uitreiken, verzette toenmalig minister Hans van den Broek zich daartegen. Want het betrof hier "een politiek delicate zaak" zo zei hij. In plaats van aan Charta 77 werd de prijs uitgereikt aan de schrijver Vaclav Havel, prominent lid van de beweging, de latere president. Havel kon zijn land niet eens verlaten om de prijs in ontvangst te nemen. Nochtans had het kabinet Lubbers het er moeilijk mee dat in de rede die in Havels naam zou worden uitgesproken de mensenrechtensituatie in het toenmalige Tsjechoslowakije op kritsische wijze aan de orde zou worden gesteld.

 

Het schaamrood komt je op de wangen als je het allemaal terugleest... Vanwege economische en andere belangen stonden én staan in samenleving en kerk vrijheid en waarheid onder druk.

 

Jezus wijst een andere weg. Hij zegt: "Maak je vrienden met behulp van de geldduivel, als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten." Onze wereld is hoe dan ook onrechtvaardig. Wij hier in Nederland dénken dat we het allemaal zo goed weten en zo goed doen, maar ook ons land is gebouwd όp en ingebed ín een wereld vόl onrecht. Vuilen handen maakt een mens altijd. Zoals ook geld áltijd, per definitie stinkt. En altijd staat een mens in het krijt bij God. Alles wat je bent en hebt, dat heb je maar gekregen, geleend. En het laatste hemd, dat hééft geen zakken. Dus dan kun je maar beter bedacht zijn op mogelijkheden om met het geld en ander zogenaamd 'bezit' dat jij in beheer hebt, om daar mensen mee te steunen en blij mee te maken, om "machtelozen (...) uit het stof" te tillen en "van vuilnishopen de armen" weg te halen zoals we hebben gebeden in de 113e psalm. Die psalm is misschien al vijfentwintig eeuwen oud veelgeliefden, maar die vuilnishopen waarop die armen bivakkeren, die zijn er nog altijd. Ook in Amsterdamse bovenwoningen kun je ze aantreffen. Van Godswege worden we geroepen om onszelf en ons geld in te zetten om te proberen zulke puinhopen, όόk in de zogenaamde Derde Wereld; om te proberen die te helpen opruimen. Want: We zitten wereldwijd allemaal in hetzelfde schuitje. We zijn one world - één wereld.

 

Machtelozen uit het stof tillen, van vuilnishopen de armen weghalen. Het wordt in die psalm, gezegd, gezόngen van God. Maar die werkzaamheid van God, veelgeliefden, die kan en die mag door jou dus ook héén gaan, daar mag en daar kún jij het instrument van zijn. Werkzaamheid van Gods, van Jezus' Geest in jόu, van díe Geest het instrument zijn, dát is "het ware goed" en hopelijk behoort dat jou toe, zit het in je, ben je ermee vergroeid, is het deel van je wezen. Als dat zo is, veelgeliefden, dan zit jij zeker níet bovenop je geld, dan ben je niet op de penning, dan ben je géén centenbijter. Dat is het bewijs. Amen. 

 

Verkondiging

 

 

op 4 september 2016, de drieëntwintigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de Wijsheid (9, 13-15), de brief van de heilige apostel Paulus aan Filemon (9-17) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (14, 25-33).

 

Zeker als een mens ouder gaat worden, als het haar langzaam droger, grijzer en eventueel ook dunner wordt, als het lichaam minder soepel en krachtig wordt en gebreken begint te vertonen, als vrienden en familieleden of ook jijzelf getroffen gaan worden door ernstige of minder ernstige maar toch wel lastige aandoeningen en ziektes en als het leven vanwege dat alles minder vanzelfsprekend gemakkelijk en 'leuk' wordt, maar het meer menens wordt en verdrietiger, dan kan een mens zich in zijn of haar lichaam en in het leven op aarde überhaupt behoorlijk opgesloten gaan voelen dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Een mens kan dan eventueel zelfs last krijgen van claustrofobie, dat is: van engtevrees, de ziekelijke vrees om in een afgesloten ruimte te vertoeven. Zo is het soms voor mensen. Zij, wijzelf kunnen ons opgesloten voelen in ons eigen lichaam. En wij kunnen ons opgesloten voelen op die aarde van ons waarop het maar steeds voller, viezer en onrustiger lijkt te worden. Help!

 

Misschien, dierbare gasten en parochianen, misschien dat onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Wijsheid, misschien dat die eerste lezing wel van zo'n enigzins claustrofobisch bewustzijn getuigt: "De aardse tent is een last voor de geest met vele gedachten." En zo ook de psalm, de negentigste, die wij gezongen hebben: "Gij doet de mensen tot stof vergaan. Gij zegt: voorbij, ach kinderen van Adam; in uw ogen zijn duizend jaren als de dag van gisteren weg, als een uur van waken 's nachts. Gij vaagt ons uit als een droom in de morgen; wij zijn als het welig tierende gras: 's morgens komt het omhoog en bloeit, 's avonds is het gemaaid en dood. Een mensenleven duurt zeventig jaar of, als wij sterk zijn tachtig, het meeste daarvan is moeite en verdriet en opeens is het uit en vliegen wij heen."

 

Tja... veelgeliefden... zo is dat... Je zou er somber, mistroostig van kunnen worden. Je zou er in mineur van kunnen raken. En wat doet een mens in zulke omstandigheden? Ja... je zoekt naar houvast. En waar, bij wie vind je dat houvast? Ja natuurlijk: bij en in mensen, bepáálde mensen. Familie is belangrijk: je moeder, je vader, je kinderen, broers, zussen. Een partner is belangrijk: je man, je vrouw, vriend, vriendin, geliefde. Ja, dááraan klampt een mens zich vast. En hoe groot is die kring, of dat kringetje, van mensen die voor jou belangrijk zijn, die jou helpen om te leven, om het leven aan te kunnen, bij wie jij steun zoekt? Wie is er, wie zíjn er uiteindelijk voor jou als het er op aan komt?

 

Tja, dat is natuurlijk de vraag. Een vriend van mij is lang samengeweest met iemand bij wij bij een bevolkingsonderzoek sporen van darmkanker zijn aangetroffen. Mijn vriend zit daarover erg in de rats. Zelf lijdt hij aan de ziekte van Parkinson. Ook geen sinecure dus. Hij zei: "Ik kan hem niet missen."

 

Tja...

 

Wat zeg je dan?

 

In het evangelie horen we Jezus vandaag zeggen dat we vader, moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen, ja zelfs ons eigen leven moeten 'verfoeien'. Zό klonk het in de vertaling die wíj te horen kregen en dat is de Willibrordvertaling van 2012. De Nieuwe Bijbelvertaling, van 2005, vertaalt met: breken. "Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn." De Bijbel in Gewone Taal zegt: opgeven. "Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn." Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbel, vertaalt in de editie van 2014 met: haten. "Als iemand tot mij komt en niet zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen, ja, zelfs ook zijn eigen lijf en leven haat, kan hij geen leerling van mij wezen." Met datzelfde 'haten' vertalen álle oudere vertalingen: de Statenvertaling (uit 1618), de Petrus Canisius (van 1939) en die van het Bijbelgenootschap (1951).

 

Dus: Verfoeien, breken met, opgeven, haten. In het Hebreeuws wordt het woord voor 'haten' echter niet zozeer gebruikt in de zin van 'affektieve afwijzing' in de zin van: ik mag je niet, maar meer in de zin van 'geen abolute betekenis hechten aan' of 'achter zich laten'.[14]

 

Maar, dierbare gasten en parochianen, waar gaat het nu om? Waarom spreekt Jezus zo?

Ik denk dat Hij ons duidelijk wil maken en leren dat het niet verstandig is όm en dat het in wezen ook niet kán om je ziel en zaligheid helemaal op te hangen áán en je geluk helemaal te verwachten ván een méns. Noch jijzelf noch enig ander mens kan jouw geluk helemaal zijn en maken. Altíjd is dát perspectief te benauwd. Uiteindelijk red je het daar niet mee. Want: uiteindelijk moet je alles en iedereen, je hele leven op deze kleine aarde inclusief je hele 'zelf' loslaten en opgeven. En: Wat ís er dan nog? Wíe is er dan nog? En waar ga je dan heen? Waar ga je naar toe?

 

Eergisteren nog zat ik aan het bed van een stervende man, begin vijftig, vader van drie jonge kinderen. Hij was het aan het meemaken. Spreken kon hij niet meer. Zijn ogen leken wezenloos. Wat ging er in hem om? Ging er nog iets in hem om? Was er nog meer dan alleen maar ellende, malaise, verwarring, lijden? Ik denk: In zulke omstandigheden wordt een mens en worden ook degenen die op hem betrokken zijn, die van hem houden, onontkoombaar geconfronteerd met die vraag: Is er nog iets dát of iemand díe ruimte biedt, die een uitweg wijst?

 

Samen met de moeder van deze man, die dus in de bloei van zijn leven áfscheid moest nemen van het leven, van zijn vrouw, van zijn kinderen, heb ik, naast hem zittend, samen met zijn moeder dus, aanvankelijk onwennig want wij waren nieuw voor elkaar maar van lieverlede meer ontspannen, op fluistertoon maar vurig hebben wij daar de rozenkrans gebeden, dankend voor al het goede van zijn leven, biddend om het vermogen om los te laten en zich over te geven, God vragend om zich te ontfermen en hem tot zich te nemen, om hem te doen ingaan in Zijn eeuwig koninkrijk van licht, vrede en vreugde.

 

Geloof ik daar zelf in? Is er een realiteit die beantwoordt aan wat zulke bedes verwoorden en waar om gevraagd wordt? Is zoiets nog méér dan 'wensdenken'? Wie zal het zeggen veelgeliefden? Als refrein van onze psalm zongen wij vandaag: "Gij zijt voor ons van geslacht op geslacht, O Heer, een veilige woonplaats geweest." En in de laatstgezongen verzen hoorden wij: "O God, kom terug en sluit vrede met ons. Toon dat Gij met ons bezig zijt en laat onze kinderen uw heerlijkheid zien. Wees met uw mildheid om ons heen o Heer, en bestendig het werk van onze handen." Bieden zulke woorden, veelgeliefden, bieden zulke woorden ons de ruimte waarnaar wij zoeken, waarnaar wij snakken? Verlossen zulke woorden ons van onze claustrofobie: voor onze angst dat we totaal zijn opgesloten op deze aarde en in ons lichaam? Of bestaat er wérkelijk een opening naar een werkelijkheid anders dan de aardse, maar wél een werkelijkheid? Kan een mens dáár, kan een mens ér doorheen komen? Wie zal het zeggen? Wat is daarop uw antwoord?

 

Wat biedt veiligheid? Wie biedt veiligheid? Zijn het onze naasten, onze dierbaren, onze geliefden die wij kunnen zien en aanraken, die ons kunnen vergezellen en bijstaan, maar die ons uiteindelijk toch moeten loslaten en wij hen? Of is het God die wij níet kunnen aanraken en zien, maar die met ons kan gaan, "waar niemand met ons gaat" om een lied van Huub Oosterhuis te citeren?[15] Wat is echt en wat is onecht? Velen zeggen: God bestaat niet. God is maar schijn. God is maar een doekje voor het bloeden. Maar voor Jezus was God wél echt, echter dan wie of wat dan ook. Echter en wérkelijk reddend. En om dat in optima forma te kunnen ervaren is het nodig dat je alle mensen tussen haakjes kunt en durft zetten. En wil en kun en durf jij dat? is dan de vraag... Of zou Jezus zich soms vergist hebben veelgeliefden en kun je maar beter niet doen waartoe Hij ons uitnodigt?

 

Op de Eerste Pinksterdag van dit jaar overleed, één dag voor zijn 91ste verjaardag, in Het Schouw in Amsterdam-Noord Albert van den Berg. Hem en zijn vriend Sake Bakker, met wie hij maar liefst achtenvijftig jaar samen was, leerde ik kennen aan het sterfbed van een vriend van hen die hier recht tegenover de kerk woonde. Dat was kort na mijn aantreden in deze parochie, nu tweeëntwintig jaar geleden. Sindsdien kwamen Ab en Sake veelvuldig hier, deden ze mee en droegen ze op allerlei manieren bij aan onze parochie: financieel en door zich anderzins in te zetten, met name in het kader van de Open Kerk. Een paar jaar terug stierf Sake. Albert bleef alleen achter. Maar oud en wrak als hij was bleef hij όόk hier bij ons naar de kerk komen, helemaal uit Amsterdam-Noord. En op de vrijdag voor zijn laatste verjaardag had hij nog aan mijn dierbare vriend en ambtsbroeder Nico van der Peet, de pastoor van Amsterdam-Noord, gevraagd om, uitgeput als hij was, toch nog de heilige communie en zegen te mogen ontvangen. "Zijn devotie, zijn overgave zal ik niet licht vergeten" zei Nico bij de uitvaart op 19 mei. "Ik zal die met mij meedragen als een voorbeeld van vertrouwen, van overgave, het leven in geloof weten los te laten" aldus opnieuw Nico.

 

"Wie zou u raadsbesluit gekend hebben, als U de wijsheid niet had gegeven en uw heilige geest niet uit de hemel had gezonden?" zo hoorden wij vandaag in het boek van de Wijsheid. Ja, waar zouden wij zijn zonder de wijsheid van Gods Geest? Albert van den Berg, de vriend van Sake Bakker, stierf op Eerste Pinksterdag. En Pinksteren is zoals bekend het feest van de Geest, van Gods Geest, van Jezus' Geest. Bij de uitvaart citeerde pastor Nico van der Peet een passage uit Paulus' brief aan de Romeinen: "(...) Als de Geest van Hem, die Jezus heeft opgewekt van de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u woont.[16]

 

"De Geest van God overwint de dood" zei Nico. En: "Ik wil naar Sake toe" kon Albert in die laatste fase van zijn leven zeggen. En zo is het veelgeliefden. Jezus kan dan van ons vragen om vader, moeder, vrouw, man, kinderen, broers en zussen en jezelf te verfoeien, om met hen te breken, hen op te geven geven, om hen te haten zelfs - We moeten niet te sterk aan de anderen en aan onszelf en aan wie we zogenaamd zijn en aan wat we zogenaamd hebben, wij moeten daar niet te zeer aan gehecht zijn. We moeten er niet aan vastzitten. Want dat gaat ten koste van onze werkelijke vrijheid die alleen in en door God te vinden en te ontvangen is. Wie van mensen houdt en naar hen verlangt, maar de gehechtheid aan mensen, het claimen van mensen haat en er van af ziet, die krijgt ze des te meer en des te beter terug. Mogen wij ervaren veelgeliefden: dat het waar is. Amen.          

 

Verkondiging

 

op 28 augustus 2016, de 22e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Jezus Sirach (3, 17-18.20.28-29), Psalm 68 (ged.), de brief aan de Hebreeën (12, 18-19.22-24a) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (14, 1.7-14).

 

Enkele jaren geleden, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk; enkele jaren geleden kreeg ik het idee en het verlangen om in Brugge eens deel te nemen aan de Heilig Bloed-processie zoals die op Hemelvaartsdag jaarlijks in grote bontheid door de straten van die schone Vlaamse stad slingert. Via een bevriende priester daar legde ik contact met de organisatoren werd het geregeld.

 

Het was een stralend zonnige dag die natuurlijk met een mis begon. Ik was al vroeg in de kathedraal in de ruimte die mij genoemd was. Daar hingen allerlei misgewaden klaar. Ik dacht: Ik kleed mij vast aan.

 

Langzaam druppelden de Vlaamse collega's binnen en drong het ook langzaam tot mij door dat ik overdressed was: die klaarhangende misgewaden bleken te zijn bestemd voor de belangrijkste conce-lebranten tijdens de viering, zeg maar: 'de hogere geestelijkheid' - kanunniken, kapittelheren, dekens, abten. Heel dom van mij dat ik mij dat niet eerder gerealiseerd had. Dom en natuurlijk behoorlijk gęnant. Ik kreeg het er warm van. Ik kon wel door de grond zakken. "Gij hebt dat nu aan, houdt dat aan" zei de ceremoniarius tegen mij. Heel aardig was dat. Maar ik  wilde daar natuurlijk niet van weten. Ik meende reeds enige verstoorde blikken te hebben geregistreerd: Wie is die man? Dus nee... voor geen goud. Ik zou mij tijdens de hele viering totaal opgelaten hebben gevoeld in die out-fit, dat concelebratiekazuifel. Ik heb het dus, zonder blikken of blozen zoveel mogelijk, uitgedaan - vόόr aller ogen.

 

Tja, dierbare gasten en parochianen: "(...) alwie zichzelf verheft zal vernederd worden". Ja, zo voelde dat toch wel - al had ik dan in onwetendheid gehandeld. "Goed voor je nederigheid", zou er destijds in de zogenaamde 'leefgroep' voor theologiestudenten waarvan ik gedurende het grootste deel van mijn studententijd hier in Amsterdam deel uitmaakte; "goed voor je nederigheid" zou daar gezegd zijn. En zo is het ook. Want: een mens wordt daar natuurlijk heus niet minder van, van zo'n beschamende ervaring, om op zo'n manier eens zichzelf tegen te komen, om eens een spiegel voorgehouden te krijgen en zijn hoofd te stoten.

 

"Je moet je plaats weten" zegt men. Jíj moet jouw plaats weten in dat gecompliceerde weefsel, in dat zeer vertakte en vertwijgde systeem van de maatschappelijke en ook de kerkelijke pyramide. En het is goed, verstandig en zelfs slim om binnen dat geheel eerder bewust een 'lagere plaats' te kiezen dan jou zogenaamd toe komt, of zou komen, dan een hogere plaats. Want van zo'n hogere plaats kun je alleen maar naar beneden kukelen. En dat is dan een afgang. Dan ga je af. Terwijl je van een lage plaats noodzakelijkerwijs alleen maar, zoals dat heet, hogerop kunt komen.

 

Het is opvallend dat Jezus in het eerste deel van onze evangelietekst vandaag aldus de maatschappelijke orde zélf, die sociale pyramide, eigenlijk lijkt te affirmeren. Hij is, "op een

sabbath, het huis van een van de voornaamste Farizeeën" binnengegaan. Blijkbaar was Hij uitgenodigd. Maar "zij hielden Hem voortdurend in het oog" zo staat er. Pieter Oussoren vertaalt zelfs: "Zij zijn Hem gaan beloeren".

 

Toe maar. Met argusogen dus. Zij, de mensen, de gasten, in het huis van die belangrijke man, ze ver-trouwen Hem, Jezus, voor geen cent. Hij is duidelijk niet one of the boys. Hij is duidelijk 'anders', niet: één van ons. De mensen daar hebben een ongemakkelijk gevoel bij Jezus. Ze hebben een kijkje op Hem. Wat gaat Hij doen? Eigenlijk hetzelfde als zij: Hij observeert hoe het daar toegaat in dat huis bij die ontvangst, die maaltijd. Hoe manifesteren de mensen zich? Hoe doen ze? Hoe gedragen zij zichzelf? Wat Hij ziet, Jezus, is een pikorde, net als in het kippenhok en op de apenrots. Zo werkt het onder mensen dus ook. Ik stel mij voor dat Jezus er een beetje om moet lachen, om dat gedoe. En zijn advies in dat verband is dus: Je kunt je maar beter zo terughoudend mogelijk opstellen, zo onopvallend mogelijk gedragen, jezelf niet op de voorgrond dringen en profileren als hoe dan ook 'belangrijk'. Dat is wél zo relaxed.  

 

Maar dán... komt Jezus tόch opeens stevig uit de hoek. Hij wendt zich tot de gastheer: Als je een feestje geeft, dan moet je niet je familie en je vrienden en well-to-do buren uitnodigen, mensen die het goed hebben. Je moet juist mensen uitnodigen die van alles te kort komen en het je nooit terug kunnen geven.

 

Oef! Die zit. En dat komt aan. Hopelijk ook bij ons. Want: wie staan er in jouw leven centraal? Om wie draait jouw leven? Om welke mensen? Op wie ben jij betrokken? Wie geef jij aandacht? In wie steek jij tijd en geld? Zijn dat mensen die dat eigenlijk helemaal niet nodig hebben, die het misschien 'wel leuk' vinden, maar die er geen boterham minder om zullen eten en die er geen traan om zullen laten als jij níet zo 'goed' voor hen bent? Zijn het mensen van wie je hoopt en eigenlijk ook verwacht of zelfs min of meer eist dat zij op hun beurt net zo 'goed' voor jou zijn als jij het bent voor hen? Draai jij rond in een elkaar wederzijds voortdurend bevestigend maar au fond behoorlijk lauw kringetje? Of durf jij om zoals dat tegenwoordig heet ook out of the box te denken en te doen? Durf jij ook contact te maken met mensen buiten jouw vertrouwde sfeer?

 

Hoe doe je dat om te beginnen bijvoorbeeld hier na afloop van de viering? Verlaat je dan zo snel mogelijk de kerk of doe je dat niet? Ga je of blijf je? En als je blijft, als je wel koffie blijft drinken, beperk je dan jezelf tot een vaste plek en tot eenzelfde kringetje van mensen? Of durf je ook eens op een andere plek te gaan staan of zitten en eens contact te maken met iemand die je nog niet kent? Wie zijn hier eigenlijk überhaupt welkom en mogen er ook taken vervullen? Zijn dat alleen mensen die eerst όnze ballotage moeten passeren of durven

wij ook de ruimte te geven onder ons en tussen ons in, aan mensen die ons misschien wel diepgaand verontrusten omdat ze behoorlijk anders zijn als zogenaamd wijzelf? Wil en kun je er zijn voor mensen voor wie jij wérkelijk iets kunt betekenen omdat ze leven met een handicap of een tekort of een verlies? Kunnen en willen wij dat als kerkgemeenschap ook? Mogen mensen met een tekort of een handicap ook bij ons horen en met ons meedoen? Ik denk, veelgeliefden: in het licht van het evangelie zijn het allemaal wezenlijke vragen.

 

"Bedenkt waar gij staat" werd ons in de Hebreeënbrief vandaag op het hart gedrukt. "Gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke en plechtige vergadering van de eerstgeborenen die in de hemel zijn ingeschreven; gij zijt genaderd tot God, de rechter van allen, en de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond." Ja, dat álles is hier aanwezig. Hij, Jezus, God, is hier in de kerk aanwezig. En zij, die engelen, die eerstgeborenen en rechtvaardigen, ook zij zijn hier in de kerk aanwezig. De hemel begint al hier. Dat is dus niet niks, niet gering.

 

Maar mensen, ook wij, kunnen geneigd zijn om er niet bij stil te staan, om het te vergeten. En we kunnen geneigd zijn om te denken en te doen of wijzélf hier de baas zijn, heer en meester. Wij kunnen ons gedragen alsof wij het hier zelf voor het zeggen zouden hebben. Maar zo is het niet veelgeliefden. Wij zijn hier allemaal gast, op aarde én in de kerk, niemand uitgezonderd. Wij moeten hier in die zin dan ook onze plaats kennen. En perfect, volmaakt zijn wij geen van allen. Arm, gebrekkig, kreupel en blind zijn we allemaal: Want we kunnen allemaal mensen en zaken over het hoofd zien en onhandig opereren eventueel en tekortschieten. En wie denkt dat dit in zijn of haar geval niet zo is, die heeft hier niets te zoeken, die kan maar beter weggaan en zijn of haar heil elders zoeken.

 

Maar ja, dáár, elders, is het vanuit ons, vanuit Jezus' perspectief natuurlijk niet te vinden. Dus blijf toch maar lekker. Maar overdress jezelf dus niet. Doe geen kleren aan die jou niet voor jou bestemd zijn. En meet jezelf geen verantwoordelijkheden aan die je niet hebt, matig je die niet aan. Kies op bescheiden wijze je plek. Kén je plek en wéét wie je bent. Heb oog voor mensen in nood in het bewustzijn dat je het ook zelf bent: in nood - dat ook jij de anderen echt nodig hebt. Amen.                                                                                                                                                

 

Verkondiging

 

op 21 augustus 2016 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

(Deze preek is een bewerking van een preek die de Amerikaanse priester Joseph (Joe) Morrison, een vriend van mij, op deze zelfde zondag hield in Atlanta, Gegorgia (USA). 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (66, 18-21), de brief aan de Hebreeën (12, 5-13) en het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (13, 22-30).

 

Het blijft een mooi gezicht: al die sporters van verschillende nationaliteit die het opnemen tegen elkaar, vandaag voor het laatst. En komisch hoe bij ons alles gefocust is op 'oranje': op mensen van eigen bodem, op sporters die de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hemd is nader dan de rok. 'Wij' tegen 'zij'. Ons land, onze taal, onze cultuur, onze godsdienst. We bekijken alles en iedereen vanuit ons eigen perspectief. Om die reden is onze eerste schriftlezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja, zo bijzonder. Want daarin wordt beschreven: een groot bijeenkomen in Jeruzalem, de heilige stad van de joden, van mensen, van niet-joden ook, van zogenaamde 'heidenen'. Het is een mooie droom: een stad waar iedereen welkom is, waar niemand wordt buitengesloten, waar de onderscheiden tussen mensen vervagen en wegvallen, waar iedereen op de eerste plaats mens is en zich thuís voelt bij de God van Israël en bij die God dus ook van harte welkom is.

 

Heel anders moet de gemoedsgesteld zijn en moeten de ervaringen zijn tegen de achtergrond waarvan de brief aan de Hebreeën, vandaag onze tweede lezing, is geschreven. De schrijver van die brief richt zich daarin tot mensen die duidelijk te maken hebben gekregen met groot en zwaar lijden. Zoals elk van ons worstelt ook de schrijver van deze brief met de betékenis van dat lijden. En in een wereld waarin de wetenschap zoals wij die kennen nog niet bestond was eigenlijk iedereen ervan overtuigd dat het de gόden waren, of dat het Gόd was, door wie het lijden de mensen werd aangedaan.

 

Als de goden een slechte bui hadden, dan kreeg jij dat voor je kiezen. Je kind ging dood of je geitjes werden opgegeten door een wolf. Daar zaten de goden dan achter.

 

Als de goden goedgehumeurd waren, dan had jij ook geluk. Maar als jij je ochtendgebed vergat, dan konden de goden boos op je worden en een storm op je afsturen en dan werd je hutje omvergeblazen.

 

De oude goden waren grillig. Je kon tot ze bidden met het verzoek om iemand te straffen of je vijand een lesje te leren. En als het dan toevallig gebeurde, dan kon je denken: mijn gebed is verhoord.

 

Maar op een ander moment kon je zélf getroffen worden en daar niets van begrijpen: wat de reden daarvan was. De waanzin, de gekte van de wereld, daar kregen de mensen in een wereld zonder we-tenschap en teksten die iedereen kon lezen; op zo'n wereld kregen de mensen op die manier toch een beetje greep: Het zijn de goden zeiden ze.

 

Oόk de joden, van wie wij de bijbel hebben, waren vatbaar voor zulk bijgeloof omtrent God en de oor-zaak van het lijden.

 

In het praktizeren van geloof kán veel bijgeloof zitten. Mensen hebben dan het idee dat Gόd zich tégen een mens kan keren, dat God net zo wispelturig is als een mens en dat Hij je elk moment mores kan leren. Wie op die manier gelooft heeft een dreigend en duister geloof.

 

Wij krijgen de indruk dat de ontvangers van de brief aan de Hebreeën, dat dat mensen waren die te maken hadden met onverklaarbaar en zinloos lijden. En de schrijver van de brief richt zich met het Woord van God tot mensen die gewend waren aan lijfstraffen en die zulke straffen voor lief namen. Het geven van slaag hoorde bij het dagelijks leven. Gevangen werden geslagen. Slaven werden geslagen. Vrouwen werden geslagen. Kinderen werden geslagen.

 

Wij zijn daar in onze huidige cultuur allemaal erg tégen. Want al dat gemep lost in onze ogen niets op en het wordt er zeker niet gezelliger op en liefderijker van. De auteur van de Hebreeënbrief maakte echter deel uit van een cultuur waarin slaan dus normaal was. En hij schrijft over dat verschijnsel om iets duidelijk te maken over wie God is, precies zoals wij proberen om te begrijpen wie God is vanuit de verschijnselen binnen onze eigen cultuur, waar wíj mee te maken hebben.

 

Soms is het ook moeilijk om lijden af te doen als 'toevallig'. Wie met ziekte of ander onheil te maken krijgt, die gaat zich gemakkelijk afvragen: Waarom ik? Wát heb ik verkeerd gedaan dat ik dít verdiend zou hebben? Dat is een heel normale vraag voor mensen om mee te worstelen. Maar vaak worden mensen nu eenmaal vanuit het niets door rampen getroffen, out of the blue. Zomaar. Zonder reden.

 

Het is niet wreed, want er zít geen bedoeling en geen gedachte achter. Het gebeurt gewoon en het is gewoon hoe het leven loopt. Natuurlijk kunnen mensen het ongeluk ook wel over zich afroepen door hoe ze zelf leven, door wat ze doen en laten, door hun eigen keuzes. Maar vaak hebben dingen die in mensenlevens gebeuren géén reden en géén betekenis. De betekenis zit in onszelf: in hoe wij zélf met dingen omgaan en met Gods hulp verder leven.

 

Mensen gaan soms door de hel. En toch blijven ze aardig. Is dat geen wonder? Mensen kunnen soms erg beschadigd zijn. Wreedheden waar sommige mensen mee te maken hebben gehad, die laten soms diepe, levenslange sporen na. Ze komen er nooit helemaal overheen. En we kunnen echt niet zeggen dat Gόd ze het heeft aangedaan, expres, "om ze een lesje te leren". Je kúnt tegen iemand die beroofd, verkracht, mishandeld is niet zeggen dat Gόd ze die ervaring heeft gegeven: om door die levenservaring te groeien. Nee, wie op die manier gelooft en praat heeft een zíek geloof en die brengt een ander, een getroffen en geslagen mens, eerder van zijn of haar geloof af dan het geloof van die ander, het slachtoffer, juist te helpen genezen en sterker worden.

 

Welke boodschap hééft de auteur van de Hebreeënbrief dan voor mensen zoals wij die proberen te blijven geloven? Lijden waarmee we te maken krijgen hoeven we dus echt niet aan onszelf te danken te hebben. Toch kunnen we wel iets aan dat lijden hebben. Maar wat dan?

 

Als iemand van ons te maken heeft met een chronische ziekte, een ziekte die dus nooit meer overgaat, dan kan zo iemand, zo'n lijder aan een chronische ziekte, hopelijk gemakkelijker meeleven met mensen in vergelijkbare omstandigheden.

 

En iemand die is afgewezen, in de liefde of voor een baan, iemand die gediscrimineerd is en buiten-gesloten, die niet mee mocht doen, die heeft hopelijk meer begrip voor een ander die ook iets derge-lijks heeft meegemaakt. Zo iemand is door zo'n ervaring hopelijk veerkrachtig geworden en verzet zich tegen onrecht.

 

Als iemand een geliefde verloren heeft, dan zou hij of zij misschien wel eens de enige persoon in het leven van een ánder kunnen zijn die de diepte van zijn of haar verdriet kan begrijpen.

 

Wie veel geld kwijt is geraakt, die kan zich misschien goed inleven in de situatie van mensen die arm zijn, met hen meeleven en zich voor hen inzetten, in het kader van de voedselbank of zo.

 

Iemand die zelf vals beschuldigd is van iets, die zal misschien niet zo gauw roddelen over anderen.

 

Iemand die erg depressief is geweest, die kan misschien gemakkelijker een wanhopig iemand gezel-schap houden en die persoon helpen om in het leven te blijven geloven.

 

Iemand die zelf relatieperikelen heeft doorstaan of die gescheiden is, die zal wel minder gauw oordelen over mensen die iets dérgelijks meemaken.

 

Iemand die tracht los te komen van een verslaving, die weet daar dus alles van: hoe moeilijk dat is maar toch niet onmogelijk, en die kan vanuit die ervaring dan ook iets voor anderen betekenen.

 

Iets negatiefs wordt positief.

 

Maar vergeet een mens dan ook zijn of haar lijden? Misschien wel nooit. Toen Jezus na zijn verrijzenis zich weer liet zien aan zijn leerlingen, waren zijn kruiswonden, aan z'n handen en voeten en in z'n zij, nog duidelijk zichtbaar. Zelfs verrezen uit de dood neemt Jezus ze mee en blijven ze Hem bij.

 

De wereld lijdt. Overal heeft men er weet van: In Aleppo, in Damascus, in Nice, in München, in Brussel, in Parijs, in Zoetermeer, in Apeldoorn, in Baghdad, in Afrika, in India, in China, in Rio. Als volgelingen van Jezus kúnnen en willen wij aan al dat lijden niet voorbijgaan. Het is onze rόeping om te proberen verlichting en troost te schenken aan mensen in nood. En wie een ander helpt, die helpt daarmee ook zichzelf.

 

Door en in de viering van de heilige eucharistie staat in ons leven als christenen het lijden in al z'n omvang en hevigheid centraal: dat van Jezus en dat van álle mensen. De eucharistie is het hart van ons bestaan. En de eucharistie maakt ons hart hopelijk zacht en verlost ons van allerlei illusies en maakt dat allerlei muren tussen mensen instorten en verkruimelen. De eucharistie bouwt bruggen, geneest wonden en doet de hoop herleven in een gebroken hart. De eucharistie maakt ons één en zuivert ons, reinigt ons. In de eucharistie delen wij in het Lichaam en het Bloed van de eeuwige liefde.

 

Kort na afgelopen Pasen, op 31 maart, bracht ik in Torendael waar hij woonde een bezoekje aan Bert Rietveld die onlangs gestorven is. Totdat hij echt niet meer kon kwam Bert hier op zondag ter kerke. Hij zat altijd hier recht voor mij, op de stoelen vόόr de voorste kerkbanken, aan deze kant van de kerk. Bij die laatste ontmoeting met hem kon Bert niet spreken. Maar nadat wij, pater Edmund en ik, Jezus' Lichaam met hem hadden gedeeld, schreef hij op zijn electrische schrijfmachine een briefje voor ons: "(...) een troostrijk bezoek", zo typte Bert, "met als hoogtepunt de H. Communie. Vannacht dacht ik: O.L. Heer kom mij halen, ik ben bereid. Vorige maand ben ik 99 jaar geworden; tijd om afscheid van het leven te nemen." En in een P.S. voegde Bert hier nog aan toe: "Wat voel ik het als een gemis, dat ik niet meer in staat ben de mij zo dierbare Vredeskerk te bezoeken." Er wordt, veelgeliefden, wel eens meewarig, meesmuilend gezegd, ja geschamperd: alleen maar oude mensen - in de kerk. Maar ik draai dat om! Ik ben er juist trotst op dat oude, ja hoogbejaarde mensen soms alles op alles blijven zetten om naar de kerk te kunnen blijven komen. Want: dan moet het toch wel iets zijn waar het in de kerk om gaat! Dan moet dat toch wel betékenisvol zijn, als mensen het daar hun leven lang mee uithouden en er ook op hoge leeftijd nog aan hechten en zoveel voor overhebben, zoveel moeite... 

 

In het evangelie van Lucas vertelt Jezus ons vandaag dat de deur van het koninkrijk van God, waar je doorheen moet om gered te worden, dat die deur nauw is, smal.

 

Dat betekent niet dat we er niet doorheen kunnen. Het betekent wel dat we niet veel mee kunnen nemen. Haat, geweld, wreedheid, laster, vooroordelen, allerlei oordelen, oneerlijkheid en hypocrisie kunnen er niet doorheen.

 

Maar, geen zorgen: we hebben die ook niet nodig. Wie die zware lasten loslaat mag deelnemen aan het grote feest van God waarbij de Olympics verbleken omdat daar niet langer sprake zal zijn van 'wij' en 'zij', maar alleen nog maar van een 'wij' waar iedereen bij mag horen, een wij  dat iederéén omvat. Amen.                                                                                                                         

Verkondiging

 

op 14 augustus 2016, de 20ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozen-krans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jeremia (38, 4-6.8-10), Psalm 40 (ged.), uit de brief aan de Hebreeën (12, 1-4) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (12, 49-53).

 

Een pyromaan? Of: pyromane trekjes? Had die lieve goede Jezus van ons, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk (De Obrecht), had Hij pyromane trekjes? Hield hij ervan om dingen in brand te steken? Hield hij ervan om mensen tegen elkaar op te stoken? Je zou het, getuige onze evangelielezing vandaag; je zou het gemakkelijk kunnen denken en dan ook de mensen gelijk moeten geven die "het altijd al gezegd hebben": dat religie, geloof, godsdienst, "alleen maar" een bron van ellende, van onenigheid, van ruzie is op aarde. Hij zegt het, Jezus, nota bene zelf! "Vuur ben ik op aarde komen brengen, en hoe verlang ik dat het reeds oplaait!" En: "Denken jullie dat ik ben gekomen om vrede te komen brengen op aarde? Nee, zeg ik jullie, eerder verdeeldheid."

 

Mijn hemel! Dat klinkt toch heel anders als in de kerstnacht waarin we de engelen altijd "Vrede op aarde" horen zingen, "Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft" schrijft de laatste editie (2012) van de Willibrordvertaling van de bijbel. En De Nieuwe Bijbelvertaling (2005) doet: "Vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft", terwijl de Bijbel in Gewone Taal (2014) schrijft: "Op aarde vrede voor de mensen van wie God houdt" schrijft. De engelen in de kerstnacht zingen met andere woorden niet van vrede zomaar voor iedereen dus, máár specifiek voor mensen in wie God welgevallen heeft, die Hij liefheeft, van wie Hij houdt. Voor hen, voor zúlke mensen betekent Jezus' geboorte vrede. En voor alle anderen dus niet is dan de logische conclusie. Maar ja... in wélke mensen heeft God dan welgevallen? Wélke mensen heeft Hij lief? Van wie houdt Hij?

 

Jezus, Gods welbeminde Zoon, kan dus ook een splijtzwam zijn, een bron van onenigheid met alle gevolgen van dien. Zélf somt Hij in het evangelie vandaag een hele waslijst op van de verschillende familieverhoudingen die vanwege Hem mogelijk verstoord kunnen raken. Het lijkt potjandorie wel of Hij daar een satanisch genoegen in heeft, een welbehagen. Is Jezus een borderliner? Of erger nog: Is Hij een psychopaat? Elk normáál mens leeft toch graag in harmonie met zijn of haar omgeving? Elk normáál mens houdt het toch graag gezellig en die wil toch zeker geen ruzie in de familie? Dus elk normáál mens die zal dan toch denken bij een evangelietekst als deze: Buiten de deur houden die Jezus! Die komt er bij mij niet in!

 

Tja...

 

En dan zitten wij dus met de gebakken peren: met diezelfde Jezus opgescheept - en ook met Jeremia over wie wij hoorden in de eerste lezing vandaag, uit het naar hem, Jeremia, ge-noemde boek. Ook al zo'n querulant, zo'n lastpak, zo'n vervelende figuur, die Jeremia! Hij leeft in een tijd, in de zesde eeuw voor Christus, waarin het eigenlijk heel goed gaat. Er is vooruitgang en er is rust in Israël - en mag dat geen wonder heten? Mensen zijn gelukkig en tevreden, het gaat hen goed. Jeremia wordt daarbij ervaren als grote spelbederver met zijn onheilstijdingen waarvan hij pretendeert dat ze van Godswege ingegeven zijn. De gezapigheid, de zelfgenoegzaamheid en alle Zwitserlevengevoelens van de mensen die het zo goed voor elkaar hebben, voor zichzelf in elk geval, die klaagt hij aan en die prikt hij door.

 

Dus is men niet zo blij met Jeremia, met 'die negatieveling' die de mensen demotiveert. "De edelen", de well-to-do mensen, naar wie de koning z'n oren laat hangen, zij kunnen die wel-bespraakte onheilsprofeet niet meer áánhoren. Ze willen van hem af. Ze willen hem dumpen. Jeremia moet de put in. De koning, Sidkia, is een slappeling. Hij gaat ermee akkoord. Hij zegt: "Ik kan toch niet tegen jullie", tegen al die nette mensen die eigenlijk schurken zijn; "ik kan tόch niet tegen jullie op." En "met touwen lieten ze hem neer." Iedereen stond er bij en keek ernaar. Niemand durfde er wat van te zeggen. De mensen lieten het gewoon gebeuren. En hoeveel onrecht en menselijke ellende, dierbare gasten en parochianen; hoeveel onrecht en menselijke ellende, ook in onze nabije omgeving, laten wíj maar gewoon voortbestaan zonder ertegen te protesteren en tegen in opstand te komen? Welke mensen laten wíj eventueel maar gewoon in hun sop gaarkoken en in de stront zakken? 

 

"In de put was geen water, alleen slijk, zodat Jeremia erin wegzonk" zo hoorden wij. En moet u zich dat voorstellen: Hoe dat voor een mens die zoiets meemaakt moet zijn, hoe claustro-fobisch, wat een nachtmerrie. "Vrede op aarde aan de mensen van wie God houdt." Heeft Jeremia, wegzinkend in het slijk, in die omstandigheden van die vrede nog iets ervaren? Ná de eerste lezing over Jeremia hebben de samenstellers van onze liturgie de veertigste psalm een plek gegeven die wij samen gebeden hebben. In die veertigste psalm wordt verwoord wát er in Jeremia in zijn benarde, angstaanjagende omstandigheden kan zijn omgegaan. In die psalm gaat het om godsvertrouwen, juist dan. Hád Jeremia toen en daar dat godsvertrouwen? Ja, wij mogen dat geloven. En hόe zit dat met ons? met u en met mij? Heb jij, heb ik nog godsvertrouwen als de stroke, de hersenbloeding, de afasie, de dementie, de alzheimer als dief in de nacht of als sluipmoordnaar toeslaat? Heb jij, heb ik nog godsvertrouwen in de put van het ziekenhuis, het verpleeghuis, het zorgcentrum of na de dood van een partner moe-derziel alleen thuis?

 

               "Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt

                              en Hij sloeg acht op mij.

               Hij heeft geluisterd naar mijn roepen,

                              mij uit de modderpoel van leed gered."

 

Zo zingt de veertigste psalm - die onze liturgie dus Jeremia, daar onderin de put, wegzinkend in het slijk, in de mond legt. Zou jij, zou ik 't hem na kunnen zingen in zulke omstandigheden, als jij, als ik zelf in zo'n duistere dodelijke put zit?

 

Voor Jeremia kόmt er redding. Niemand, geen van die fijne, brave en vast erg weldenkende en vrome, godsdienstige mensen heeft z'n mond opengedaan en is voor hem opgekomen toen men die onruststoker, die ordeverstoorder, die naarling Jeremia neerliet in die put. Het is een vreemdeling, een buitenlander, de Ethiopiër Ebed-Melek, die blijkbaar als enige de misdaad aanklaagt, die bij koning Sidkia voor Jeremia opkomt en die hem op het laatste nippertje denk ik redt.

 

Als kind werd ik ooit geveld op het schoolplein. Ik had mij bezeerd en daar lag ik. Ik huilde en voelde mij ellendig. En toen kwam van boven opeens die grote, goede, lieve hand. Ik weet het nog goed. Bij wie hoorde die hand? Dat weet ik niet meer. Voor mij was het de hand van God. En ik denk: Zό komt God vandaag tot Jeremia in de figuur van die Ebed-Melek:

 

               "Al ben ik ook ellendig en armoedig,

                              de Heer draagt zorg voor mij.

               Mijn helper en bevrijder zijt Gij toch,

                              mijn God blijf dan niet talmen."

 

Zo zingt opnieuw de veertigste psalm. En zo denk ik dat God in heel concrete mensen, tot jou en mij kan komen en dat God zό, in en met hen en ons ook, Zijn verhaal schrijft.

 

Jeremia werd op het nippertje gered, nόg wel. Jezus echter "heeft (...) een kruis op zich ge-nomen en Hij heeft de schande niet geteld" hoorden wij vandaag in onze tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën. "Hij vond het niet erg dat hij op die manier vernederd werd" vertaalt de Bijbel in Gewone Taal dat laatste zinnetje. Jezus en Jeremia waren beiden zeer doelgerichte mannen. Zij wisten wat hun taak was in dit leven. Zij wisten welke boodschap zij hadden te brengen. Zij wisten wat hen te doen stond. En zij lieten zich door niets en door niemand daar van af houden. Mannen met ballen waren het die niet schroomden om récht tegen alle weerstand die zij opriepen; om daar tegenin en doorheen te gaan - naar het Licht toe. Zoete broodjes worden niet gebakken. En zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Een beetje onrust op z'n tijd, in de samenleving, maar ook binnen de kerk en in de familie, daar hoeven we dan ook echt niet bang voor te zijn veelgeliefden. Want die onrust kan ook 'heilige onrust' zijn. Soms is die gewoon nodig. Ja, soms is het nodig om de confrontatie met elkaar gewoon aan te gaan en om elkaar de waarheid te zeggen. Daar worden we echt niet per se slechter van. Nee, integendeel. Als jij koste wat het kost vόόr alles altijd maar de lieve vrede wilt bewaren, als je met alle winden meewaait en je per definitie altijd aansluit bij de meerderheid van stemmen en je, mét die veilige meerderheid, je keert tégen de stoorzender, de rebel, dan ben je gewoon een slapjanus, iemand zonder karakter en ruggegraat, zo'n type als koning Sidkia. Aanvankelijk laat hij zijn huig naar de wind van die kwaadaardige zogenaamde 'edelen' hangen, - precies de mensen die de weirdo, de catweazle, de have-not, die haveloze zonderling Jeremia durft te weerstaan. Sidkia, die nota bene de koning is, die is bang voor ze. En dát, veelgeliefden, is echt nergens voor nodig. Een mens die in God, die in Jezus gelooft, hoeft echt voor niemand bang te zijn, voor géén individu en ook niet voor de massa. Jeremia en Jezus zijn het dan ook niet. Zij zijn géén bange mensen. "Broeders en zusters, laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof (...) om vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we ons hebben ingeschreven" hoorden we in de Hebreeënbrief. Dafne Schippers mag dan afgelopen nacht in Rio op de honderd meter geen medaille hebben veroverd, maar ik hoorde haar gisteravond in het journaal wel zeggen nadat ze de kwart-finale had gelopen: "Ik had er vooral heel veel zin in."

 

En daar gaat het ook maar om, veelgeliefden, voor ons allemaal: dat we zín in het leven hébben én houden en zín ook soms, als het nodig is, omdat God zelf het je zegt; zin ook soms om de confrontatie aan te gaan. "Wrijving geeft glans" heb ik afgelopen week verschillende mensen horen zeggen. En zo is dat. "Zie naar Jezus" lezen wij in de Hebreeënbrief, "Zie naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof, (...) denkt aan Hem die zoveel tegenwerking (...) te verduren had: dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven." Laten wij, veelgeliefden, dat dus blijven doen: naar Jezus kijken en, gesterkt door Hem, niet uitvallen en moed houden. Moge ons leven, dat van elk van ons afzonderlijk én dat van ons samen, als kerkgemeenschap; moge ons leven ondanks, of nee: zelfs dánkzij allerlei frictie ook de glans krijgen van Zijn heilig Aangezicht. Mogen wij Jezus vuur hebben. Amen.         

 

Verkondiging

 

op 7 augustus, hoogfeest van de Kerkwijding van de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (28, 11-18), Psalm 84 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Petrus (2, 4-9) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (19, 1-10).

 

Locus iste a Deo factus est. Díe Latijnse woorden zullen we zodadelijk tijdens de offergang door het koor horen zingen. Locus iste: Déze plaats. A deo factus est: (is) dόόr God gemaakt. Woorden zijn het die líjken op wat we, ontwaakt uit zijn droom, aartsvader Jakob hoorden zeggen in onze eerste lezing vandaag, uit het bijbelboek Genesis: "Waarlijk, de Heer is op deze plaats (...). Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel."

 

Wij lezen deze woorden vandaag hier in onze kerk omdat we daar de tweeënnegentigste verjaardag van vieren. In 1924 wijdde de toenmalige bisschop, Callier, op deze dag de kerk in. Híj deed op die dag wat we hoorden dat Jákob deed met de steen waarop hij met zijn hoofd had liggen slapen en die hij, ontwaakt, rechtop zette. Jakob goot vervolgens olie over die steen uit. En precies dát deed ook de bisschop op de dag van de kerkwijding met het spik-splinternieuwe, uit marmer gehouwen hoogaltaar van onze kerk: ook hij goot daar toen olie over uit. Daarmee wijdde hij dat altaar, geschenk aan de kerk van de bouwpastoor Nuijen; met die olie wijdde hij dat altaar, dat ons lief is, aan God toe, alsmede "aan Jezus' onbevlekte moeder" zoals op de achterzijde van datzelfde altaar is ingebeiteld en met gouden letters ge-schreven staat.

 

Het huis van God en de poort van de hemel. Zonder enige twijfel ís onze kerk dat voor ons.

In de nu tweeëntwintig jaar dat ik als priester aan deze kerk verbonden ben, heb ik ontelbare malen ervaren hόe hier de hemel openging en op aarde neerdaalde en hoe wíj, de mensen, er in werden opgenomen: hoe hemel en aarde hier dus één werden en worden. Locus iste. Déze plaatst... een heílige plaats!

 

Gistermiddag bevond ik mij op een voor mij heilige ándere plaats, aan de Prinsengracht na-melijk, op de stoep van de bekende familietherapeut Else-Marie van den Eerenbeemt en haar man Dick Schlüter. Else-Marie was een grote vriendin van mijn grote leermeester, de legendarische pater Jan van Kilsdonk S.J. die in 2008 op 91jarige leeftijd overleed. Dáár, vanaf de stoep van Else-Marie, maakte hij altijd de Canal Parade mee: die bonte processie op boten van mensen die in hun levens op een andere manier liefde en lichaam beleven dan binnen het huwelijk of de relatie van man en vrouw. zij én heterovrouwen en -mannen die met hen sympathiseren - en dat zijn er gelukkig zeer velen in dit land en zeker in deze stad. Volgens het achtuurjournaal waren er met elkaar wel 560.000 mensen in en rond de Prinsengracht aanwezig gisteren. Wat een aantal! Tachtig boten voeren er mee, die met burgemeester van der Laan, wethouders, gemeenteraadsleden en ambtenaren voorop. En vervolgens boten die allerlei segmenten van de samenleving  representeerden: politie en krijgsmacht, de Ne-derlandse Bank, politieke partijen, het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis enzovoort.

 

Voor de allereerste keer voer er ook een zogenaamde World Religion Boat mee, met mensen die de grote wereldgodsdiensten en andere vormen van geloof vertegenwoordigden.

 

Een imam, een vrouwelijke rabbijn, verschillende dominees, hindoes, boeddhisten, Boris Dittrich als humanist en mevrouw Corrie Kievith uit Westzaan die de eer van onze Roomse kerk in deze mocht redden. Vanaf die stoep, die voor mij heilige plek die mij de nabijheid, nog altijd, van pater Van Kilsdonk deed ervaren, heb ik, terwijl Else-Marie en Dick rijkelijk rosé schonken en het aanwezige gezelschap lekkernijen aanreikten; ik heb daar vanaf die stoep mijn ogen uitgekeken en volop genόten van wat ik allemaal zag. Was daar ook maar íets erotisch-banaal aan? Ach ja, veelgeliefden, ik denk: Een mens ziet altijd wat hij of zij ook wil en kán zien en ík moet u zeggen: ik heb het níet gezien. Nee, niet echt. Maar misschien heb ik iets gemist. Dat zou natuurlijk kunnen. Naar aanleiding van de onthulling, in 1987, van het homo-monument achter de Westerkerk zei pater Van Kilsdonk: "Op zulke dagen en op zulke plekken ervaar ik Amsterdam als een Mokum, zoiets als een heilige plaats. (En) als ik daar enkele duizenden mensen zie zingen en dansen, soms huilen van vreugde, neuriet in mij als een soort responsorie dat woord van Jezus: 'Jij of jullie bent niet ver van het Koninkrijk Gods'."  Dierbare gasten en parochianen, ik moet u zeggen: zo ervaarde ik het gisteren op de stoep van Else-Marie όόk. We all share the same dreams. We delen allemaal dezelfde dromen - was de boodschap van één boot. En is dat veelgeliefden niet wáár? Dromen we er niet allemáál van, zoals Jakob, dat er op aarde een ladder staat waarvan de top in de hemel reikt? En dat langs die ladder de engelen Gods opstijgen en neerdalen? Open communicatie met de hemel! Wat een mooie droom! Verlangen we niet allemáál om díe droom te dromen? Wie wil dat niet?

 

Opstijgen en neerdalen, daarover hoorden wij ook in onze evangelielezing vandaag. Opmer-kelijk: Zacheüs, dat kleine ventje, is opgestegen, opgeklόmmen is hij, in een boom. Daar zit hij: tussen het gebladerte dat hem half aan het oog onttrekt zo stel ik mij voor, hoog en veilig. En vanuit die veilige hoogte kijkt hij nota bene néér op Jezus op het moment dat Die onder die boom passeert. De betekenis van wat hier gebeurt, veelgeliefden, werd mij afgelopen week geopenbáárd, zo mag ik wel zeggen, door mijn hulp Sylvia die terwijl wij aan de keukentafel een actueel onderwerp bespraken uitriep: "Kom toch naar beneden! Zet toch een stap naar de mensen tόe...". Zacheüs die zich in zijn leven heeft opgesloten in een ivoren toren en die zich, omringd door wallen van geld, onkwétsbaar, maar ook: onbereíkbaar, onbenáderbaar heeft gemaakt en die gewoon doodeenzaam en doodongelukkig is; tegen Zacheüs in zijn bladerkroon zegt Jezus hetzelfde: Kom toch naar beneden! "Vandaag moet ik in jouw huis ver-blijven."

 

En de mensen spraken er schande van: "Hij neemt zijn intrek bij een zondaar", zeiden ze. En zo zijn er ook mensen die schande spreken van al die zondaars gisteren op de Prinsengracht. Maar die mensen vergissen zich veelgeliefden. Want dáár was ook Jezus. Ónmiskenbaar was ook Híj dáár aanwezig, tússen en met al die zondaars, precies zoals Hij op onze heilige plek hier, όns, zondaars, wil ontmoeten. Ja, juist daar wil Hij zijn, tussen en met de zondaars. Er op af. Er naar toe. Niet in je heilige smetvrije hoogte blijven vertoeven, maar tussen en met de andere mensen zijn. "Aan de herder moet de geur, de lúcht van de schapen zitten" heeft paus Franciscus meer dan eens gezegd. 

 

Gisteren aan de Prinsengracht een kudde van 560.000 mensen maar liefst. Maar waar was de herder? "Wij moeten homo zijn met de homo’s en hetero met de hetero’s" zei nota bene onze hulpbisschop Jan Hendriks in 2014 in een opmerkelijk interview met Rob Oudkerk,

de oud-wethouder.  Maar er wáren herders, zelfs Roomse priesters. Niet op de World Religion Boat, die laatsten, maar toch... ik heb er gezien, anoniem temidden van de menigte.

 

"Treed toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren door God en kostbaar in zijn ogen. Laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel, tot een heilig priesterschap dat geestelijke offers opdraagt, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus." Aldus de apostel Petrus in zijn eerste brief, vandaag onze tweede lezing. Wat leren wij uit deze woorden, speciaal vandaag op dit hoogfeest van onze kerkwijding? Ik voor mij dit: Het kerkgebouw, hoe dierbaar het ons ook is, hoezeer we het ook koesteren en liefdevol verzorgen en hoeveel we er ook voor over hebben, toch is het gebόuw níet het hart van de zaak en de kerk zelf. Jezus had geen kerkgebouw. Die liep gewoon vrij rond, in het wild. Het kérkgebouw, veelgeliefden, mag dus zeker géén afgod worden - wat ook hier soms wél eens dreigt te gebeuren ben ik bang. Nee. De échte kerk, de kerk zelf, dat zijn de ménsen, dat is de geméénschap van mensen die zichzelf en elkaar in God in Jezus Christus kunnen vinden. Dáárvoor, voor die ménsen en voor die soms ongrijpbare gemeenschap mogen we alles overhebben en geven en loslaten als het nodig is, als de omstandigheden dat van ons vragen.

 

Gisteren voer op de World Religion Boat ook mee de Algerijns-Franse imam Ludovic-Mohamed Zahed, 38 jaar, seropositief en homo. Wát een dappere man... Ik heb daar geen woorden voor... Een paar jaar geleden richtte hij in Parijs wat hij noemt een 'inclusieve moskee' op, een moskee waar niemand a priori wordt buitengesloten vanwege wie hij of zij is of hoe zij of hij leeft. "Religie ís (...) inclusief" zegt hij,  "het is de bedoeling dat er mensen bijkomen, niet dat er muren (! - pv) worden opgetrokken". En zo is het veelgeliefden en niet anders. Die inclusieve moskee van Ludovic is "geen gebόuw met een bordje op de deur. De bijeenkomsten vinden plaats op wisselende locaties die uit veiligheidsoverwegingen niet bekend worden gemaakt." - Over 'geestelijke offers' gesproken veelgeliefden... Ik denk dat deze imam Ludovic-Mohamed ze brengt. Zo'n man belíchaamt én tart alles wat religieuze fanatici haten. En daarmee is hij een droomdoel voor een aanslag. Tόch voer hij gisteren op de World Religion Boat méé over de Prinsengracht. Om met Petrus te spreken: zoals onze Jezus is ook híj een "steen die de bouwlieden hebben afgekeurd", maar juist als zodanig: "een hoeksteen". Hij is een zondaar tussen de zondaars en toch: een man van licht en instrument van God genade.

 

Dierbare geloofsgenoten, bezoekers en bezoeksters van onze jarige kerk: Mogen wij allen zúlke mensen zijn. Amen.

 

Verkondiging

 

op 31 juli 2016, de 18e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Prediker (1,2; 2,21-23), Psalm 90 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3,

1-5.9-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (12, 13-21).

 

Het is me nogal een waslijst, waar de apostel Paulus mee komt, in zijn brief aan de Kolossenzen vandaag:

 

"(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij."

 

Daar moeten we "radicaal een einde" aan maken schrijft hij. "En beliegt elkaar niet meer" voegt hij er dan nog aan toe.

 

Tja, veelgeliefden: zulke woorden komen binnen. En misschien kunnen we ons Paulus voorstellen terwijl hij de woorden schreef. Dat wil zeggen... het is onzeker of deze brief werkelijk van Paulus zelf afkomstig is. Veel geleerden betwijfelen dat. Maar als Paulus wél echt zelf de auteur is van deze brief, dan schreef hij die terwijl hij in de gevangenis zat, vermoedelijk in Rome, in de lente van het jaar 57 of in 62, zo'n dertig jaar dus na Jezus' dood. Stellen wij ons hem voor Paulus, driftig pennend. Het is felle taal die hij schrijft: "(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij."

 

Waar dacht Paulus aan bij dit alles? Wat had hij allemaal in dat grote Romeinse Rijk om zich heen zien gebeuren? En hoe ging het toe in de verschillende joodse en christelijke gemeenschappen die hij kende en die hij voor een belangrijk deel zelf gesticht had? Hoe leefden mensen met elkaar? Hoe gingen ze met elkaar om? En hoe gaat het er aan toe in onze tijd, in Europa, in Holland, buiten de kerk, binnen de kerk?

 

"(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij." Op welke dimensies van ons leven hebben die woorden betrekking? Ik denk: op wat genoemd wordt 'de relationele sfeer', op hoe mensen met elkaar, met andere mensen omgaan in lichamelijke zin, in seksualiteit en erotiek. Hoe doen mensen dat? Hoe kijken ze naar anderen? Wie raken zij aan? Hόe raken zij aan? Hoe ziet op dit punt ons eigen leven er uit? En de geschiedenis van ons leven?

 

Herinner je, lichaam is de titel van een beroemd gedicht, in 1918 geschreven door de dichter Konstantínos Kavafís die geboren werd, leefde en stierf in Alexandrië, in Egypte. Hij was Griekstalig. Herinner je lichaam. Alleen de titel reeds van dat gedicht. Kavafis spreekt zijn eigen lichaam aan. Ja, wie en wat herinnert ons lichaam zich? Wat en wie hebben onze ogen gezien? Door wie en hoe is ons lichaam aangeraakt? Wie raakte of raakten wij zelf aan? Op welke wijze hebben wij dat gedaan? En hoe was dat?

 

Het zijn allemaal spannende en pikante vragen veelgeliefden, vragen op het scherp van de snede. Maar Paulus nodigt ons vandaag uit, vind ik, om naar deze dimensie van ons bestaan

 

 

te kijken, om daar gόed naar te kijken en om op dit vlak een onderscheid te maken tussen goed en niet-goed. "Maakt" aan wat niet goed is "radicaal een einde" schrijft Paulus in de hier voorgelezen vertaling van zijn brief. Maar de Griekse grondtekst gebruikt hier eenvoudig het woord "doden". "Doodt dan uw aardsgezinde kanten" vertaalt Pieter Oussoren in zijn Naardense bijbel.

 

Tja...

 

En waar zou dat dan goed voor zijn?

 

En hoe zou dat dan moeten?

 

Hoe máken wij in onze levens het onderscheid tussen goed en niet-goed op lichamelijk, op relationeel, op seksueel, op erotisch gebied? En hόe doen we het op het gebied van onze omgang met geld? Want ook het financiële domein komt duidelijk in het vizier vandaag. "Hebzucht staat gelijk met afgoderij" schrijft Paulus - precies zoals Jézus in het evangelie zegt: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht."

 

Je moet eigenlijk op aarde leven alsof je al in de hemel bent, schrijft Paulus. Daar is Jezus. Jezus  is de aarde en alles wat daar bij hoort, om met Prediker onze eerste lezing vandaag te spreken; Jezus is al het geploeter, alle ergernis, alle zorgen, alle ijdelheid en al het lijden die met het aardse leven samengaan, Jezus is ál dat aardse voorbij. Jezus, Christus, is "verborgen in God" schrijft Paulus. En met die in God verborgen Jezus mogen wij ons naar hartelust vereenzelvigen. Daartoe nodigt Paulus ons uit. Daarvoor wil hij ons enthousiasmeren. De oude mens afleggen. Jezelf bekleden met de nieuwe mens. Vernieuwd worden. Allerlei oppervlakkige verschillen die er tussen mensen bestaan, die van afkomst, huidskleur, taal en godsdienstige gebruiken, al die verschillen overwinnen en de eenheid vinden in Christus als "alles in allen" schrijft Paulus. Geen schatten verzamelen voor jezelf, niet oppotten, niet die bankrekening steeds vetter laten worden, maar je over geld geen zorgen maken en rijk zijn bij God. Zo drukt Jezus het ons in het evangelie op het hart. 

 

Afgelopen week werd binnen een situatie zoals ik die ook zelf dagelijks meemaak, tijdens een doordeweekse 'stille' mis in het Noord-Franse Saint-Étienne-du-Rouvray, bij Rouen, de 84jarige priester Jacques Hamel gekeeld door twee moslim-fundamentalisten. Zomaar vanuit het niets doken zij op en beschikten zij over dit leven, aldus natuurlijk alleen maar getuigend tégen de islam. Ik hoorde vanmorgen op de radio dat de islamitische gemeenschap van het stadje de daders niet wil begraven omdat hun geloof door deze afschuwelijke moord is bezoedeld. Dat is goed om te horen dat men dat vindt. En elke weldenkende moslim zal het ermee eens zijn mag ik aannnemen. Eerlijk gezegd wíl ik daar gewoon van uitgaan. Wij als christenen zouden de dood van deze priester op deze wijze, nota bene aan het altaar, mijns inziens op de allereerste plaats mogen beleven als een bevestiging van de waarde en van de waarheid van ons eigen geloof waarvan Jezus' kruisdood en verrijzenis het hart zijn. Juist in de viering van de heilige eucharistie beléven wij als het goed is dat wij inderdaad met en in Hem in God geborgen zijn, wat er ook gebeurt. Moge dat geloof, dat bewustzijn, die zekerheid veelgeliefden ons dan tot zo levensblij, angstloos, hartelijk en betrokken mogelijke mensen maken veelgeliefden. Niet bang voor de moslims, niet bang voor terroristen, niet bang voor vluchtelingen, niet bang voor liegbeesten, niet bang voor immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en hebzucht die gelijkstaat met afgoderij. Wij kunnen dat allemaal aan. Wij kunnen het allemaal hanteren. Wij kunnen met dat alles goed omgaan. Wir schaffen das. Jezus met wie samen ons leven verborgen is in God, Hij stelt er ons toe in staat. Amen.

 

Verkondiging

 

op 31 juli 2016, 18e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Pred. 1,2 en 2,21-23; Kol.3, 1-11; Lucas 12, 13-21

 

Waar doen we het allemaal voor? “Zet uw zinnen op wat boven is en niet op het aardse”, zo lezen we in de brief van Paulus. In Lucas horen we de waarschuwing: “Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zichzelf en niet voor God”. Ergens anders in het evangelie staan de niet mis te verstane woorden: “Dwaas, vandaag nog zul je alles kwijtraken”.

 

De lezingen van vandaag confronteren ons met de zin van het leven. Aan het leven zit het einde van dat leven onherroepelijk vast. De zin van het leven zit niet in het vergaren van bezit of macht, want onze rijkdom en macht kunnen we niet meenemen. We weten dat alles voorbij zal gaan, want alles heeft zijn uur. We weten alleen niet wanneer dat uur zal zijn. Dat is maar goed ook. Ik zou erg benauwd zijn als ik zou weten dat mijn laatste uur geslagen is. Op het bidprentje van mijn opa, die onverwacht overleed, staat een uitspraak van de Heilige Augustinus: “Het is de barmhartigheid van God, dat een mens niet weet wanneer hij sterven moet”. En het kan zomaar ineens voorbij zijn. Je kunt een hartstilstand krijgen of de dood vinden op een boulevard in Nice of in een winkelcentrum in München of als vriendelijke priester terwijl je ergens de eucharistie opdraagt. Of je sterft een zinloze dood in oorlog en geweld of je verdrinkt op je vlucht in een of andere zee. Dan pas blijkt hoe zinloos je gezwoeg was. Alles in het leven is leegte, is ijdel, is ijdele hoop. Alles van wat we hier hebben, zullen we hier moeten achterlaten. Mijn moeder zei altijd zo treffend: “Het laatste hemd heeft geen zakken”. We worden in het evangelie opgeroepen om ons vooral druk te maken om de dingen die er werkelijk toe doen, terwijl het bereiken van rijkdom en macht in onze wereld tot het hoogste goed lijkt te zijn verheven. Het draait allemaal om mooier en beter en meer. Wij verwachten dat geld en goederen ons geluk zullen brengen. En als het geen materiële zaken zijn, dan vluchten we in immateriële zaken zoals macht, internetgames, geestverruimende middelen of andere verslavingen. Maar noch macht noch bezit noch verdovende middelen noch de vlucht op het internet kan ons leven veilig stellen. Kijk maar naar de parabel van de rijke boer van vandaag. Hij zit in een spiraal van onvrijheid: steeds weer nieuwe bouwplannen, steeds meer personeel, steeds nieuwe schuren, steeds nieuwe berekeningen. Hij had zijn overvloed aan graan beter kunnen verdelen onder de armen, maar hij wilde alles voor zichzelf houden en daarbij rekende hij even niet op de plannen van God. Voordat hij van alles kon gaan genieten, stierf hij.

 

Het is een misvatting dat je om een goed christen te zijn, je aardse bezittingen vaarwel moet zeggen. Afstand doen van alles wat je hebt, kan een mooi ideaal zijn, maar is alleen maar weggelegd voor een enkeling onder ons, een kluizenaar of een pater trappist die de gelofte van armoede heeft afgelegd. We hebben geld en goederen gewoon nodig om te leven, soms zelfs om te overleven. Geld mag dan niet gelukkig maken, maar helemaal geen geld maakt het meestal ook niet. Niemand mag jou je bezit misgunnen. Maar het ware geluk zal er niet van afhangen. Bezit wordt een probleem als we denken dat we alleen gelukkig zijn met een tweede huis, een tweede auto en een derde vakantie in een kalenderjaar.

 

Het laatste woord over leven en dood is aan God. Als een mens sterft, rest hem helemaal niets. Alleen de vruchten van onze arbeid blijven. We kunnen iets van onszelf nalaten in brieven, in composities, in schilderijen, in boeken of in overwegingen. Onze liefde leeft voort in partners, in kinderen, in kleinkinderen en in een mensheid die verder trekt op de weg van God. Gods volk onderweg. Het enige dat we kunnen meenemen uit dit leven is de liefde en het goede wat we gedaan hebben. Investeer dus in liefde en in goede dingen. Gebruik daarvoor je geld en goederen. Investeer met je bezittingen in de noden van de wereld. Lucas geeft ons vandaag een geweldig goed advies: “Het is dwaas als je anderen uitsluit van je rijkdom, als je niets van je bezittingen te gelde maakt om het uit te delen aan hen die tekort hebben”.

 

We moeten dus zo gaan leven dat we altijd klaar staan als ons laatste uur geslagen is. We moeten investeren in de mensen om ons heen en bereid zijn met hen te delen. We moeten hen behoeden voor armoede en onrecht. Er is veel onrecht om ons heen en veel mensen worden uitgesloten. Omdat ze oud zijn, omdat ze geen werk vinden, omdat ze vluchteling zijn, omdat ze jong zijn, omdat ze vrouw zijn, omdat ze anders geaard zijn of omdat ze een andere religie of andere huidskleur hebben. Mensen worden uitgesloten van de economische markt, van het onderwijs en van de sociale zekerheid. We mogen ons niet bij deze uitsluitingen neerleggen. Neem de uitgeslotenen op in je hart. Dat zal ons leiden naar vrede, naar solidariteit, naar werkelijk geluk en naar gerechtigheid. En dat is hard nodig in de wereld van nu. Ik citeer de boodschap van Mgr. Punt, die u vandaag in uw kerkblaadje vindt: “Zolang het extremisten lukt om in de hoofden van sommige mensen de bizarre gedachte te planten dat je andersdenkenden moet doden om God of Allah te behagen, zal de chaos in onze wereld alleen maar toenemen”. Wij christenen kunnen het verschil maken. Laten we er aan meewerken dat het stopt. Laat de dood van de parochiepriester Jacques Hamel en die van pater Frans van der Lugt niet tevergeefs zijn geweest. Ze hebben zich in hun leven dienstbaar gemaakt aan de mensen. Zij hebben werkelijk schatten verzameld, niet voor zichzelf maar voor God. Zij hebben werkelijk hun zinnen gezet niet op het aardse, maar op wat boven is.

Moge wij ook zo doen en moge zij rusten in Gods vrede.

 

Amen

                                                                                                                                    

Verkondiging

op 24 juli 2016, de zeventiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Remy Jacobs

 

Gelezen: uit het boek Genesis (18, 20-32),  de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (2, 12-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 1-13).

 

Beste broeders en zusters,

 

Een goede dokter begint bij het begin. Hij maakt een diagnose op basis van wat hij waarneemt en op basis van de beschrijving van de patiënt. Hoe is het vandaag gesteld met de patiënt: christendom? Paus Franciscus, die velen – binnen en buiten de kerk zijn gaan waarderen om zijn onconventionele optreden en om zijn nabijheid tot mensen, ongeacht wie ze zijn – heeft Europa in zichzelf gekeerd genoemd en een Unie waarin de waarden van de democratie, van vrijheid, glijkheid en broederschap aan het verbleken zijn. Een heldere diagnose. Een zelfde , mogelijk nog hardere diagnose stelde hij toen hij de interne gebruiken van de Kerk aanklaagde: machtswellust, begeerte naar rijkdommen, corruptie, vriendjespolitiek,  spirituele hoogmoed en spirituele navelstaarderij die niets met de radicaliteit van het evangelie te maken hebben.

Hoe kunnen mensen die kinderen misbruikt hebben, of dit hebben weggestopt onder het tapijt het in hun hoofd halen zich morele oordelen aan te matigen over hun broeders en zusters die zich soms vergissen in het leven?  Of over mensen die ernstig zoeken naar de liefde, zoeken naar die alles vervullende liefde die het hart goed doet, die mensen met elkaar verbindt en liefde voortbrengt?

Teillard de Chardin een beroemde en omstreden Jezuiet, had aan het begin van de vorige eeuw ook al een soortgelijke diagnose, maar dan van het hele Christendom, dus niet alleen van de kerkelijke hierarchie:

Hij zei: “Het Christendom is losgeraakt van de mens.”

 

Als dit een diagnose is van het Christendom, dan klinkt de roep uit Sodom en Gomorra ook vandaag nog luid omhoog naar God. Sodom en Gomorra.. het eerste waar velen in de kerk en buiten de kerk aan denken bij deze woorden is aan de verachting die de bijbelse schrijver zou hebben voor de homoseksuele mens, man of vrouw. En in sommige kringen maakt men zich zo druk over dit soort teksten dat het lijkt alsof er maar één doodzonde is en dat is: homoseksualiteit. Zoals een romeinse kardinaal een paar jaar geleden betoogde dat niet het seksueel misbruik een probleem was, maar homoseksualiteit.

Het is maar net hoe je het begin van de eerste lezing van deze zondag wil lezen. Goed. Hoe wilt u deze tekst lezen, nu vandaag duizenden mensen hier in Amsterdam beginnen aan de viering van de Pride?

 Ik zou vandaag met u (jullie? elkaar?) willen proberen de hele tekst te zien in de context van de andere teksten, voorbij het simpele oordeel, voorbij het makkelijke moralisme dat velen aan deze tekst ontlenen. Laat ik eerlijk zijn, het is spannend om hier over deze specifieke tekst te praten, vooral op een dag als vandaag omdat ik tot de groep behoor die de liefde vind in de homoseksuele variant die de Schepper heeft uitgevonden.

 

Wat is de kern van deze lezingen van deze zondag, de kern die ik er in vind en met jullie wil delen?

 

Ik heb geen pessimistische kijk op de mens, op de natuur of op de ontwikkelingen in de wereld. Als het zo is dat wij mensen “beeld en gelijkenis” van God zijn, dan is de mens tot hele grote dingen in staat. Maar soms zingt de mens zich los van de liefde: de liefde voor zichzelf, de liefde voor anderen, de liefde voor De Stem van de Liefde, waarvan Johannes zegt: God is liefde.

 

De losgezongen mens hoort deze stem niet meer. Hij leeft in een afgescheiden wereld God houdt afstand. Want wie zich afscheidt van de liefde wordt door de liefde wel gezocht, maar de liefde laat die mens volledig vrij.

 

 

We kunnen het verhaal van Sodom en Gomorra beschouwen als een verhaal over een historische plek, iets van vroeger waar we lessen uit kunnen trekken. Maar is Sodom en Gomorra ook niet de symbolische plek die het in ons taalgebruik geworden is? De plek waar we afgescheiden leven van de liefde? En als dat zo is, is die plek dan niet altijd en overal aanwezig? Overal waar de liefde afwezig is? Om ons heen, in onszelf? Dit is hoe ik het verhaal lees: Het loszingen van de liefde, deze afscheiding van de liefde is het eigenlijke Sodom en Gomorra . Sodom en Gomorra is die innerlijke ruimte waarin mensen zich van de liefde afscheiden. ”.

 

 

Wie God zoekt, zal hem vinden, ookal is Sodom en Gomorra nog zo dichtbij.  Maar het vraagt moed om van dat Sodom en Gomorra weg te lopen: weg te lopen van een wereld waaraan je gewend bent, waarin je je wellicht comfortabel voelt, ook klinkt de Stem van de liefde er niet. Het vraagt het volgen van het hart, daarin volharden en er je vervulling in vinden.

Sommigen zullen zeggen: Maar de God van de bijbel vernietigt Sodom en Gomorra toch? De God van de bijbel is toch een kwaaie God? 

Ja, Sodom en Gomorra worden vernietigd, maar is dat waar het verhaal over gaat? Nee, het verhaal eindigt niet met de vernietiging, het eindigt met een mens die de opdracht krijgt weg te lopen van d liefdeloosheid, zijn eigen pad te kiezen, weg van de rest, weg van de leegte en het verstarde leven.

Het eindigt met een mens op pad. En daarin zit de hoop.

Wie zijn persoonlijke pad volgt,  weg uit de afgescheidenheid naar de eenheid met de liefde, en  daarin volhardt, die hoeft voor geen toorn meer bang te zijn. 

De vraag is niet: wie moet er vernietigd en veroordeeld worden? De vraag is: willen we met de liefde van doen hebben, hoe de liefde zich ook laat zien? Durven we de liefde te volgen?

En kunnen Christenen van vandaag hun eigen afgescheiden zijn van de liefde, hun eigen Sodom en Gomorra achter zich laten, hun eigen pad te kiezen, en de eenheid met de liefde opnieuw op te zoeken?

Dat is volgens mij iets voor alle mensen, wie je ook bent, hoe je ook bent, binnen of buiten de kerk, gelovig of niet gelovig, atheďst of ietsist: Wil je met de liefde van doen hebben?

De erkenning dat Sodom en Gomorra in ons zelf zit als een innerlijke ruimte die ons van de liefde scheidt, zou de de bede van het evangelie nog krachtiger.en sprekender kunnen maken: Uw Rijk van de liefde en de eenheid kome, Uw wil van liefde geschiede, Geef ons heden ons dagelijks brood van liefde dat elk mens nodig heeft , en vergeef ons onze schuld wanneer wij de liefde beschamen, wie we ook zijn…

 

Verkondiging

                                                                                                                                    

op de 15e zondag door het jaar, 10 juli 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Lukas 10,25-37 (“De Barmhartige Samaritaan”)

                              Deuteronomium 30,10-14. Psalm 69. Kolossenzen 1,15-20

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

 

We leven in de tijd van de lijstjes: de 25 beste films aller tijden, reisbestemmingen, boeken, grappigste tv-momenten enz.. Het houdt het leven ‘overzichtelijk’ en bovendien levert het onderhoudende televisie op. Serieuzer is de poging om een canon van de Nederlandse geschiedenis op te stellen. Mensen die hun eigen geschiedenis niet kennen, kun je alles wijsmaken...: een lijst van wat behoort tot de kern van onze historie en daarbij de vraag of de geselecteerde onderwerpen wel de juiste aandacht krijgen; hoe worden bijv. geloof en Kerk op de scholen behandeld en de slavernij, de onafhankelijkheid van Indonesië en Suriname, de vrouwenemancipatie en de homo-emancipatie? De onderwerpen en de behandeling ervan zijn zeer bepalend voor ons zelfbewustzijn, hoe we omgaan met ons verleden čn met elkaar.

               Een ander lijstje is de canon van de canon: een lijstje van Bijbelverhalen die de kern van het christendom uit zouden maken. Dit kan helpen om de boodschap van het evangelie beter te profileren in een tijd waarin Kerk en geloof het zwaar te verduren hebben. In ieder geval hoort het verhaal van de Barmhartige Samaritaan hier dan bij. Dit verhaal weerspiegelt ons verlangen om te léven [Lk 10,25] en is zo bekend, dat het in elke kinderbijbel wel te vinden is. Zelfs niet-gelovigen hoor je zeggen: “Ja, ik ben de barmhartige Samaritaan niet!” – m.a.w. ik heb best wat over voor mijn medemens, maar er zijn wel grenzen.

               Maar wat zijn die grenzen dan? Welke grenzen zitten in het verhaal zelf? Het gaat over een Joodse man, twee van zijn volksgenoten in hoog aanzien en een Samaritaan. Joden en Samaritanen gingen niet met elkaar om [Joh 4,9]; ze woonden in hetzelfde land, maar tussen deze twee bevolkingsgroepen met verschillende godsdiensten bestond een fundamenteel wantrouwen. Wij horen dat niet in het woord Samaritaan. Maar de parallel met vandaag de dag is niet moeilijk te trekken. Wat wij een mooi verhaal vinden – geraakt worden door je medemens in nood, in beweging komen en het lijden wegnemen – wordt ongemakkelijk; wat als het zou gaan over een barmhartige Marokkaan? Barmhartigheid, naaste worden van de ander [Lk 10,36], gaat over de grens van volk en godsdienst heen, openbaart Jezus ons. Barmhartigheid houdt niet op bij de grens van land, volk, religie; naaste worden houdt niet op bij de grenzen van Europa. De Eeuwige, die bemind moet worden volgens het eerste gebod [Lk 10,27], is immers de Heer van alle mensen en van al wat bestaat, zoals ook Paulus schrijft [Kol 1,15-18 cf. Ps 24].

               Liefde voor God en naaste gaat dus over de grens van landen en volken heen. Katholieken klinkt dit vertrouwt in de oren; de katholieke Kerk is immers een wereldkerk en het woord katholiek betekent nota bene: universeel!

               Er zit nog een tweede grens in het verhaal, een grens die niet overgegaan wordt: het liefhebben van God en naaste “met heel uw kracht” [Lk 10,27b]. De barmhartige wordt geraakt, is met de lijdende begaan, komt in beweging, gaat op hem toe, verzorgt de wonden met de olie en de wijn die hij heeft, geeft het geld dat nodig is en dat hij kan missen – maar hij draagt hem vervolgens wel over aan de herbergier. Kortom, de barmhartige doet wat hij kan, maar hij laat zich niet verlijden tot datgene wat hij niet kan. De Almachtige Zelf, heeft daar dus geen last van; God kan grenzeloos barmhartig zijn [cf. W 11,23]. Maar omdat barmhartigheid kan vragen wat de grens van onze eigen krachten te boven gaat, moeten barmhartige mensen steeds samenwerken, samen dragen en kunnen overdragen. Anders dreigt de burn-out...

               Barmhartigheid is derhalve niet alleen een quaestie van gevoel – liefhebben “met heel je hart” – maar ook een liefhebben “met heel je verstand” [Lk 10,27b].

               En barmhartigheid behelst altijd concrete daden [Lk 10,37a]. In het evangelie zien we al dat gelovig zijn, godsdienstigheid, geen garantie geeft dat iemand barmhartig handelt; de priester en de Leviet, “voorbeeldgelovigen”, lopen met een grote boog heen om de hulpeloze man aan de kant van de weg. Maar andersom heeft de afnemende godsdienstigheid in onze maatschappij wel tot gevolg dat mensen niet meer goed aanspreekbaar zijn op onbarmhartig gedrag. Vanuit een soort medemenselijkheid kun je nog steeds een beroep doen op barm-hartigheid, omzien naar elkaar, over grenzen heen: “de naaste liefhebben als jezelf” [Lk 10,27c]. Maar deze oproep is dan niet meer gegrond in iets wat onszelf te boven gaat: “U zult de Heer uw God liefhebben” [Lk 10,27a]. Wat zeg je tegen iemand die vindt dat we niks met elkaar te maken hebben, omdat we vreemdelingen zijn voor elkaar: niet behoren tot eenzelfde volk, familie, inkomensgroep, cultuur, religie...?

               “Ja, ik ben de barmhartige Samaritaan niet!” Echter, als wij willen léven nu en hierna, kunnen we maar beter zo grensoverschrijdend als die barmhartige Samaritaan wňrden! [Lk 10,37b] In het Nieuwe Testament lezen we hoe Jezus Zelf en Zijn leerlingen na Hem op die weg zijn voorgegaan [Lk 7,9 resp. Hnd 8,26-39. 10,1-48]. Tot op vandaag zien we dat die weg levengevend is voor iedereen die ’m van harte gaat. Er zijn al te veel mensen die zich in hun hart en denken en doen laten bepalen door de onbarmhartigheid van anderen. Zo brengt het extremisme van de één in anderen extremisme voort; dat is geen leven [Lk 10,28]. Juist als je zelf ervaart en om je heen en op televisie ziet hoe onbarmhartig mensen met elkaar omgaan, is dat dč oproep en de gelegenheid om je geloof van harte in praktijk te brengen. Wie gedoopt is in Zijn Naam, wil leven zoals Hij [Lk 6,27-36]. Jouw barmhartigheid kan anderen barmhartiger maken [cf. Rm 12,21]. Of denk je dat je de grens van je barmhartigheid al hebt bereikt?

                “Als u de stem van de Heer uw God hoort [....] moet u met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot” Hem; Zijn geboden “zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik” [Dt 30,10v. Cf. Ps 95,7v]; Zijn woord heeft Hij geschreven in ons hart, zodat wij met Zijn hulp in staat zijn om het te volbrengen [Dt 30,14. Jr 31,33. 2Kor 3,3]: met hart en hoofd en handen.

               Barmhartigheid is dus niet voor “softies”! In deze Eucharistie voedt Hij ons, om de barmhartige weg te kunnen gaan: in onderlinge verbondenheid en over de grenzen heen die mensen van elkaar scheiden [Ef 2,14], omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. Amen.

 

Verkondiging

 

op 26 juni 2016, de dertiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het eerste boek der Koningen (19, 16b.19-21), Psalm 16 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten (5, 1.13-18) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9, 51-62).

 

Es gibt hier nichts was es nicht gibt. "Er is hier niets wat niet bestaat." Oftewel: Je kunt het zo gek niet bedenken of het is hier wel. Es gibt hier nichts was es nicht gibt. Dat zei: een Duitse geestelijke schuin achter mij, afgelopen woensdagmorgen op het plein voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Hij droeg een glanzend paars overhemd met priesterboord. Het zag er duur uit en hij was vast een monseigneur. Es gibt hier nichts was es nicht gibt. Hij zei het, de Duitse monseigneur, op het moment dat een Pόolse priester, in een motorpak, vlak achter mij, samen met een compagnon een witte motorhelm, een wit motorjack en een kruis-in-een-kist aan paus Franciscus aanbood - die op dat moment dus al vlakbij mij stond. Op de helm: de bekende afbeelding van Jezus met de veelkleurige stralen die uit zijn handen komen. Op het jack: het embleem van de komende wereldjongerendagen te Krakau. En het kruis in de kist was gemaakt van motorkettingen en tandwielen. Es gibt hier nichts was es nicht gibt, dus. Direct naast mij stond een keurige priester in soutane met een groot borstkruis, de provinciale overste van een congregatie die bijzonder is toegewijd aan de aanbidding van Christus' bloed. Hij had een groot bronzen beeld van de stichter van zijn congregatie meegenomen. Achteraan stond dat op een tafel opgesteld en de paus zou het later zegenen en hij zegende ook een aantal trouwringen die pater- provinciaal in zijn hand had. En toen was ik aan de beurt: de aanvankelijk wat angstig uit zijn ogen kijkende ongeschoren priester met lang haar uit Holland.

 

Ik zei, in gebrekkig Italiaans: "Goedemorgen Paus Franciscus. Ik ben pastor Pierre uit Amsterdam. Ik ben pastoor. Ik wil u dit boek aanbieden dat een echte schat van ervaringen is die een medebroeder-jezuďet van u, pater Jan van Kilsdonk, gedurende zestig jaar heeft gehad met homoseksuele mensen in Amsterdam. Hij heeft hen vergezeld in hun levens, in hun vreugdes, hun liefdes en ook in hun lijden en in hun verdriet en hij heeft ook veel over deze ervaringen nagedacht. Ik wil u vragen, Heilige Vader, om dit alles in overweging te nemen terwijl u werkt ten bate van de ontwikkeling van het onderricht van de Kerk over het thema homoseksualiteit." Terwijl ik sprak, keek en luisterde paus Franciscus heel aandachtig naar mij. Hij pakte mijn hand en legde zijn andere hand op mijn arm. En hij zei: "Deze mensen gaan mij ter harte. Zij hebben mijn aandacht. Ik draag hen in mijn hart." En terwijl hij deze woorden sprak bracht hij ook zijn hand naar zijn hart. En hij zei: "Ik wil u vragen om dit aan hen te zeggen en om hen van mij te groeten." En ik zei: "Dat zal ik doen Heilige Vader. Veel dank!"

 

(Het betrof de aanbieding van Van KIlsdonks boek Addio ragazzo di luce. Per abbatere il muro dell'indifferenza (Rome, 2016), de vertaling van Dag jongen van licht. Toespraken bij het afscheid van homoseksuele mannen. Op de site www.photo.va staan vele mooie foto's van deze ontmoeting met paus Franciscus: Linksbeneden (general audiences, 2016), dan de audiëntie van 22 ju ni aanklikken en vervolgens: sagrato destro, seconda parte (second part), vanaf foto 225616_22062016)

 

Ik vond het heel bijzonder, dierbare parochianen en gasten van deze Rozenkranskerk, ik vond het heel bijzonder, ja een wonder, dat deze paus die voortdurend zo'n oneindige stroom mensen ontvangt (nu is hij weer in Armenië), mensen die hem van alles willen geven en van alles aan hem willen vragen, dat deze lieve en goede, hartverwarmende paus er ook  éven, drie, vier minuten of zo, hélemaal voor mij was en voor wat ík hem wilde zeggen en geven. En dat hij zo prima antwoordde.

 

De paus was het plein opgekomen in gezelschap van een twaalftal pikzwarte jonge mannen in een-voudige broeken, ongestreken hemden en T-shirts. Over hen zei hij in zijn toespraak: "Vandaag zijn deze jongens bij me. Veel mensen denken van hen dat het beter zou zijn geweest als ze in hun eigen land zouden zijn gebleven. Maar daar leden ze zo. Het zijn onze vluchtelingen, maar veel mensen beschouwen hen als buitenstaanders. Per favore, sono i nostri fratelli. Alsjeblieft... zij zijn onze broeders. Een christen sluit niemand buiten, die heeft plaats voor iedereen." Dat zei de paus.

 

En over Jezus hoorden wij vandaag in het evangelie dat "toen de dagen van zijn verheffing hun ver-vulling naderden, hij vastberaden de reis naar Jeruzalem aanvaardde." Wij weten veelgeliefden: In Jeruzalem wacht Jezus de kruisdood. Maar Lucas karakteriseert die kruisdood hier dus reeds als 'ver-heffing' en 'vervulling'. Geen ondergang! Jezus is ten diepste niet bang. Hij durft te sterven. Ik denk: omdat ook sterven voor Hem leven is en wel: leven in zijn volheid, in zijn meest intense vorm. En daarna is alles open. Sterven moeten we ooit allemaal. Wij leven daar naar toe. En hoe zal het voor ons zijn? Hopelijk kunnen wij het, zoals Jezus, ervaren als een wezenlijk stukje en zelfs als de vervulling van onze levensweg. "Vastberaden aanvaardde hij de reis", zo staat er. Het viel mij op hoe krachtig en vastberaden paus Francíscus voortstapte aan het hoofd van die kleine schare berooide zwarte jongens, have-nots, maar kostbare, prachtige mensenkinderen. Paus Franciscus heeft ze gezien. Hij heeft hen opgemerkt. Hij heeft hen wérkelijk gezien. En wat heerlijk voor die jongens en voor al die mensen zoáls zij, dát de paus de mensen op het Sint-Pietersplein en via de media mensen over de hele wereld heeft uitgenodigd om hen eveneens écht te zíen.

 

In Jezus' gezelschap op weg naar Jeruzalem bevinden zich blijkbaar een paar geradicaliseerde jongeren, Jakobus en Johannes. Jezus en de zijnen zijn niet welkom in een Samaritaans dorp en zij vragen dan: "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?" Toe maar... Ook Johannes nota bene, "de leerling die Jezus liefhad" - in het Johannes-evangelie wordt hij zo genoemd. Jezus "keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht". Radicalisering is ook in onze tijd een hot issue. Hoe gaan wíj daar mee om?

 

Frans Horsthuis, een priester van 94 jaar oud over wiens leven en werk wij ons onlangs in het verband van een cursus hebben verdiept, hij schreef mij: "Het hedendaagse christendom is een voortdurend compromis tussen God en de wereld: de kool en de geit. Daardoor zijn onze hedendaagse kerken fut-loos geworden. (Er heerst) Angst voor de islam. Waarom? Het christendom zelf is-lam."

 

Hoort u de woordspeling? "Het christendom zelf is-lam."

 

Welk antwoord kunnen wij als christenen, als individuele gelovigen en als kerk, als geloofsgemeenschap geven op radicalisering? We zouden zelf moeten radicaliseren! Maar dan als christenen... Aan paus Franciscus zal het niet liggen. Die wijst in dit verband helemaal de goede weg lijkt mij. Hij gaat ons op die weg voor. Want hij maakt duidelijke keuzes. Vόόr die jongens! Hij komt voor ze op, heel duidelijk. Vόόr die jongens. En natuurlijk: tégen geweld. Jakobus en Johannes de-radicaliseren. Want zij luisteren naar Jezus. Hij heeft daarvoor bij hen het gezag. Want in alles ervaren zij natuurlijk dat Jezus ook vόόr hen is. En zo zou het denk ik ook kunnen werken bij onze eigen radicaliserende jeugd en ouderen, van welke soort dan ook: Als jonge of oudere mensen aan ons voelen dat wij vόόr hen zijn, dat zij ons ter harte gaan, dat wij aandacht voor hen hebben en dat wij hen meedragen in ons hart, dan nemen zij ons vast ook serieuzer, dan worden wij gezagvol voor hen. Dus daarom is het goed dat onze schepen op de Middellandse Zee, ook afgelopen nacht nog, al die vluchtelingen opvissen. Weet u nog: "Ik zal u vissers van mensen maken."  De zeelieden daar maken het letterlijk mee. Zij vissen de vluchtelingen op. Want dat moet volgens het internationale zeerecht. En dat moet nog meer en dieper omdat die vluchtelingen mensen zijn, precies zoals u en ik. En zij zijn even belangrijk als wijzelf. Medemenselijkheid, geen mensen uitsluiten maar voor ze opkomen. Dát is Jezus volgen. Dát is het koninkrijk van God verkon-digen, niet met woorden maar met daden. En wie zegt, of denkt: laat ze maar lekker verzuipen of als ze het overleven weer zo snel mogelijk ophoepelen, die keert zich tégen dat koninkrijk en die volgt Jezus niet.

 

Paulus, in de tweede lezing vandaag uit de Galatenbrief, herinnert ons aan het éne gebod dat alles sa-menvat: 'Bemin uw naaste als uzelf'. "Maar", zo voegt hij er aan toe, "maar als ge elkaar maar blijft bijten en klauwen, vrees ik dat ge elkaar op de duur zult verslinden". En zo is het veelgeliefden. De Brexit is een illusie. De Nexit is een illusie. Zo lossen we onze problemen echt niet op: door ramen en deuren met tien sloten op slot te doen en ons terug te trekken op ons eigen kleine, bange eilandje. Want: de buitenwereld, de andere volken waar wij destijds als eersten op af zijn gegaan, die we hebben gekoloniseerd, uitgebuit, als slaven hebben verkocht en hebben ontwricht, ze zijn er nu eenmaal. En om dan als het moeilijk wordt, ook binnen Europa, dan maar te zeggen: zoek het zelf maar uit, zoeken jullie samen het maar uit, bekijk het maar... Brrrr.

 

Niet alleen, maar samen. Niet de afsluiting, maar de verbinding. Niet mensen uitsluiten en ze er uit zetten maar ze verwelkomen. Niet ze in hun sop gaar laten koken maar ze ondersteunen, dáár jezelf voor inzetten. Overal waar dat gebeurt, en bij uitstek zou dat in de kerk ook moeten gebeuren, om te beginnen onderling; overal waar het gebeurt groeit en kόmt het koninkrijk.

 

Afgelopen vrijdagmiddag was ik aanwezig bij het afscheid van Marius Singels als de coördinator van de voedselbank Amsterdam-Zuid. Het terrein van die voedselbank, aan de Lutmastraat in De Pijp, dáár zie je hoe het gestalte krijgt, dat koninkrijk. De mensen die een beroep moeten doen op die voedselbank worden er geholpen met levensmiddelen en toiletartikelen, onder andere ook hier ingezameld, én met budgetteren enzovoort, maar vooral: ze kunnen daar ervaren dat ze er niet alleen voor staan. Mensen, vrijwilligers, zetten zich in, luisteren naar hun verhaal en zijn gewoon aardig. Zό begint het koninkrijk waarvoor wij onszelf geen rust moeten gunnen, dat ons uit de slaap mag houden en dat onze top-prioriteit mag zijn. Radicaliseren in liefde is het belangrijkste medicijn tegen radicalisering in de gewelddadige zin. Dus niet: eerst even dit of eerst even dat. Het is zelfs belangrijker dan het begraven van je vader zegt Jezus.

 

Maar morgen zullen we vanuit onze kerk Henk Brouwer begraven, onze geliefde oud-penningmeester, Henk met zijn sprankelende ogen en met die prachtige glimlach in zijn gezícht gebákken gewoon. Een vriendelijk mens. Een zuivere ziel denk ik, ongecompliceerd. Een goed mens die zich geweldig, met hart en ziel, voor onze parochie heeft ingezet. Hij is daarvoor werkelijk als een vader geweest. Een warme man. Toen ik hier kort na Kerst lucht gaf aan enige malaisegevoelens kwam Henk na afloop heel lief en zorgzaam naar mij toe. Hij zei: "Zeg het maar hoor als wij iets voor jou kunnen doen. Wij zijn er ook voor jou." Och wat een engel van een man. We zullen ons morgen níets van Jezus' woorden vandaag aantrekken en zo mooi, zo goed en zo liefderijk mogelijk afscheid van Henk nemen. En als wij dat dan zo doen, dan verkondigen we daarmee denk ik tegelijkertijd ook het koninkrijk Gods. Dus dan krijgt Hij, Jezus, evengoed Zijn zin. Amen.     

 

Verkondiging

 

5 juni 2016   - Ton van Hal

 

Plm 850 voor Christus in Sarefat:

“Toen nam Elia het kind op, ging van de bovenkamer naar beneden, ging het huis binnen en gaf het kind aan de moeder. En Elia zei: ‘Kijk, uw zoon leeft.”

 

Plm 30 in Nain:

“De dragers bleven staan en Jezus’ zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ [15] En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder.”

 

1969 in den Haag:

een jongeman ridt op zijn fiets tegen een HTM-bus aan.  Niet veel aan de hand maar toch maar even naar het ziekenhuis. Drie dagen later was hij gestorven. Een hersenbloeding.

Hij werd niet aan zijn moeder, aan mijn moeder, teruggegeven. Hij was mijn broer. Van Jezus of Elia geen spoor toen.

 

De lezingen van vandaag kunnen je verbitterd maken. Er zijn zo veel kinderen die sterven: in het Midden Oosten of in je eigen omgeving. Misschien wel je eigen kind. Waarom doet God daar niks aan?

De vraag is (zoals elke zondag eigenlijk): wat moeten we dan met die verhalen?

 

Ik denk dat je niet veel verder komt als je ze letterlijk opvat en voor kennisgeving aanneemt.

Eigenlijk kun je dan alleen maar zeggen: “Dat waren nog eens tijden: toen Jezus op aarde was of zulke grote profeten als Elia” .

 

Gelukkig zijn wij als katholieken wel een beetje getraind in het omgaan met onbegrijpelijke zaken: er zijn er nogal wat in ons geloof en in onze liturgie.

Wat zou dan de betekenis kunnen zijn van de opwekkingsverhalen van vandaag?

Ik zeg: KUNNEN zijn, want ik ga u natuurlijk niet een op een vertellen hoe je deze verhalen MOET zien. Het is juist mooi als ieder er het zijne/hare in ziet.

 

1

Misschien moeten we dan beginnen met de verhalen niet als stukjes uit een geschiedenisboek te zien, maar meer als een kunstwerk. Niet als een prima gelijkende goed scherpe foto maar als een schilderij waar gevoel en betekenis in zitten. Waarin je iets meer kan zien dan wat er feitelijk allemaal op staat. Wat iets bij je oproept. Dat lukt niet iedereen altijd. Ik sta ook wel eens voor bv zo’n “installatie” in het Stedelijk  zonder dat er ook maar iets bij mij opkomt. Het zal wel….

Laten we eens proberen om in de twee schilderingen van vandaag iets meer te zien. Misschien komen we dan Jezus tegen, niet als de grote tovenaar, maar als de spreekbuis van God die met ons is.

Ik reik een paar gedachten aan die mij  wel geholpen hebben en hopelijk u ook.

 

2.

Als het om leven en dood gaat spreekt Jezus een andere taal dan die van de biologie.

Aan het slot van de gelijkenis van de verloren zoon zegt de Vader: “want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” Die verloren zoon was niet biologisch dood, maar zeg maar: geestelijk. Hij had zich afgekeerd van de vader en zich aan allerlei wereldse geneugten overgegeven. Aan de afgoden van zijn (en onze!) tijd.

Jezus verwijst altijd naar een hogere orde: Gods koninkrijk van gerechtigheid en vrede: dat is het leven. De wereld van macht en geld, onderdrukking, discriminatie, oorlog: dat is de dood.

 

3

Opmerkelijk dat vandaag zowel bij Elia als bij Jezus gaat om de dood van de enige zoon van een weduwe. In die tijd was een weduwe totaal aangewezen op haar kinderen om in leven te kunnen blijven. In het koninkrijk van God mag dat zo niet zijn. Wij zullen goed en royaal moeten zijn voor weduwen, wezen, vluchtelingen, kansarmen. Wij zullen met God moeten meewerken.

 

4

Dat begint met ontferming, mededogen. Dat zien we in de beide verhalen van vandaag.

Niet eens zozeer de dood van de zoon maar het onmetelijke verdriet van de moeder beroeren Elia en ook Jezus “Toen de Heer haar zag, was hij ten diepste met haar begaan, hoorden we. Eigenlijk staat er dat hij het leed “tot in zijn diepste ingewanden voelde”.

Dat kan dus een boodschap voor ons zijn: dat Koninkrijk van God  begint met mede-lijden.

Vreselijk moeilijk vandaag de dag want je kunt de tv niet aanzetten of je ziet ellende. Dat mede-lijden: er is haast geen beginnen aan.

 

5

Als je het verhaal van Nain dan als een schilderij ziet:

Twee stoeten komen aan, Jezus met zijn gevolg en de moeder met haar dode zoon plus gevolg. Bij de stadspoort stuiten ze op elkaar. Jezus gaat niet opzij voor de stoet maar bemoeit zich ermee (en hoe!). Ik moest denken aan de Sequentia van Pasen, het “Victimae Paschali laudes” die wij (het Salve Reginakoor) dan zingen. Daar komt in voor:

Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus regnat vivus.

Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.

Bij de poort van Nain kwamen dood en leven elkaar tegen: het Leven won.

 

“God heeft naar zijn volk omgezien” riepen de mensen in Nain. Dat kan nog steeds, maar ik denk dat we God wel een handje moeten helpen, dat wij hem moeten blijven zoeken.

Dat Hij bij ons wil zijn heeft Jezus duidelijk gezegd bij het Laatste Avondmaal. Op wondere wijze kunnen  wij dat ervaren als we straks weer het Brood en de Wijn mogen ontvangen.

 

Verkondiging

 

Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid, zondag 22 mei 2016

Jeroen van Berckel Smit

Lezingen: spreuken  8: 22-31; Rom. 5: 1-5; Joh. 16: 12-15

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amen.

 

Met dit kruis-teken en deze woorden zou het Hoogfeest van vandaag, van de Heilige Drie-eenheid samengevat kunnen worden.

De Drie-eenheid is alles omvattend, alles bevattend: Zij omvat de wijsheid uit de lezing Spreuken; het geloof,  de hoop en de liefde zoals Paulus die verwoordt in de brief aan de Romeinen; en de Geest van de waarheid die als helper tot ons komt, uit het Johannes Evangelie.

Maar als ik met deze zelfde woorden en het kruisteken de verkondiging nu besluit, dan zijn we snel thuis, maar doen we de dit mysterie tekort.

Straks krijgt u een beetje geschiedenis en  komen we terug bij de lezingen, maar eerst wil ik met u even stilstaan bij het zo ingesleten gebruik van deze woorden bij het kruisteken. Ik herinner me nog dat mijn moeder wel eens zei: het is geen vliegen-vangen, als we ons kruisje afraffelden.

Dit stilstaan bij het kruisteken is eigenlijk een vorm van  mindfulness: een in wetenschap en gezondheidszorg wijd geaccepteerde methode; een uitnodiging om iets met aandacht te doen. [Toen ik enkele jaren geleden met een aantal collega’s mijn eerste mindfulness sessie bijwoonde, kregen wij allemaal één rozijntje voorgeschoteld; en de opdracht was om met alle tijd en aandacht alleen maar dit ene rozijntje  te proeven.  Ik zal u vertellen : er ging een wereld voor mij open. Niet alleen mijn eigen bevindingen, maar ook die van de andere deelnemers, vertelden mij meer over een rozijn, dan alle rozijnen van de afgelopen 50 jaar.]

Zo nu met het kruisteken:

In de Naam van….

Wij leggen onze hele aanwezigheid maar ook ons handelen en onze intentie in de Naam.  Die Naam werd en wordt door onze Joodse broeders niet uitgesproken maar wel op vele manieren bezongen in de Thorah en de psalmen.

Ons woord Naam komt eigenlijk uit het Sanskriet Nama, dat buiging, eerbiediging, aanbidding,  groet, onderwerping, gift en stil staan betekent.

In de klank van de Naam ligt vanuit dit perspectief, de essentie vast. Het herhalen van de Naam is het heiligen van de Naam en  is een universele vorm van meditatie. Zo kennen wij het aanroepen van de Drievuldigheid in het Kyrie Christe Eleison: Heer, Christus, ontferm u over ons. In dit gebed is het niet moeilijk om de drie-eenheid terug te zien: Kyrie, de Heer; Christe, de Zoon en Eleison: de ontferming van de Heilige Geest.

In de naam van …de Vader.[kruisteken] Eén God. Het monotheďsme zoals dat heet. Dat was de rijke erfenis van het oude testament. En geen tittel of jota zou daar aan veranderd worden. Dit zou nog een groot strijdpunt worden in de jonge Kerk, maar daarover later.

De Vader zetten we met het kruisteken aan het hoofd. Die plaatsen wij boven ons.

Toen kwam de Zoon op aarde en onder ons en die wil zich vestigen in ons hart.  De verticale lijn van het kruisteken …En de Zoon…[kruisteken]

En Hij zond ons een helper in en door de tijd,  de Heilige Geest: de horizontale lijn van het kruisteken.

…En de Heilige Geest …Amen, Zo zei het.[kruisteken]

Zo eenvoudig was het dus niet in het begin van de Kerk.  Als je in de eerste eeuwen in Jezus geloofde en een kruisteken maakte,  was je leven niet zeker. In 313 maakte Constantijn een einde aan de Christenvervolgingen.

In 325 riep hij de bisschoppen bijeen in Nicea. Dit was het 1e oecumenische concilie. Hier ging het vooral om het vastleggen van de relatie tussen Jezus en God de Vader.  Zo ontstond de eerste versie van de geloofsbelijdenis.

Nog was de eenheid van de Kerk ver te zoeken. De Arianen hielden vast aan de ‘ene God- zonder- gelijke. Jezus en de Heilige Geest waren volgens hen door God geschapen. De emoties laaiden hoog op. Menig man liet liever zijn tong afsnijden dan toe te geven.

In het jaar 381, het jaar van de Drie-eenheid, vond het 1e concilie van Constantinopel plaats. Het grote strijdpunt van die tijd: de gelijkwaardigheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, werd hier beslecht.  De geloofsbelijdenis van straks vindt zijn wortels in deze twee concilies en is sindsdien, op twee woorden na,  onveranderd!

De lezingen van vandaag kunnen ons helpen op deze Heilige Drie-eenheid te bouwen en vertrouwen.

Bij de spreuken is het een lofzang op de Wijsheid die als een getuige en uitvoerster onlosmakelijk met de Schepping  en Schepper verbonden is. Het is de Heilige geest die inherent aanwezig is. Of anders gezegd: alle Wijsheid is al aanwezig; het is niet nodig haar te bedenken.

 ik was zijn lieveling,

een bron van vreugde, elke dag opnieuw.

Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid, vond vreugde in zijn hele aarde

en was blij met alle mensen.

Paulus beschrijft op schitterende poëtische wijze en  in enkele zinnen de Drievuldigheid in de vorm van het geloof, de hoop en de liefde.  En we worden zelfs aangemoedigd ons gelukkig te prijzen onder alle ellende.

Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.

Johannes geeft de belofte van Jezus dat er een helper komt: ‘De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid.’ Deze Geest staat niet op zichzelf maar zal zeggen wat hij hoort.

Deze tekst van het Johannes Evangelie is de sleutel tot de mysterieuze verbondenheid van de Geest met de Zoon en de Vader. “Alles wat van de Vader is, is van mij – daarom heb ik gezegd dat hij – de Geest- alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft.”

De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat.

Wat mooi dat wij deze Drie-eenheid hier vandaag  bewust mogen vieren.

 

In naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amenop

 

Verkondiging

15 mei 2016, Eerste Pinksterdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (2, 1-11), Psalm 104 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (8, 8-17) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (14, 15-16.23b-26).

 

"Er wordt in de kerk niet veel gevlogen tegenwoordig, hoogstens wat gefladderd."

 

Dat zei, ruim dertig jaar geleden, de romanschrijver Frans Kellendonk. Destijds was ik hier in Amsterdam theologiestudent. Ik interviewde Kellendonk voor het blad van de instelling waaraan ik studeerde en dát was wat hij onder andere zei: "Er wordt in de kerk niet veel gevlogen tegenwoordig, hoogstens wat gefladderd." En: "Als blijk van goede wil fladder ik soms een beetje mee."

 

Dat was in 1985, zoals gezegd: ruim dertig jaar geleden. Toch herinner ik mij Frans Kellendonk en dat interview als de dag van gisteren. Vijf jaar later stierf hij, nog géén veertig jaar oud. Intussen zíjn wij er nog, u en ik. Of: wij zijn er bíj gekomen op aarde en in de kerk. Dat kan natuurlijk ook. En wát hebben wij intussen met ons leven en met onze tijd, die ons gegund is; wat hebben wij daarmee gedaan? Hebben we gevlogen of hebben we gefladderd?

 

Als kerk zijn wij er, wellicht tot verbazing van sommigen, dertig jaar na Kellendonks woorden in Nederland όόk nog. We hebben nu paus Franciscus. En gisteren is Gerard de Korte geďnstalleerd als nieuwe bisschop van Den Bosch, een gegeven waardoor veel katholieken denken: Dat gaat weer een beetje de goede kant op met onze kerk. Want hij, Gerard de Korte, wil een warme, hartelijke en gastvrije kerk, net als paus Franciscus en wijzelf.

 

Hoe zal het verder gaan met onze Roomse kerk in Nederland? Modderen, strompelen, fladderen we voort? Of komt er weer een beetje Schwung in en gaan we weer vliegen? 

 

Ons eigen kerkgebouw staat er, gerestaureerd en wel, stralend bij. En aan het koor (en het orkest) zal het niet liggen. Stug, onverdroten en krachtig zingt (en speelt) dat door. Maar hoe is het met ons als gelovigen gesteld? Hoe zit het met Gods, met Jezus' Geest in ons, in jouw? Heb je die Geest? Ervaar je die in jezelf? Maakt die Geest dat je kunt vliegen? Of is 't niet meer dan fladderen? 

 

Wij weten: bij Jezus' doop in de Jordaan daalde die Geest destijds uit de hemel neer in de gedaante van een duif.  En nu met Pinksteren horen wij hoe diezelfde Geest zich aan Jezus' eerste leerlingen op deze dag voordeed als "een gedruis alsof er een geweldige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren was er vol van. (En) Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. En zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, al naargelang de Geest hun te vertolken gaf."

 

Kijken wij eens naar elkáár. En luisteren wij naar elkaar. En wat zien wij? En wat horen wij? (...) En wat staat ons zodadelijk te wachten, als het heilig vormsel wordt toegediend? Zal dat met bijzondere, duidelijk waarneembare effecten gepaard gaan?

 

De kans is natuurlijk groot, dierbare gasten, parochianen en kandidaten voor het heilig vormsel; de kans is natuurlijk groot dat wij, behalve de mooie ceremonie, niet veel bijzonders zien en zullen zien. We blijven gewoon wie we zijn.

 

Dat wil zeggen... Gods Geest, die van Jezus, komt in je. Of die zit al in je. En die Geest, die blíjft daar zitten en die gaat er nooit meer uit. En die Geest beweegt je, die stuurt je aan. Dat mag je geloven. Daar mag je op vertrouwen. En je mag het vooral láten gebeuren. Het is net als met zagen. Ik hoor het mijn vader nόg zeggen terwijl hij het mij trachtte te leren: "Je moet de zaag het werk laten doen Pierre. Niet te veel kracht zetten..." Zo is het ook met de Geest: Je moet de Geest het werk laten doen. En jij laat je door die Geest gewoon leiden.

 

Sinds een half jaar ben ik erg onder de indruk van een stokoude collega van mij, de priester Frans Horsthuis.

 

Hij is nu 94 jaar oud. Kort voor Pasen ben ik hem in Doetinchem gaan bezoeken en verleden week zondag opnieuw, in Velsen-Noord ditmaal. In één van zijn prachtige boeken schrijft Frans Horsthuis:

 

"God (...) wil voor de mensen herkenbaar worden en niet ver weg vanuit de hemel neerzien op een wereld in nood. Hij wil ook niet met huisarrest in een kerk blijven zitten en daar audiëntie houden. Hij wil temidden van de mensen zijn, en via de huisgezinnen de straat op gaan, in bedrijven en kantoren met computers binnenkomen, in gevangenissen en ziekenhuizen alles meemaken wat zich daar afspeelt. Hij wil meeluisteren, meepraten. Hij heeft daar een lichaam voor nodig met ogen en oren, met handen en voeten en hij vraagt ons: "Mag ik jouw lichaam gebruiken, jouw ogen en oren, jouw handen en voeten, jouw tijd en beroep, zodat allen die jou ontmoeten, merken dat zij Mij ontmoeten?"

 

Tot zover Frans Horsthuis.

 

Mag God, mag Jezus met Zijn Geest in jouw lichaam komen en er gebruik van maken om in jouw wereld aanwezig te zijn - zodat allen die jou ontmoeten kunnen merken dat ze Hem (Jezus! God!) ontmoeten?

 

Wat is daar op uw antwoord? Wat is daar op jόuw antwoord? Leen jij jezelf uit aan die Geest? Of sterker nog: Durf jij die Geest bezit van jou te laten nemen zelfs?

 

Om jouw, om úw antwoord op die vraag gáát het veelgeliefden. Dat ántwoord van jou is het effect waar de Heilige Geest op uit is, namelijk dát God, dát Jezus zichtbaar, hoorbaar, ervaarbaar, voelbaar wordt in jou. En dan mag je daarbij vliegen of fladderen wat je wil, dat is allemaal bijzaak. Hoogstandjes en enorme prestaties worden niet verwacht. Daarin zit 't hem echt niet. Nee, integendeel: Ook al ben je op allerlei manieren door het leven getekend, gewond en gehandicapt, dat maakt je ábsoluut niet ongeschikt als instrument van en voor Gods Geest, die van Jezus. Nee, het is eerder veelgeliefden omgekeerd zou ik zeggen: Als je in het leven reeds het nodige hebt meegemaakt, wat z'n sporen in jou ook heeft achtergelaten - dat maakt je eerder béter geschikt als werktuig van Jezus' Geest, die van God. Want daardoor ben je hopelijk losgekomen en bevrijd van allerlei valse schijn en pretenties en daardoor kan Gods Geest in jou die het hart verlicht en verwarmt des te beter naar voren komen en aan de oppervlakte verschijnen.

 

Maar al te vaak, veelgeliefden, krijg je het gevoel: Als kerk en als individuele gelovigen modderen, strompelen, fladderen wij voort. Maar ik denk: juist ín dat modderen, strompelen en fladderen, juist ook ín al ons 'gedoe' - daarin gebéurt het ook. Nochtans gaan wij voort en gaan wij verder - onverstoorbaar ook als een D-Zug of als een vrachtschip op de rivier. Wij houden vol! We zíjn er als kerk anno 2016! En zonder Gods Geest, die van Jezus, ín ons en onder ons zou dat, zo geloof ik, niet voorstelbaar en mogelijk zijn. Dat we er als gelovigen en als kerk 'nog altijd zijn', ik denk: beter 'bewijs' dat de Geest tόch de kerk en de gelovigen beweegt en in leven houdt is er niet. 

"Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere helper geven om voor altijd bij u te blijven" hoorden wij Jezus vandaag in het Johannes-evangelie zeggen. Mogen wij die helper in ons persoonlijk leven én in ons gezamenlijk, in ons kerkelijk leven daarom altijd dichtbij weten. Die helper staat achter ons en is in ons, in ons midden ook. Die helper, de Heilige Geest, wil met ons verder gaan. En Hij wil vérder met ons gaan. Laten wij Hem in ons dan bégaan. Laten wij Hem in ons Zijn gang gaan. En laten wij met Hem, met die Geest, meewerken. Amen.

 

Verkondiging

 

op 8 mei, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (7, 55-60), de Openbaring van Johannes (22, 12-14.16-17.20 en het het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (17, 20-26).

 

Driemaal is scheepsrecht.

 

Op eerste paasdag heb ik op deze plek gesproken over Maria Magdalena, vriendin van Jezus. Zij was na Jezus' dood zielsbedroefd. 'Een verlaten vrouw', zo noemde ik haar en ik vergeleek haar situatie met die van een vrouw die ik ken en die door haar man is verlaten omdat hij, zoals dat heet, 'een ander heeft'. Ook nabestaanden kunnen zich door iemand die gestorven is en van wie ze veel hebben gehouden soms in de steek gelaten voelen, ook al is die gedachte irreëel omdat het niet de eigen wens was van de persoon in kwestie om te sterven, hij of zij 'er niets aan kon doen' en omdat alle mensen nu eenmaal sterfelijk zijn. Ja, dat is zo. En tόch kunnen nabestaanden zich door een dierbare gestorvene soms in de steek gelaten voelen. Het is een gevoel, een irrationeel gevoel.

 

De tekst van mijn preken, dierbare gasten en parochianen, wordt altijd op de websites van onze en van mijn andere parochie geplaatst en soms wordt daar op gereageerd. Dat was met deze paaspreek het geval. Ik ga deze reactie nu weergeven en daarmee is dat dan de tweede en laatste keer dat ik op die paaspreek terugkom. Maar driemaal is scheepsrecht.

 

De reactie in kwestie is afkomstig van een vrouw, ik schat van mijn leeftijd, uit Zeeland. Zij had zich in mijn woorden herkend, want, zo schreef zij: Zelf had zich met Pasen ook verstoten gevoeld. Zij schreef:

 

"Mijn broer en schoonzus die in Engeland wonen, kwamen naar Nederland om onze ouders te bezoeken. Tevoren hadden zij bij hen geďnformeerd of ík met Pasen soms ook bij hen op bezoek zou komen. Via de familiaire tam-tam bereikte dat bericht mij." Maar: "Als mijn broer en schoonzus mij graag ook zouden hebben ontmoet, dan hadden zij mij een e-mail kunnen sturen, ook al is er onderling weinig contact. Ik durfde het hen niet goed te vragen. Om die reden ben ik maar thuisgebleven met Pasen, maar ik voelde mij net als de vrouw in uw preek afgewezen. Hoewel de situatie anders was, waren er zeker overeenkomsten en uw preek raakte mij daardoor en bood mij daardoor troost, ook door te horen dat ik niet de enige ben die dergelijke dingen meemaakt."

 

Tot zover deze reactie.

 

Natuurlijk heb ik naar de mevrouw in kwestie gereageerd. Als volgt:

 

"Hoe met zo'n situatie omgaan?

 

Ik werd getroffen door het zinnetje "Ik durfde het hen niet goed te vragen."

 

En ik vraag mij af: Zou er niet toch nog wat manoeuvreer-ruimte zijn in de verhouding tussen jou, je broer en schoonzus?

 

Erg uitnodigend en hartelijk klinken de omstandigheden niet, maar is het noodzakelijk om ze te interpreteren als (volkomen) afwijzing?

 

Het lijkt mij de moeite waard om verder na te denken over vragen als:

 

Wat wil ik (nog, opnieuw) met hen? En: Hoe kan ik eventueel daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen?

 

Ik denk: Hoe mensen zijn voor jou is ook (dus niet: uitsluitend) een effect van wie jij bent voor hen.

 

Misschien dat er toch nog wat beweging en groei in deze verhouding kan komen?

 

Zelf houd ik in moeilijke verhoudingen met mensen de deur altijd het liefst zo ver mogelijk open en wil liefst niet degene zijn die het contact afbreekt."

 

Tot zover.

 

Vervolgens kreeg ik van haar de volgende reactie:

 

"Dank voor uw bemoedigende woorden (...)

 

Ik heb kort daarop gelijk maar de moed gepakt en contact opgenomen met mijn broer. Ik kreeg gelijk een mail terug. Hij was zich nergens van bewust zo liet hij mij weten. Gladgestreken, dus. Ik ben er blij om! Ik voel mij dankbaar en opgelucht."

 

Tot zover.

 

U snapt, mijn dierbare parochinanen en gasten: het verheugde mij natuurlijk dat mijn preek en de er op volgende communicatie zo concreet en verheugend doorwerkten. Ja, waar doe je het ook anders voor, al dat preken? Als de woorden van de verkondiging niets bewerken, wat zijn ze dan waard? Wat heb je er dan aan?

 

Waarom echter dit alles nu vandaag, op deze zevende zondag van Pasen, ter sprake gebracht?

 

De evangelietekst die wij vandaag hebben voorgeschoteld gekregen is net een dans of een om elkaar heen cirkelen van wezens: Gij, Vader, Ik, Jezus zelf, zij, Jezus' eerste volgelingen en ook wij, degenen die "door hun woord", dat van Jezus' eerste volgelingen, degenen die ermee begonnen zijn om hun ervaringen van en met Jezus door te geven - uiteindelijk ook aan ons: degenen die "door hun woord in Mij", in Jezus, "geloven". Ook over hen en over ons gaat het.

 

Al die genoemde wezens wentelen als het ware om elkaar heen en doordringen elkaar. Ze gaan ín op elkaar en ze gaan in elkaar όp, ze beminnen elkaar. Het is een liefdesspel en een beeld van grote vrede, harmonie en eenheid dat zich aan je geestesoog kan voordoen als je de woorden van Johannes goed proeft en savoureert. Het zijn bewegingen van de hemel waar wij op aarde bij en in betrokken worden: "Gij, Vader, in Mij en ik in U: dat zij ook in Ons mogen zijn", "opdat zij één zijn zoals wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn", "opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen."

 

Wie Jezus is, wie Zijn Vader is, wie beider Geest is: 'Het' wil ons bereiken. Hij wil ons bereiken. Hij wil tot en in ons doordringen en vat, greep ons krijgen. Wie God is moet in ons gaan leven, opdat wij vol worden van God en die ervaring ons met elkaar verbindt en opdat die ervaring ook door gaat schijnen en op gaat lichten in wie elk van ons is en in hoe wij met elkaar omgaan. Uiteindelijk is alles daar om begonnen: Hij, Jezus, moet reëel en concreet worden in ons. Hij moet voor ons als kerkgemeenschap centraal, in ons midden staan. Wij en al onze verhoudingen zouden geënt moeten zijn op Hem.

 

Dat is de bedoeling.

 

Maar hoe is het feitelijk?

 

Wie ben jij thuis?

 

Wie ben jij binnen je familie? - Denk even aan de mevrouw van wie ik die reactie op de paaspreek kreeg.

 

Wie ben je op deze moederdag voor je moeder?

 

Wie ben jij voor je vrienden?

 

Wie ben jij voor je buren?

 

Wie ben jij op je werk?

 

Wie ben jij in de kerk?

 

Hoe manifesteer jij je?

 

En kan er iets van Jezus in en aan jou beleefd worden?

 

Hou je van Hem?

 

En breng jij Hem ín opdat het geheel ook grόeit in Hem?

 

Stroomt het tussen de hemel en ons? En stroomt het tussen ons onderling? Of is de stroom geblokkeerd? En als dat zo is, wat kun jíj dan doen opdat het opnieuw gaat stromen?

 

Dat is de vraag.

 

Laat ieder die vraag voor zichzelf beantwoorden.

 

Amen.

 

Verkondiging

 

op 5 mei 2016, Hemelvaart van de Heer, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand. 1, 1-11; Ef., 1,17-23; Lucas 24, 46-53

 

Ik vertrek. U kent dat televisieprogramma wel. Iemand neemt afscheid. En niet voor eventjes, maar voor goed. Hij komt niet meer terug. Het is een ingrijpende gebeurtenis. Feest met een lach, maar ook met een traan. Het is feest en verdriet tegelijk. Iemand gaat voorgoed weg, naar elders, naar waar het beter is, want anders ga je niet. En bij het afscheid is iedereen aanwezig. Er zijn speeches en cadeaus. Er wordt gelachen en gehuild.

 

Hemelvaartsdag. Als je aan de jeugd zou vragen wat Hemelvaartsdag inhoudt, zullen ze in ieder geval zeggen dat het een lang weekeinde is. Meer weten ze misschien niet. Hemelvaartsdag, hemelvaart en hemel. Hemelvaart was ongeveer de eerste aflevering van de serie “Ik vertrek”. Wat verstaan we onder de hemel? Het is een typisch begrip uit de Bijbelse wereld en uit de wereld van de Grieken en Romeinen. In die wereld bestonden er drie lagen. Hemel, aarde en hel. De hemel was de bovenste laag van de drie. De hel de onderste. Wij wonen er tussen in. Ik weet bijna zeker dat er geen hel bestaat. Is er dan wel een hemel en hoe moeten we die noemen of aanduiden? Met de hemel bedoelen we dat er een werkelijkheid bestaat die ons ver te boven én te buiten gaat.

 

Wat is ten hemelvaren? Hoe moet ik me dat voorstellen? Ik zie niemand opstijgen waarbij zijn voeten langzaam verdwijnen in een wolk. Of, zoals een ufo, helikopter of luchtballon, die zich langzaam aan ons gezichtsveld onttrekt. We vinden in het evangelie ook geen beschrijving van Hemelvaart en al helemaal geen fotorapportage. Vandaag de dag zou dat heel anders gaan.  Apostelen maken met hun IPhone selfies en zetten die meteen op facebook. De pers is met hun camera’s en microfoons aanwezig. Er wordt een rechtstreekse tv-uitzending verzorgd, die van commentaar wordt voorzien door Antoine Bodar of Wilfred Kemp. En daarna, bij Pauw of bij Humberto Tan, napraten met zogenaamde deskundigen. ………

Niet dus. Hoe moet ik het me dan voorstellen? Ik denk aan het sterfbed van iemand. Je zit erbij, je waakt, en ineens is hij er niet meer. Uit ons midden weggegaan. Vaak stilletjes, niet met een groot feest, zoals bij “Ik vertrek”. Ik zat aan het sterfbed van mijn moeder. Ik dacht dat ze sliep en ik las de krant. De aanwezige zuster of thuishulp, die toen nog niet was wegbezuinigd, zei op gegeven moment dat mijn moeder was overleden. Ik had niet opgelet en het precieze moment gemist. Ze was heengegaan en ik had het niet gemerkt. Ik zat ineens naast een dood lichaam. Het was mijn moeder niet meer. Die was opgestegen naar de hemel. Dat had ze ook dik verdiend. En zo is ook Jezus weggegaan.

 

Hemelvaart is geen rapportage of tv-uitzending. Hemelvaart is ook geen eindpunt. Het geeft een nieuw begin aan en houdt een boodschap in. Aan het einde van het Marcus-evangelie staat dat Jezus, voordat hij ten hemel steeg, aan iedereen de opdracht gaf om het goede nieuws van het evangelie door te vertellen. Hemelvaart vertelt over de wijze waarop iemand hier op aarde heeft geleefd en houdt de opdracht in om dat zelf ook zo te doen. Onze blikrichting zal zich moeten wijzigen. We moeten niet langer naar boven kijken, maar naar voren. Niet meer omhoog, maar naar de medemens.

Mannen en vrouwen van de Vredeskerk. Ga eens aan de slag. Laat het niet over aan pastores en anderen. Hoe we moeten leven heeft Jezus ons voorgedaan en het staat beschreven in het evangelie. Daarmee zullen we het moeten doen. Het wordt tijd dat we onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Geen passief luisteren meer. Niet meer afwachtend naar de hemel staren of we nog tips krijgen. Ieder van ons moet, met zijn eigen mogelijkheden en beperktheden, zijn steentje bijdragen aan de opbouw en de uitbouw van onze geloofsgemeenschap. We moeten samen kerk zijn. Daartoe geeft Hemelvaart een opdracht. In Johannes staat: “Ook jullie moeten Mijn getuigen zijn.” We kregen niet alleen een opdracht. Iemand een opdracht geven en hem daarna aan zijn lot overlaten, is niet erg christelijk. We kregen mét de opdracht ook de kracht daartoe. Jezus zegt: “U zult de kracht krijgen van de Heilige Geest om van Mij te getuigen.”  En daarom sta ik hier.

 

We moeten de strijd aangaan met de kwade machten van deze tijd: geldzucht, drankzucht, financiële, politieke en morele onverantwoordelijkheden, maar ook belemmerende politieke en soms ook kerkelijke structuren. We moeten zieken genezen, partijkiezen voor de zwakkeren, de hand reiken aan mensen die hulp nodig hebben, geld en middelen geven aan goede doelen. Dat is onze opdracht. We moeten een nieuwe taal spreken, een taal van hoop, een taal van vergiffenis en van bemoediging. De taal van paus Franciscus.

 

Onlangs overleed Jules Schelvis. Hij was een van de weinig overlevenden van het nazivernietigingskamp Sobibor. Ik hoop dat u de aangrijpende documentaire “De laatste trein naar Sobibor” ook hebt gezien. Indrukwekkend. Vanaf de ingangspoort van het kamp tot aan de gaskamers loopt een weg. De joden die per trein aankwamen, liepen direct door naar de vernietiging. Die weg heet nu de Hemelvaartsweg. De weg naar de hemel, de weg naar de bevrijding, de weg naar een beter leven. Het is enerzijds wrang, maar anderzijds een hele mooie benaming voor de weg die u en ik niet graag gelopen hadden. En vandaag vieren we toevallig Hemelvaartsdag en Bevrijdingsdag tegelijk. Voor de mensen uit de kampen van toen, zal Hemelvaart een bevrijding zijn geweest. Niet gewenst, maar wel om te herdenken. Leven in vrijheid. Wat een groot goed! Dat moeten we koesteren en er zo nodig voor vechten.

 

De tijd van werkeloos naar de hemel staren is voorbij. Maar mocht je ondanks alles denken dat je nóg niet voldoende bent toegerust, ga dan vanaf vandaag negen dagen bidden om de Heilige Geest, zodat de vlam van Pinksteren mede door jouw toedoen als een lopend vuurtje hier door de parochie, hier door De Pijp, door heel Amsterdam en door de wereld zal gaan.

 

Amen

 

Verkondiging

                                                                                                                                    

op 1 mei 2016, de zesde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (15, 1-2 + 22-29), het boek der Openbaring van Johannes (21, 10-23) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (14, 23-29).

 

Zoveel hoofden, zoveel zinnen.

 

Ja... dat kun je wel zeggen.

 

Op de televisie wemelt het van de talkshows: programma's waarin bij wijze van informatie én amusement vooral gepraat wordt - onder leiding van Jinek, Pauw, Mathijs, Umberto, Tijs enzovoort. Het is een strijd om aandacht: Wie worden daarvoor gevraagd? Dus: Word ik gezien? Word ik gehoord? En áls mensen gevraagd worden: Hoe komen ze dan over? Wie is het sympathiekst? Wie is het best gebekt? Welke mening wint? Wie wijzen de peilingen als winnaar aan? Hoe gedraagt de machtige maar grillige, onberekenbare publieke opinie zich? Het is voor politiek Den Haag én voor Brussel allemaal van groot belang.

 

Wij leven in zoals dat heet 'een democratie', de macht is aan het volk. En hoe wordt die macht van het volk gerealiseerd, hoe drukt de stem daarvan zich uit? Het gebeurt in de verkiezingen voor de volksvertegenwoordiging, het parlement met al z'n politieke partijen. Het gebeurt in het referendum waarvan we er onlangs nog één hadden in verband met het associatieverdrag tussen de EU en de Oekraďne. Én het gebeurt in de media, rond de tafels waaraan de gastheren en enkele gastvrouw, want op dit terrein zijn vrouwen toch ook weer wonderlijk ondervertegenwoordigd; het gebeurt aan die tafels waaraan zij hun sympathieke en minder sympathieke, welbespraakte of minder welbespraakte, overtuigende of minder overtuigende gasten ontvangen: al die talking heads, al die pratende hoofden in een kakafonie van visies en meningen.

 

Zo gaat dat in de wereld, in όnze wereld tenminste. Want in China, Noord-Korea, Rusland, Turkije en Saoedie-Arabië en de meeste landen is dat een heel ander verhaal, dat wil zeggen: Daar zul je op de t.v.schermen ook wel oneindig veel pratende hoofden zien, maar wat ze in zulke landen daarop wel en niet kunnen en mogen zeggen, dat wordt door de machthebbers achter de schermen strak geregisseerd. Bij ons is dat minder het geval, hoewel we deze factor ook bij ons niet moeten onderschatten. Want: welke rol speelt bijvoorbeeld ook bij ons het bedrijfsleven? Welke rol spelen de economische machthebbers? Bekend is bijvoorbeeld de situatie van de populaire Volkskrant-journalist Martin Bril die in zijn columns regelmatig getuigde van zijn liefde voor auto's van het merk Volvo - en die er zich, zoals na de voortijdige dood van Bril bleek, door de fabriek vanwege verleende diensten ook maar één cadeau had laten doen.     

 

Zoals gezegd, veelgeliefden: Zo gaat dat dus in de wereld.

 

En hoe gaat het in de kerk, binnen de geloofsgemeenschap? Hoe wordt daaraan leiding gegeven? Hoe worden dáárbinnen de beslissingen genomen? Hoe gebeurt dat feitelijk? En hoe zou het mόeten gaan?

 

Over die laatste vraag (Hoe zouden beslissingen binnen en vόόr de geloofsgemeenschap genomen mόeten worden?) bestaat binnen onze kerk, de Roomse, veel verschil van mening en leeft er veel onvrede. Want: de geloofsinhoudelijke beslissingen worden in de kerk genomen door de priesters: door de paus, door de bisschoppen en op parochie-niveau door de pastoor, met twee 'o's'. Over hen wordt binnen de kerk vaak veel geklaagd, gelukkig minder over de paus tegenwoordig, maar over de kardinaal, Eijk, nog altijd wel veel. En over de bisschop en over de pastoor? - Die vraag mag u zelf beantwoorden.

 

Naast de pastoor heb je voor met name de materiële zaken het parochiebestuur waarvan de pastoor qualitate qua, uit hoofde van zijn functie, de voorzitter is. In het parochiebestuur kan ook gesproken worden over niet-materiële zaken. Dat recht hebben de parochiebestuursleden: om de pastoor daarover te adviseren. En datzelfde kan ook gebeuren in het kader van een zogenaamde 'parochievergadering' waarvan de leden idealiter door de parochianen gekozen worden, zoals zij zich ook mogen uitspreken over de keuze van de parochiebestuursleden. Maar in de praktijk van veel, misschien wel de meeste Nederlandse parochies bestaat er feitelijk geen parochievergadering en zijn er (dus) ook geen gekozen vertegenwoordigers van de parochianen.

 

Zo zit het ongeveer in elkaar en werkt het ongeveer dierbare gasten en parochianen. Maar... werkt het zo goed? goed genoeg? Zou het niet anders kunnen en zelfs moeten? Dat is de vraag.

 

In onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen, kregen wij een interessant inkijkje in hoe het wat dit betreft ging in de begintijd van de kerk, toen deze nog heel dicht stond bij haar oorsprong binnen het jodendom en zich van de synagoge nog maar pas had losgemaakt. Ook toen, in die tijd, was het al hommeles. Er is sprake van "opschudding", van "heftig dispuut" en van een "strijdvraag" - waarόver dat laten we nu maar even in het midden. Maar... dat wij daarmee in onze tijd dus ook regelmatig te maken hebben, met onenigheid, dat mag ons dus niet verbazen. Zonder strijd gaat het blijkbaar niet. Strijd hoort blijkbaar bij het leven, ook bij dat van de kerk dus.

 

Maar: Hoe ging de christelijke gemeenschap detijds daarmee om? Onderling kwam men er in de situatie die in de Handelingen van de Apostelen vandaag aan de orde is; onderling kwam men er duidelijk niet uit of achtte men zich ook niet bevόegd om over de kwestie die speelde te beslissen - omdat die ongetwijfeld ook in andere pas ontstane christelijke gemeenschappen kon opkomen en spelen. En men realiseerde zich: Wij staan niet op onszelf maar zijn wezenlijk met die andere gemeenschappen verbonden en willen daarmee dus ook voeling houden en niet op eigen houtje opereren. Aan Paulus en Barnabas werd daarom de opdracht gegeven om de kwestie waar het om ging voor te leggen aan "de apostelen en oudsten in Jeruzalem" en daarmee aan de centrale gezagsinstantie destijds. In Jeruzalem spreekt men erover. En, ik citeer, "daarop besloten de apostelen en oudsten in overleg met heel de gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas (...) te sturen, Judas (...) en Silas (...)". De heren krijgen een brief mee. Daarin wordt gemeld dat men in Jeruzalem "eenstemmig besloten" heeft om deze Silas en Judas af te vaardigen, mannen "die zich met hart en ziel inzetten voor de naam van onze Heer Jezus Christus". En dan staat er "zij zullen u dezelfde boodschap" (die dus ook al in de brief stond!), zij zullen die boodschap "ook mondeling overbrengen". Kijk veelgeliefden... dat is nog eens zorgvuldig communiceren... Behalve de schriftelijke communicatie ook nog eens de rechtstreekse communicatie van mens tot mens. En dan, als kers op de taart, klinken vervolgens de volgende plechtige, zelfbewuste en zelfs enigzins triomfantelijke woorden - Houd u vast! - : "De heilige Geest en wij hebben besloten u geen enkele last op te leggen dan alleen wat strikt noodzakelijk is." 

 

"De heilige Geest en wij". Dat is nog eens een beslissing derhalve die gedeeld en breed gedragen wordt: De hemel en de aarde staan er achter...

 

Wat kunnen wij hiervan leren met het oog op onze eigen omstandigheden?

 

Ik haal er een aantal dingen uit:

 

1. Dat er op bepaalde punten verschil van inzicht kan zijn en dat zulks gemakkelijk tot onenigheid en frictie kan leiden, dat is normaal. En het hoeft ook geen ramp te zijn - als je er maar goed mee om gaat.

 

2. Ook voor ons geldt: Wij staan niet op onszelf. Wij zijn als parochiegemeenschap geen monade. Het is goed als iedereen zich thuisvoelt in de kerk en in de parochie. Maar het is niet goed als iedereen daarbinnen maar zijn en haar eigen gang gaat zonder voeling te houden met het grotere geheel. Wij maken deel uit van dat grotere geheel van de diocesane en universele kerk waaraan door de bisschoppen als de opvolgers van de apostelen leiding gegeven wordt. Het is dus belangrijk om de bisschoppen en op de eerste plaats die van onszelf, onze eigen bisschop dus: om die in zijn en hun verantwoordelijkheid voor het grotere geheel en daarmee dus ook voor ons te erkennen en te respecteren.

 

3. Die "apostelen en oudsten", voor ons in onze tijd geconcretiseerd in de persoon van onze bisschop en in 'Haarlem', 'het bisdom', de bisschoppelijke curie, zij staan ook ten dienste van ons. Zij zijn er ook voor ons - of zouden dat dienen te zijn in elk geval. Wij hoeven dus niet te schromen om op 'Haarlem' een beroep te doen als er kwesties zijn waar wij met elkaar niet uitkomen en met name niet als het belangrijke kwesties betreft die ook het grotere geheel van de kerk raken en aangaan.

 

4. Over het doen van zo'n beroep op 'Haarlem', zoals eertijds op Jeruzalem, zouden we het bij voorkeur wel met elkaar eens dienen te zijn. Zo was het destijds ook. Liefst samen dus zo'n beroep en niet op eigen houtje - al was het maar omdat men in Haarlem ook méér te doen heeft.   

 

5. Zorgvuldig communiceren. Schriftelijke communicatie, per brief of per e-mail, en mondelinge communicatie, contact van mens tot mens, ook binnen groter verband, hebben elk een eigen kwaliteit, vullen elkaar aan en kunnen elkaar versterken. Dit geldt voor de communicatie die wij hebben met 'Haarlem', maar uiteraard ook reeds voor onze communicatie onderling.

 

Aan onze evangelietekst, van Johannes, ontleen ik tenslotte nog enkele andere punten die hierop aansluiten:

 

6. Jezus zegt: "Als jullie mij liefhebben, zou het jullie met vreugde vervullen dat ik heenga naar de Vader." Als jullie mij liefhebben... Met andere woorden: Vanzelfsprekend is dat niet - dat wij, u, jij, ik, Jezus liefhebben. Maar als wij Hem liefhebben, als jij Hem liefhebt, dan ervaar je vreugde. En dan ervaar je vertrouwen - vanwege ook die mysterieuze "Helper" die de Vader in Jezus' naam zenden zal, steeds opnieuw denk ik. De Helper, de heilige Geest, deze "zal jullie verder in alles onderrichten: Hij zal jullie alles laten begrijpen wat ik jullie gezegd heb." Vreugde, vertrouwen en tenslotte: Vrede! De drie v's... "Vrede laat ik jullie na, mijn eigen vrede geef ik jullie. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen." Dat zegt Jezus. Het zijn geruststellende, aanmoedigende en aansporende woorden die Hij spreekt en in die zin zeker niet overbodig, ook niet in onze tijd. En hiermee stelt Jezus een vraag aan elk van ons: Ervaren wij in ons leven samen als kerkgemeenschap en ervaar jij binnen die gemeenschap maar ook daarbuiten; ervaren wij en ervaart elk van ons genoeg vreugde, vertrouwen en vrede? Heeft ons, heeft jόuw leven die kwaliteit?    

 

Jezus zegt: "Mijn eigen vrede geef ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft."

 

Wat bedoelt Hij daarmee?

 

Ik denk, veelgeliefden, dat wij in dit verband ook mogen denken aan de woorden van onze tweede lezing vandaag, uit de Openbaring van Johannes. Daarin werd ons geschilderd hoe "de heilige stad, Jeruzalem, (...) vanuit God uit de hemel neerdaalde, stralend van God heerlijkheid." Wat een beeld! En wat een contrast inderdaad met al die talking heads, al die pratende hoofden bij Eva, Jeroen en Umberto en overal, ook in de kerk. Maar dat neerdalen van die heilige stad gebeurt in stilte. Let all mortal flesh be silent. Laat iedereen nu z'n mond houden - en zien hoe die stad vanuit God uit de hemel neerdaalt.

 

Gaat het hierbij, veelgeliefden, om toekomstmuziek? Ja vast. Maar toch ook niet uitsluitend. Nee, ik denk en ik ervaar: Tijdens de viering van de heilige eucharistie maken wij dat in elk geval elke zondag mee. De stilte na de consecratie, de heiliging waardoor brood en wijn tot Lichaam en Bloed van Christus worden. Daarin zit het. En daarin gebeurt het. Op dat moment dáált die heilige stad neer en ontvángen wij reeds Christus' vrede die inderdaad een heel andere is dan die welke de wereld te bieden heeft.

"Die stad heeft het licht van zon en maan niet nodig, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en haar lamp is het lam." Dat zegt Johannes. Hij heeft het over Jezus. Dat lam ís Jezus. En Hij, Jezus, is en wordt in elke viering van de heilige eucharistie opnieuw: de onze. En van daar uit, vanuit Hem, zijn en worden wij steeds opnieuw kerk en parochie.

 

Wat is een parochie? De codex, het kerkelijk wetboek, stelt: "De parochie is een bepaalde gemeenschap van christen-gelovigen, (...) duurzaam opgericht, waarover de herderlijke zorg, onder het gezag van de diocesane bisschop, aan een pastoor als haar eigen herder is toevertrouwd." Dat het, dat de parochie, ons vreugde, vertrouwen en vrede mag schenken. Dat we dat alles er aan mogen ontlenen en beleven. Dat we het mogen beleven: aan God, aan Jezus, aan beider Geest, aan de bisschop, aan de pastoor en aan elkaar. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                                                   

op 24 april 2016, de vijfde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (14, 21-27), Psalm 145 (ged.),  de Openbaring van Johannes (21, 1-5a) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (13, 31-33a.34-35).

 

Een hot tub - zo'n groot warm bad in de tuin.

 

Of: de sauna.

 

Taartjes!

 

Haring met dillesaus.

 

Zalm uit de oven.

 

Grand Marnier. Bénédictine. Advocaat met slagroom.

 

Of de kinderen misschien: Patat met mayonaise! Pizza! Spinazie! Spercieboontjes! Spruitjes! Tomaten!

 

Heerlijk! Waar denk jij, waar denkt u aan bij het woord 'heerlijk'?

 

In de korte evangelielezing van deze zondag, dierbare gasten en parochianen, in die korte lezing hoorden wij dat woord 'heerlijk' maar liefst vijfmaal: 'verheerlijken', 'verheerlijkt'.

 

In het Johannes-evangelie zitten we met dat woord 'heerlijk' helemaal in de sfeer van God. Heer-lijk: wat met de Heer te maken heeft. 'Heerlijk', dat is: wat en wie het gewicht, het volle gewicht heeft van God. Ja, 'heerlijk' - dat maakt zwaar. Heerlijk is zwaar, in die zin. In zijn evangelie doet Johannes Jezus vandaag spreken over zichzelf in relatie tot God in de derde persoon: "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken." Er is een va-et-vient, een heen en weer, interactie tussen Jezus en God. Zij doordringen elkaar en gaan in elkaar op.

 

De woorden worden vandaag gelezen omdat dit al de vijfde zondag van Pasen is. Jezus is tot Zijn leerlingen teruggekeerd als De Verrezene. Al een tijdlang gaat Hij in een nieuwe hoedanigheid maar nog heel zichtbaar, hoorbaar en tastbaar met hen om. Maar nu loopt die tijd op een einde. Hij staat op het punt nu verder weg te raken en dieper in God op te gaan. Donderdag over een week is het Hemelvaartsdag. Hij, Jezus, gáát. Wij blijven. En nu op de valreep zegt Hij nog één keer, vat Hij nog één keer samen wat het belangrijkste is, waar de achterblijvenden vooral, op de eerste plaats aan moeten blijven denken, wat ze goed in hun oren moeten knopen. Hij zegt: "Een nieuw gebod geef ik jullie: jullie moeten elkaar liefhebben; zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben."

 

Het liefdesgebod. Dat heeft iets paradoxaals. Want: je kunt toch niet liefhebben op commando? Je kunt toch niet liefhebben omdat het moet? Heb lief of ik schiet! Dat werkt toch niet?

 

Kijk maar naar onszelf hier. Kijk maar eens om je heen. Hoe goed kennen wij elkaar? Van de mensen die hier en nu aanwezig zijn ken je er misschien een aantal, de één beter dan de ander, sommigen misschien alleen maar van gezicht, anderen omdat je ook wel eens een enkel woord of méér woorden met hen gewisseld hebt, na de viering bij de koffie of op het kerkplein. Maar er zijn hier en nu misschien ook mensen die je vandaag voor het eerst ziet, wildvreemden dus. Het zijn misschien toeristen. Toch horen wij bij elkaar. Want onze kerkgemeenschap hier staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een veel grotere, ja over de hele wereld verspreide gemeenschap die door de tijden trekt. Van de mensen die je hier wel kent, daarvan ligt de één je misschien meer dan de ander en vind je hen in verschillende gradaties aardig, variërend van 'heel erg' tot 'niet zo'. Er zijn misschien mensen naar wie je toe trekt en met wie je gráág omgaat en praat én er zijn misschien mensen die je misschien liever vermijdt, tegen wie je niet weet wat je tegen hen zou kunnen, willen of moeten zeggen en om wie je geneigd bent met een boogje heen te lopen. Ja, je kunt je afvragen: in hoeverre zijn wij als geheel van mensen werkelijk een gemeenschap? Zijn we niet eerder een verzameling individuen en van eilandjes van mensen die met elkaar klitten? Let wel veelgeliefden: Ik geef hier geen mening over ons samen maar ik stel u en mijzelf hier een vraag. En laat ieder van ons daar zelf een antwoord op geven, op die vraag, nú in de stilte van eigen hart en geest en zodadelijk bij de koffie kunnen we er desgewenst over uitwisselen - of niet en dat is dan natuurlijk ook een antwoord.

 

Ja, de schriftlezingen vandaag nodigen ons erg uit om stil te staan bij hoe wij met elkaar omgaan. Is dat in de sfeer van God of heerst er een andere sfeer? "Jullie moeten elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad" zegt Jezus. En hoe is dat dan? Hoe heeft Jezus ons dan liefgehad? Wij mogen het misschien invullen vanuit de psalm, de 145ste, die wij samen gebeden hebben. Daarin hoorden wij: "De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig. De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte."

Vraag: Karakteriseren deze kwaliteiten ook onze omgang hier met elkaar en met mensen die er op dit moment niet zijn en met mensen buiten onze kring? Hoe liefdevol, meelevend, ja mede-lijdend, 'lankmoedig' oftewel geduldig, 'zeer goedgunstig', bezorgd en barmhartig zijn wij onderling en voor elkaar - hier in dit huis, in deze kerk om te beginnen? Hoe doen wij het wat dit betreft? Doen we het goed? Doe jij het goed? Of kan het misschien beter? Valt er aan jou en aan mij op dit punt nog wat bij te schaven? Kunnen we er zo nodig nog een tandje bij zetten en als warme, liefderijke, gastvrije, hartelijke gemeenschap groeien? "Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat jullie mijn leerlingen zijn", zegt Jezus: "als jullie de liefde onder elkaar bewaren." En doen wij dat? Bewaren wij die liefde? Hoe voelen wij voor en met elkaar? Hoe denken wij over elkaar? Hoe spreken wij met en over elkaar? Hoe schrijven wij aan en over elkaar in brieven en e-mails? Ja... Hoe doen we het?

 

De geloofwaardigheid van God, dierbare parochianen en gasten, die geloofwaardigheid is en wordt voor een heel belangrijk deel aan όns toevertrouwd en in handen gegegeven. Maken wij God waar? Of wordt God door ons tot een ongeloofwaardige figuur, een schertsfiguur en is het eerder een parodie op God, een farce die wij ervan maken? Hoe echt en geloofwaardig is het allemaal, die kerk van ons? Verschijnt God, verschijnt Jezus werkelijk in en door ons? Of verduisteren wij eerder het zicht op Jezus, op God? Om dat soort vragen gaat het.

 

In de eerste lezing uit het boek der Handelingen van de Apostelen hoorden wij hoe Paulus en Barnabas in de verschillende pas door henzelf gestichte christelijke gemeenschappen "de leerlingen in hun goede gesteldheid bevestigden, hen aanspoorden in het geloof te volharden" en dat zij zeiden "dat wij door vele kwellingen het Rijk Gods moeten binnengaan". Ja, zo is dat, nog altijd. Het valt soms niet mee. Wij kunnen ons soms echt gekweld voelen, ook door elkaar. Maar de vraag is dan altijd: Kunnen we daar ook doorhéén groeien? En zou ook een andere, veel fijnere, ja een geweldige, een heerlijke ervaring met elkaar niet mogelijk zijn? Vast veelgeliefden, vast. Ik geloof daarin.

 

Paulus en Barnabas "stelden na gebed en vasten oudsten voor hen aan, en vertrouwden hen toe aan de Heer in wie zij nu geloofden." 'Oudste', dat is in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, 'πρεσβυτέρος'. Ons woord 'priester' is daarvan afgeleid. Ik voel mij in dit verband dus zeer aangesproken. Ik voel mij verantwoordelijk - in de allereerste plaats om te bevorderen en te waarborgen dat Jezus' liefdesgebod binnen onze gemeenschap zo goed mogelijk doorwerkt, uitwerkt en tot z'n recht komt. Maar ik doe dat in het gelukkige bewustzijn dat wij allen, u en ik, net als die allereerste christelijke gemeenschappen aan de Heer zijn toevertrouwd. Dat is dus al gebeurd. Het is er al. Wij zijn er ook al. Hij zorgt voor ons. In dat vertrouwen mogen wij dus met een gerust hart geloofsgemeenschap zijn.

 

"Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. (En) Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: 'Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij." Die woorden, heerlijke woorden veelgeliefden, hoorden wij in de tweede lezing, uit de Openbaring van diezelfde Johannes aan wie wij ook het naar hem genoemde evangelie danken. Is het toekomstmuziek die Johannes in die Openbaring voor ons speelt?

 

Zeker... Vast!

 

Maar... ik denk: als het goed is, dan zouden wij die heilige stad die van God uit de hemel neerdaalt, Gods woning onder de mensen, όόk al enigzins en het liefst uiteraard zoveel en uitbundig mogelijk moeten kunnen ervaren in ons kerk-zijn hier op aarde, heel concreet ook hier op deze plek, binnen onze gemeenschap, die van de Rozenkranskerk en -parochie: de Obrecht!  

 

Het liefdesgebod. Heerlijk is dat. Dus: Geloof er maar in. Vertrouw er maar op. Gehoorzaam eenvoudig dat gebod. Gedraag je ernaar. Doe het. En dan komt het gevoel vanzelf wel - όόk voor de mensen die jou a priori minder of helemaal níet liggen of die je mogelijk zelfs verafschuwt en eerder haat, mensen die voor jou een groot probleem vormen - maar die jou misschien ook een spiegel voorhouden en bij jou de vinger op de gevoelige plek leggen, die jou confronteren met wat je in en van jezelf niet wilt zien en niet wilt weten. Dat zou όόk kunnen.

 

"Hij die op de troon is gezeten sprak: 'Zie, ik maak alles nieuw.' " Nou veelgeliefden: Ik ben benieuwd! Amen.

 

Verkondiging

 

op 10 april 2016, de derde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5,27b-32.40b-41), Psalm 30 (ged.), het boek der Openbaring van Johannes (5,11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (21,1-19).

 

Zeer ontevreden, dierbare gasten en parochianen, zeer ontevreden was één van ons over de viering van Eerste Paasdag hier in onze kerk - en dan speciaal wat betreft mijn aandeel daarin. "Een aanfluiting" vond de persoon in kwestie verschillende aspecten van mijn spreken en doen. De door mij gehouden verkondiging was "geen paaspreek" zo werd geoordeeld.

 

Tja...

 

Voor degenen die er niet bij waren of het zich niet meer herinneren: Ik heb in het kader van die verkondiging op Eerste Paasdag gesproken over een door haar man verlaten vrouw. Ik zag in haar situatie een overeenkomst met die van Maria Magdalena, vriendin van Jezus, die óók door Hem verlaten was - zij het om een heel andere reden uiteraard. Want Jezus werd vermoord en de man van de vrouw over wie ik sprak 'had een ander', maar toch... Beíde vrouwen, zowel Maria Magdalena als de vrouw in het huidige Amsterdam, beiden voelden zij zich beroofd, in de steek gelaten en intens verdrietig. Dat was voor mij het punt van over-eenkomst. Maar degene van wie ik die zeer kritische feed-back, zo mag ik wel zeggen, mocht ontvangen, die zag dat niet zitten: "Die relatie van die vrouw die jij goed kent, heeft niks te maken met de verrijzenis van Jezus" merkte deze op. Zelf had ik toch nóg een verband gezien, want zoals Maria Magdalena na Jezus' dood opnieuw door Hem, door Jézus werd aangesproken, zo voelt die vrouw die ik ken zich nog altijd aangesproken door haar goede vader die een paar jaar terug overleed. Haar Vader en De Vader, die van Jezus en van ons allen, ze zijn voor deze vrouw met elkaar vergroeid geraakt. Beide vrouwen, Maria Magdalena en zij, ervaren dus contact 'voorbij de dood' - óver de grens van de dood heen. Mij persoonlijk, zo moet ik zeggen, hélpt zo'n verhaal van iemand die nú leeft om misschien een beetje beter te begrijpen waar het in de bíjbel om gaat, óók waar het de verrijzenis van Christus betreft.

 

Het moge echter duidelijk zijn, dierbare gasten en parochianen, dat dit niet heeft gegolden voor de persoon die mij die ongezouten kritiek gaf, ja die mij onder uit de zak gaf. Die persoon had hier op Eerste Paasdag bepaald geen verrijzenis-ervaring gehad, maar was er alleen maar opstandig van geworden.

 

Ik was de persoon in kwestie echter oprecht erkentelijk dat die mij, wiens schuld het allemaal was in diens beleving, dat deze mij hiervan rechtstreeks zélf op de hoogte stelde. Want dat maakt het mogelijk om erover na te denken en er verder over te communiceren, ook in het kader van de verkondiging, want wie weet hadden wel meer mensen onder u op die Eerste Paasdag een vergelijkbare beleving. Misschien heb ik voor méérderen onder u toen de plank wel volledig misgeslagen...

 

Gelukkig is er bij God, in de kerk en hopelijk ook bij de mensen altijd een herkansing. Opnieuw zijn wij hier in het licht van Pasen bijeen. En, zo vraag ik mij dan nu af: Wát heeft mijn preek-criticus op Eerste Paasdag níet gehoord wat deze wel absoluut noodzakelijk vindt óm te horen in verband met Pasen? De persoon in kwestie schreef: "Volgens de evangelist "zei de engel tegen de vrouwen: 'Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus. Hij is niet in het graf. Want Hij is opgestaan uit de dood, zoals Hij gezegd heeft."

 

Inderdaad is dat de paasboodschap.

 

En kunnen en moeten we er mee volstaan, dierbare gasten en parochianen; moeten we er mee volstaan om die boodschap maar gewoon te laten voor wat ze is, die maar zo letterlijk mogelijk nemen, er verder geen vragen bij stellen en niet proberen om in die boodschap dieper door te dringen? Jezus was dood en nu leeft Hij weer. Zo simpel is dat. Punt uit.

 

Ja... dat zou natuurlijk kunnen. Maar ik ben bang: veel mensen zijn daar toch niet tevreden mee en die zitten zo toch niet in elkaar. Veel mensen hebben wél allerlei vragen bij die paasboodschap en willen die vragen denk ik wél gesteld hebben en erover mijmeren, medi-teren en spreken. In elk geval geldt dat voor mij. Een dode die terugkomt, dat is toch onbe-staanbaar! Dat kan toch niet! En als het voor en met Jezus wél zou kunnen, waarom dan niet voor mijn lieve vader en voor mijzelf als het zover is? Wat is precies de aard van dat terug-komen van Jezus? Hoe aboluut is eigenlijk de grens tussen leven en dood en tussen dood en leven? Als Jezus dan verrezen is, waar is Hij dan nu? En is Hij daar alleen? En maakt Hij in deze tijd ook nog contact met mensen? Is er communicatie mogelijk tussen deze en gene zijde van de dood? Ja, dat zijn zo van die vragen die bij ons op kunnen komen als wij werkelijk stilstaan bij wat we in de paasevangeliën te horen krijgen.

 

Zo ook vandaag. Net als op de Eerste Paasdag hoorden wij een tekst, een lange tekst, uit het Johannes-evangelie. "Toen het reeds morgen begon te worden stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was." Wonderlijk dat laatste en: precíes zoals op paasmorgen met Maria Magdalena. Ook zíj zag Jezus. Maar ook zíj herkende Hem aanvankelijk niet. Ze dacht dat het de tuinman was, zo staat er. Blijkbaar zag Jezus er dus anders uit dan voorheen. Hij leek een vreemde. Ze herkende Hem blijkbaar niet aan Zijn ge-zicht en gestalte. Zó ook hier aan de oever van het meer. Ongeveer honderd meter van de kant zitten de leerlingen met z'n zevenen in de boot. Ze zijn gefrustreerd en gedeprimeerd, want ze hebben niets gevangen.

 

Is het dáárom dat ze Jezus niet herkennen: vanwege hun eigen gemoedsgesteldheid? Dat zou natuurlijk kunnen. Zien en geloven is denk ik gemakkelijker voor wie zich zonnig, opgeruimd en opgewekt voelt, dán voor wie somber, lusteloos en knorrig is. 'Ópgewekt': het woord zegt het eigenlijk al. Dat is al bijna: opgestáán. Jezus roept, van enige afstand dus, de leerlingen toe. Hij stelt ze een vraag: "Vrienden, hebben jullie soms wat vis?" Die vraag klinkt vriendelijk, bescheiden én opgewekt. En vervolgens, na het "nee" van de leerlingen, geeft Jezus een aanwijzing: "Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge wel iets vangen". En dan is er opeens overvloed. En dán herkent "de leerling van wie Jezus veel hield" in die vreemde op het strand de Heer. Hij herkent Hem, nog niet eens door Zijn stem, maar door het effect van Zijn woorden, door die overvloed.

 

Ik denk: wat we daar horen en zien gebeuren, dat is ook erg belangrijk voor ons. Als wijzelf in ons leven te maken hebben met mislukking, met schaarste en schraalheid en met alle weinig vrolijk stemmende gevolgen van dien, dan is het zaak om je door Jezus' woorden vandaag ook persoonlijk te laten aanspreken. Hij heeft het tegen jóu. Hij heeft het óók tegen jou: Wanhoop niet. Geef de moed niet op. Geef de mensen niet op. Geef jezelf niet op. Geef elkaar niet op. Probeer het, aangemoedigd door Jezus, gewoon nog eens opnieuw. Gun jezelf en de anderen een nieuwe kans. En dan zul je eens zien...

 

Wonderlijk gegeven: als de leerlingen aan land zijn gekomen, dan blijkt daar al een houts-koolvuur te zijn aangelegd, mét vis en brood er op. Waar Jezus naar had gevraagd, wat Hij van Zijn leerlingen, van ons dus ook, wilde en wil hebben, dat was en dat is reeds aanwezig. En dan vraagt Hij toch nog wat van die vers gevangen vis! Zo komen dus het onze en het Zijne bij elkaar in dat eerste paasontbijt op het strand. "Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven" bidden wij altijd bij de gavenbereiding tijdens de viering van de eucharistie. En ik denk: dat heeft ermee te maken - met wat we horen en zien dat daar op dat strand gebeurt. God en mens komen samen en bekrachtigen elkáár. Zonder God, zonder geloof in God, dat wil zeggen: zonder geloof in Jézus voor ons - ben je gemankeerd, ben je geamputeerd, ben je maar half mens, doe je het leven tekort en begrijp je het maar half. Om het leven in z'n volheid en overvloed te kunnen ervaren is geloof, is God, is Jezus nódig.

"Komt ontbijten" zegt Hij. En dan komt er bij Johannes weer zo'n eigenaardig iets, een vreemde zin: "Wetend dat het de Heer was durfde geen van de leerlingen Hem te vragen: 'Wie zijt Gij'?" Ja wat is dát? zou je zeggen. Het moet toch van tweeën één zijn: Ófwel je weet wie iemand is en dan hoef je het hem of haar ook niet meer te vragen wie hij of zij is. Ófwel je weet het niet en dan vraag je het gewoon. En waarom zou je dat niet durven? Vanwaar die schroom bij de leerlingen? Het is toch Jezus, hun vriend? Of is Hij het toch niet? Zoals gezegd, veelgeliefden: eigenaardig.

 

Of je kunt ook zeggen: mysterieus. Jezus' verschijning en aanwezigheid voor en na Pasen, dat is blijkbaar toch geen kwestie van 1 staat tot 1 en is 1. Ik denk: De buitenkant van de verrezen gedaante van Jezus is misschien anders. Hij ziet er anders uit. En Hij klinkt ook anders. Verschijning en stem van de verrezen Jezus zijn niet zonder meer herkenbaar als die van Jezus zoals Hij was vóór Zijn dood. Maar Zijn binnenkant is dezelfde gebleven. Het hart is hetzelfde. De liefde die Hem en ons bindt, díe is dezelfde gebleven. Het is vanwege die liefde dat de geliefde leerling Jezus herkent. En het is op het punt van de liefde dat Jezus Petrus ondervraagt: "Heb je me lief, meer dan de anderen hier?". Provocerend dat laatste! - "meer dan de anderen hier". Petrus, en wij, worden door Jezus qua liefde werkelijk uitgedaagd... Hoe groot, hoe sterk is jouw liefde? Als je werkelijk van mij houdt, dan vertrouw ik je alles en iedereen met een gerust hart toe.

 

Hebben wij iets aan deze uitpluizerij van en beschouwing over deze bijbeltekst veelgeliefden? Ik hoop het eerlijk gezegd toch wel. De liefde blijft. Gods liefde blijft. Dus Jezus blijft. Die liefde, Hijzelf, gaat door de dood heen. Die liefde in Hem en de Zijne in ons, die is beslissend, daar hangt alles vanaf.

 

Gisteren hoorden wij in de lezingendienst, dat is het eerste zogenaamde 'officie' waarmee het dagelijks gebed van de kerk begint en dat in elk geval de priesters en de diakens geacht worden te bidden; in die lezingendienst hoorden wij een tekst van John Henry kardinaal

Newman (1801-1890), de grote bekeerling tot het katholicisme in het Victoriaanse Engeland. Graag citeer ik tot besluit van deze verkondiging een klein stukje van de bewuste tekst. Newman schrijft: "Degenen die Christus in zich dragen, kan geen kwaad overkomen. Be-proeving of bekoring, tijd van overvloed, leed, zwaar verlies, zorgen, verdriet, de honende opmerkingen van de vijand, het verlies van wereldse goederen, niets kan 'ons scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer' " Einde citaat.

 

Een mooie tekst veelgeliefden. Maar geen vrijblijvende tekst. Want deze confronteert ons met vragen als: Draag jíj Christus in je? En: ervaar jíj die liefde Gods die is in Christus Jezus onze Heer? En: kun jíj in en vanuit die liefde naar mensen kijken - mensen die misschien heel anders in elkaar zitten en voelen en denken en opereren als jijzelf zoals bijvoorbeeld de preek-bekritiseerder en ikzelf? Kunnen we, heel concreet, toch gewoon een beetje of liefst een beetje veel van elkaar blijven houden, ondanks al onze verschillen? Ik hoop het. God, de verrezen Jezus, sta ons erin bij. Amen.                                                                                                        

 

Verkondiging

 

op 7 april 2016, tweede verjaardag van het martyrium van pater Frans van der Lugt s.j., in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezenen: uit het Boek der Handelingen van de Apostelen (5, 27-33) en het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (3, 31-36)

 

"Kyrië is Syrië. Liturgie gaat over de shit van deze wereld, over de ervaringen van mensen, daar is niks heiligs aan.”

- Aldus onlangs de liturgie-wetenschapper en Bach-kenner Ad de Keyzer in Trouw.

"Kyrië is Syrië."

- Misschien dat we daarmee de hele ellende maar ook de hoop van het land waaraan Frans van der Lugt s.j. zijn hart had verpand wel mogen samenvatten.

Kyrië. God aanspreken: De Heer. Dat doe je omdat er nood is. Maar in die nood heb je tenminste een adres. Zo géldt dat voor gelovige mensen, van welke snit ook.  

Vandaag precies twee jaar geleden gaf Frans zijn leven. Nou ja, dat leven werd hem ontnomen. Levensmoe was hij bepaald niet. Nee, eerder bruisend en sprankelend temidden van de ellende. Zo komt hij over op dat beroemde filmpje in elk geval: ondanks de ondervoeding met een grote geestkracht. Hier ben ik! Hier zijn wij! Horen jullie ons? Wij willen niet dood!

Maar gestorven is hij, vermoord zelfs. En het risico daarop zat natuurlijk volop in de lucht. Maar dat risico heeft hij genomen - min of meer luchthartig is mijn indruk: Van der Lugt. In die zin heeft hij dan zijn leven gegeven. Kyrië is Syrië: voor dat land en z'n mensen is deze man, deze priester, deze Heer-roeper gestorven. Ja, hij heeft dat heel hard geroepen: Heer! Die Heer in elk van ons, in alle wereldburgers, heeft hij aangesproken.

De schriftlezingen die wij hoorden zijn die van de dag, van deze donderdag in de tweede paasweek.  

"God moet men meer gehoorzamen dan de mensen".

Dat regeltje uit het boek der Handelingen van de Apostelen lijkt mij zeker koren op Frans' molen. Ik heb de indruk gekregen: Hij was een eigenzinnig man, zeker niet erg volgzaam waar het allerlei met name kerkelijke, liturgische regels betrof. 

Daar gaat de promotor voor de heiligverklaring nog een zware dobber mee krijgen - mocht dat verlangen om Frans als martelaar heilig verklaard te krijgen überhaupt bestaan of ooit opkomen. Ik vermoed dat hijzelf zoiets niet erg belangrijk, om niet te zeggen: een totale quantité négligable zou vinden. Maar ja... dát gegeven kandideert hem dan natuurlijk juist...

Frans een eigenzinnig man, een man, een christen, een priester, een jezuďet vol hartstocht en vuur vanwege individuele mensen, vanwege de schapen van zijn kudde waar iedereen, christen, andersgelovig of niet-gelovig denk ik bij mocht horen, vanwege het gezelschap van Jezus en vanwege zijn projecten: El Ard, het land- en wijnbouwbedrijf, annex gehandicaptenopvang, annex hotel, de voettochten enzo-voort... Hij was daarin bepaald niet uitgeblust. De burgeroorlog wakkerde zijn gelovig vuur alleen maar aan...

"Je moet God meer gehoorzamen dan de mensen." Natuurlijk is dat een gevaarlijk zinnetje, vooral in verband met eigenzinnige mensen. Want gemakkelijk wordt God op die manier een voertuig van en voor jouw eigenzinnigheid. Als doctor in de psy-chologie zal Frans  zich van dat gevaar zeker bewust zijn geweest. In hoeverre hij er last van had, van godsdienstige ego-inflatie, daar heb ik geen idee van. Dat zoeken ze eventueel t.z.t. in Rome maar uit. Wij gaan daar niet over.

Frans heeft indruk op ons gemaakt, wereldwijd. Stralend en hoopvol bleef hij in Syrië Kyrië roepen en een beroep op ons en de wereld doen. Graag wil ik zelf daarom, zeker op een avond als deze, gráág geloven dat hij juist in en door zijn eigenzinnig-heid gehoorzaam was aan zijn diepste en hoogste inspiraties en daarmee: aan Jezus.

 "Wie afkomstig is van de aarde, blijft tot de aarde behoren en spreekt de taal van de aarde" hoorden wij in onze evangelietekst Jezus bij Johannes zeggen. Wij zijn geneigd, en ook Frans was het denk ik, om hemel en aarde wat minder tegenover elkaar te zetten als Johannes het doet. Frans was meen ik een heel aards mens. Hij hield van de aarde en de mensen, Syrische, Hollandse en andere(n).

Ja, maar toch... "Wie van boven komt", "wie uit de hemel komt staat boven allen." "Hij die door God gezonden werd, spreekt de woorden van God, die zo mateloos zijn Geest schenkt." Ook dat hoorden wij in Johannes' evangelie. En dat gaat dan natuur-lijk over Jezus. Maar wij zien en horen er vanavond ook echt iets van Frans in lijkt mij. Want kon hij temidden van de Syrische ellende niet vol goede moed blijven omdat hij er als het ware ook "van boven", "uit de hemel", "Van der Lugt" naar kon kijken? - naar de aarde en alle mensen en er daarom des te meer van houden? Ik vermoed: zo werkte dat wel bij en in Frans. Werkte ook in hem niet mateloos de Geest, Gods Geest, Jezus' Geest? Ik denk: wij geloven dat...

Maar wij gaan hem hier vanavond natuurlijk niet heilig verklaren. Dat zoeken ze in Rome maar uit!

Wij willen Frans' leven hier vanavond vieren omdat hij van allerlei mensen die nu hier zijn, familieleden en ordebroeders; omdat hij van hen hield en zij van hem. Wij vieren hem omdat hij indruk op ons heeft gemaakt en hem bij ons willen houden: een stralend mens in de hel van Syrië. Wat een mens. Wat een man. Wat een christen.  Wat een jezuďet. Wat een priester.

Syrië is Kyrië. Ik denk: Ook in en door wie Frans zelf was en in Gods licht is en blijven zal, ook daardoor is en wordt zijn eigen gebed verhoord. Moge dat ook voor ons op de plek en binnen de omstandigheden waarop en waarbinnen wij zelf staan gelden. Amen.

              

Verkondiging

 

op 3 april 2016, Beloken Pasen en zondag van de Goddelijke Barmhartigheid, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 12-16), de Openbaring van Johannes (1, 9-19) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgend Johannes (20, 19-31).

 

Ten little niggers, Tien kleine negertjes - dát is de titel van een spannend boek van Agatha Christie uit 1939. Mijn excuses aan pater Edmund Owusu en onze andere zwarte geloofs-genoten, maar: zó is nu eenmaal de titel van dat boek. Het is genoemd naar een kindervers-je dat in het boek voorkomt, een versje waarin het ene na het andere negertje het leven laat:

 

Tien kleine negertjes gingen uit eten langs verre wegen. Eén stikte in zijn drankje – toen waren er nog negen.

 

Negen kleine negertjes praatten tot diep in de nacht, Eén kon niet wakker worden – toen waren er nog acht."

 

Enzovoort.

 

Ik moest eraan denken, aan die tien kleine negertjes, bij één van mijn laatste ontmoetingen met onze kapelaan Hans Schouten. Hij lag in het AMC. En hij vertelde daar hoe hij in de jaren zestig-zeventig als dominee al bevriend was geweest met vele Roomse priesters - waarvan de een na de ander het ambt had neergelegd. Tien op rij waren het er geweest: tien priesters die Hans persoonlijk goed kende met wie het zo gegaan was. Tien kleine negertjes - tien kleine priestertjes. Hij, Hans, had het verschrikkelijk gevonden. "Dat betekende dat ze niet langer geloofden in de Zoon van God!" riep hij in zijn ziekenhuisbed voorzover zijn zeer verzwakte stem het hem nog toestond om te roepen. Al die ambtsverlating van Roomse priesters destijds wond hem nog altijd op. Snikkend had hij destijds, nadat het nieuws van priestertje nummer tien hem ter ore was gekomen; snikkend was hij destijds op een avond terecht gekomen op de stoep van paters die een huis hadden in de Honthorststraat. Eén van hen, ook een vriend van Hans, was naar buiten gekomen, had hem naar binnen genodigd en had hem getroost. Met grote dankbaarheid en warmte verhaalde Hans het. En wij weten: Al die ambtsverlating en gelóófsafval, in Hans' beleving en visie; het mocht hem dan destijds erg hebben aangegrepen, er was toch geen háár op zijn hoofd geweest die er aan gedacht had om zelf óók maar heen te gaan.  Op zijn tachtigste had bisschop Punt nota bene hemzelf nog priester gewijd, na een héel leven als gereformeerd predikant.

 

Ik hoorde er pas van vlak vóór die priesterwijding. En ik herinnerde mij hem van lang geleden. Dat ik, als middelbare scholier nog of als student; dat ik hem wel eens op de televisie had gezien, als predikant destijds ook al mét priesterboord om, vlammend sprekend temidden van een gezelschap van jongeren. Die moet ik hebben... dacht ik meteen. Ik probeerde hem te bellen, maar kreeg geen contact met hem. Dus wie schetst mijn verbazing toen ik hem de zondag daarop hier in de kerk zag, hier vooraan op één van de stoelen, naast de dikke Piet Quičl die daar ook altijd zat.

 

 

 

 

Ja, dat was toch een soort verschijning voor mij kan ik wel zeggen. Ik was stupéfait. "Ja", zegt hij, "ik kom hier al een tijdje...". Ik wist niet wat ik hoorde. En het was, dierbare gasten en parochianen, het was dus alsof dat zo moest zijn geweest, alsof niet wij dat zo hadden bedacht en georganiseerd, maar alsof dat elders, in de grote regiekamer, zo geregeld was geworden. Wat een vreugde! Wat was ik dankbaar en blij dat hij, Hans, zo op mijn en onze weg gekomen was. En dat ik ook kennismaakte met Jaap Dorland, de levenslange Marker metgezel van Hans, en met Oud Rustenburgh, het erf van omstreeks 1650 aan de Angstel waar zij temidden van allerlei bevriende families woonden: een rietgedekt huis dat mij deed denken aan The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, een huis propvol bijzondere, vaak religieuze voorwerpen waarvan je kon vermoeden: achter al die dingen zit een verhaal. "Een schiettent altijd prijs" zo noemde een tante van mij ooit het interieur van mijn eigen ouders. En bij Hans en Jaap thuis moest ik daar meteen aan denken...

 

Wat hebben wij hier in de Vredeskerk nog vijf mooie jaren met hem gehad... Wat krijgen we nou? En: Wat heb ik nóu aan m'n fiets hangen hebben sommige parochianen zeker gedacht... Want er kwam wel wat binnen met Hans: een bijzondere, kleurrijke figuur, één brok passie, gelóvige passie, een Elia, een Paulus. In de tweede lezing vandaag, uit de Apocalypse, het boek der Openbaring, daar hoorden wij Johannes over zichzelf zeggen dat hij "in geestvervoering raakte op de dag des Heren". Ik denk: zo hebben parochianen en gasten Hans hier vaak meegemaakt. Toch bleef hij tegelijk ook heel gewoon, heel menselijk en gezellig. Hij was een man die graag en veel lachte. Ik denk: Hij is er in die jaren hier toch helemaal bij gaan horen. Hij is één van ons geworden. "Kapelaan" wilde hij genoemd worden. Zo staat het ook op de rouwannonce: "Kapelaan van de Vredeskerk te Amsterdam". Ik ben daar erg blij mee en trots op: dat Hans dat op het eind van zijn leven nog geworden is. Hij heeft dat leven werkelijk ten volle geleefd. Hij heeft er uit gehaald wat er in zat en hij heeft dat ook met ons ten volle gedeeld. Wat een man! En wat een priester... Ondersteund door Henk Ostendorf en Nisan Sarican zoals Aäron en Chur ooit Mozes ondersteunden,  zo strompelde Hans steeds moeilijker naar en over het priesterkoor. Een ander had het waarschijnlijk allang opgegeven. Maar hij niet. En zijn geest bleef sterk, vlammend en vrolijk. "Waar denk je aan? Wat gaat er door je heen?" vroeg ik hem in het AMC. En Hans noemde toen onder andere: al die lieve kaarten die ik vanuit de parochie heb mogen ontvangen. "Ik zou al die mensen nog willen bedanken..." Dat doe ik nu dus maar namens hem...

 

Afgelopen woensdag hebben wij hem op Zorgvlied begraven. In de kerk van de heilige Comas en Damianus te Abcoude was er daarvoor een afscheidsviering geweest en op dinsdagavond werd coram episcopo, in aanwezigheid van de bisschop, de requiemmis gevierd. Na afloop daarvan mocht ik meerijden met Jim Schilder, de kapelaan van de Nico-laasparochie in de Amsterdamse binnenstad en met name verbonden, als zodanig, aan de Nicolaasbasiliek tegenover het Centraal Station, het boegbeeld van katholiek Amsterdam. Ook Jim is trouwens van gereformeerden huize. Hij vertelde, Jim, hoe Hans in één van de kerken waarin hij als priester voorging; hoe hij registreerde hoe een dame die de communie uitdeelde daarbij zei: "Brood voor onderweg". In verband met de communie is dat natuurlijk een mooie en een poëtische  term. Je denkt daarbij meteen aan de lunchpaketten, dierbare motorrijders, die u, die jullie op jullie tochten natuurlijk altijd meenemen. En zo géldt dat ook voor Jezus Christus, Zoon van God. Hij ís ons brood voor onderweg: voor onze reis door-heen dit leven. Hij, Jezus, ís het voedsel voor onze reis, voor ons leven. En toch zinde het Hans niet dat die mevrouw dat zei terwijl zij in het kader van zíjn verantwoordelijkheid de communie uitreikte. "Mevrouw... Het is het Lichaam van Chrístus" zei hij. En toen ze het toch bleef zeggen, "brood voor onderweg", herhaalde Hans het... "Mevrouw...".

 

 

 

"Lichaam van Christus". Dat was het voor hem, voor Hans. En dat is het. Voor minder deed hij het niet. Jezus, Zijn Lichaam, is veertien karaats goud. Martelaren hebben hebben hun leven gelaten voor het geloof in Jezus' werkelijke tegenwoordigheid in het sacrament des altaars. Dus daar mocht geen afbreuk aan worden gedaan vond Hans. En ik ben het daarin geheel met hem eens zo moet ik zeggen.

 

Maar intussen, veelgeliefden, is het natuurlijk niet meer dan logisch en normaal dat niet iedereen daar zo maar in kan komen, in dat geloof, en Jezus' levende aanwezigheid kan ervaren en daarin kan delen. Want vanzelfsprekend en altijd gemakkelijk is dat geloof natuurlijk niet. 'De ongelovige Thomas' zit in een bepaalde mate, meer of minder, zéker in elk mens en misschien ook wel in elke zogenaamde 'gelovige'.

 

Wat mij opviel vandaag in onze evangelietekst, dat is dat Thomas tot drie keer toe "Ik wil" zegt: "Ik wil zijn handen zien, met de gaten en de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet." Zo! Ik heb gezegd! Thomas heeft zijn positie bepaald. Hij heeft de piketpaaltjes geslagen en de condities gesteld: voor God, voor Jezus en voor het geloof in Hem. Thomas heeft zich tot de tanden toe bewapend en zich geharnast: Tot hier en niet verder. Ik wil!

 

Maar bij die woorden "ik wil" denken wij natuurlijk onmiddelijk aan wat Jezus zei in die laatste nacht van zijn leven in de tuin van Getsemane, in die Hof van Olijven waar hij in doodsangst bidt. Op Palmzondag hebben we het hier nog gehoord in het Lucasevangelie: "Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg; maar toch, laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U."  En in het Onze Vader bidden wij, mét Jezus: Uw wil geschiede. En zo is het veelgeliefden. Onze wil, die van u en die van mij, die moet altijd, vroeg of laat, wijken voor een hogere wil - die van God, die van dat ondoorgrondelijk mysterie waarin wij leven, bewegen en zijn.  En die 'hogere wil', veelgeliefden, die brengt met zich mee dat wij allemaal op de één of andere manier dit aardse leven moeten verlaten: grote vuurproef die ons allen aan het eind van ons leven wacht. Maar diezelfde hogere wil, die wil ons er blijkbaar ook van doordringen dat 'leven' nog meer is dan wij denken, menen te weten en in staat zijn om te zien... Thomas, met zijn ijzersterke wil, moet zich er aan gewonnen geven en wat in die zin vóór en met hém gebeurt is dan ook een uitnodiging van Godswege aan elk van ons: om óns, om jouzelf aan Hem, aan God, aan Jezus, toe te vertrouwen.

 

Hans Schouten heeft dat gedaan. "Hoe bent u er aan toe?" had de professor, omringd door co-assistenten aan hem gevraagd in het AMC. "Ik vertrouw mijzelf toe aan mijn Schepper en mijn Verlosser die ik heel mijn leven heb verkondigd" had hij afgemeten en stoer geantwoord. "Ik wou dat iedereen dat kon zeggen" had vervolgens de professor gezegd. Hans vertelde het met nauw verholen tevredenheid en trots.

 

Wij vieren Pasen veelgeliefden, Belóken Pasen. Tulpen, hyacinthen, forsythia... Alles bloeit en dat ruik je. En: "De hemel zingt het hoogste lied, de aarde juicht uit alle macht, de hel barst los in jammerklacht".  Na afloop van deze viering zullen we de motoren weer zegenen. De motorrijders zijn bijna niet te houden. Ze popelen om op weg te gaan, zoals koeien, schapen, lammetjes en kalveren kunnen popelen om de wei in te gaan - en laten we hopen dat ze dat vergund wordt: ook de dieren die zo vaak levenslang blijven opgesloten in hun nauwe hokken waarin ze door hun poten zakken...

 

 

 

Kijk goed uit motorrijders! Kijk goed om je heen, geniet, maar let ook goed op de weg. "Tien kleine negertjes gingen uit eten langs verre wegen" - jullie weten het... En als jullie langs de Angstel rijden en in Baambrugge en daar, midden in het dorp bij de brug, Oud Rustenburgh passeren, denk dan nog eens aan onze kapelaan Hans Schouten. Groet hem. Mét Jezus groet híj júllie: "Ik was dood, en zie, Ik leef tot in eeuwigheid." Moge dat voor ons allen zo zijn. Amen. Alleluia. 

 

Verkondiging

 

Verkondiging  28 III AD2016

 

Lezingen:  Hnd.2: 14 + 22-32, Ps.16, Mt.28: 8-15

 

Motto: men lijdt het meest  het lijden dat men vreest

 

Ga er maar eens goed voor zitten, dierbare gasten, parochianen en niets vermoedende passanten, want de evangelietekst van vanochtend vertelt over een beladen stuk politieke besluitvorming vol list en bedrog.  Zware kost dus.  Maar de lezing bevat daarnaast ook een vreugdevolle boodschap, van Jezus: ‘’weest niet bevreesd; jullie zullen mij zien’’.

 

Die vreugdevolle boodschap komt boven op een misschien nog veel vrolijkmakender reden tot blijdschap:  zo dadelijk mag Jennifer de doop ontvangen en dan wordt zij daarmee ook officieel een kind van God.  Tijdens de Paaswake werden 2 volwassenen gedoopt en nu komt Jennifer hun gezelschap versterken: het gaat helemaal niet zo slecht met de kerk als dat recent verschenen, nogal onwetenschappelijke rapport zou doen vermoeden. Laten wij positief blijven denken en doen. Van harte gefeliciteerd, Jennifer, je ouders en andere geliefden en vrienden.

 

Terug tot de evangelietekst. Twee dingen vallen er in op. Enerzijds de hogepriesters, die hun politiemensen omkopen om het volk met lage leugens te misleiden. Anderzijds de boodschap van de opgestane Jezus aan Zijn leerlingen: ‘’Weest niet bevreesd’’ en dan stuurt Hij hen naar Galilea om Zijn boodschap te brengen. Daar zal Hij ook verschijnen. Een missionaire opdracht met een blijde verrassing dus.

 

Om met het eerste te beginnen.  Overheden, die hun personeel aanzetten of omkopen om het volk te besjoemelen, of zelf jokken  -  het is van alle tijden. Je hoort het heden ten dage ook bij ons dagelijks op het nieuws en zelfs onze heilige kerk heeft dit moeten meemaken.  Vorig jaar op tweede paasdag refereerde ik vanaf dit rostrum aan een prins van de kerk, die op een vraag over seksueel wangedrag van priesters met kinderen reageerde met de tekst  ‘’Wir haben es nicht gewusst’’. Dat bleek niet waar te zijn.

 

Ik ben toen nauwelijks ingegaan op een toch belangrijke vraag: WAAROM loog de kardinaal ?  Eigenlijk maakte ik aldus een ernstige fout, maar het is nooit te laat om voor je fouten uit te komen en je zelf te corrigeren, desnoods een jaar later.  Het sacrament van boete en verzoening, de biecht is er ook niet voor niets, maar dit terzijde. Evenmin legde ik toen uit waarom de hogepriesters in de tijd van Jezus hun gemeenschap lieten voorliegen.

 

De tragiek is dat in beide gevallen waarschijnlijk gedacht werd een hoger doel dan de waarheid te dienen. De kardinaal streefde er naar om op die manier de schade voor de ook door hem geliefde kerk zo klein mogelijk te houden. Ook meende hij wellicht rekening te moeten houden met regels, die gelden voor  priesters.  De encycliek ‘’Laudato Si’’ van paus Franciscus was nog niet verschenen. Onze paus immers schrijft in paragraaf 67, pagina 44 ‘’dat de christenen soms de Schriften op een onjuiste wijze hebben geďnterpreteerd’’.  Als dat zelfs geldt voor de Bijbel, misschien ook voor de evangelietekst van vanochtend  -  zou het dan niet gelden voor kerkelijke regels ? 

 

Laten wij vanochtend eens stilstaan bij de vraag: waren die hogepriesters boeven ?  Duidelijk is dat zij bang waren voor Jezus en Zijn Boodschap, terwijl het zo’n fantastische Boodschap was. En is.  Ja, dat vinden wij.  Jezus leert ons dat alle mensen gelijk zijn, ook bezit- en daklozen, vluchtelingen uit door oorlog verwoeste gebieden, zieken  - hij heeft het dan over melaatsen en wij hebben tegenwoordig drugsverslaafden -  en al die andere marginalen. Niemand zou mogen worden buitengesloten. Maar zo zat de samenleving in zijn tijd allerminst in elkaar. Mensen aan de onderkant van de samenleving werden in Zijn tijd nog erger uitgekakt door zowel de gemeenschap als door de overheid als nu in 2016 in onze maatschappij. Ik vraag mij trouwens af of er werkelijk zo veel verschil is.

 

Evenmin was Jezus voorstander van de prestatiesamenleving, van wat onze geloofsgenoot Jesse Klaver aanduidt als het economisme. Kortom: hij tornde aan de fundamenten van de  gevestigde orde. En dat was in de ogen van de hogepriesters waarschijnlijk niet eens het ergste. Niet alleen de verkondiging van de Mensenzoon vonden zij gevaarlijk; zij vreesden vooral problemen met de bezetter van hun land: de Romeinen.

 

Zolang de bevolking van een door de Romeinen bezet land de onwaarschijnlijk hoge belasting aan Rome betaalde en de keizer als god aanbad  -  zolang was er weinig aan de hand, maar bij het minste geringste verzet was de Romeinse terreur verschrikkelijk.  Dan werden bijvoorbeeld zelfs burgers, die er niets mee te maken hadden, bij duizenden gekruisigd. De verkondiging door Jezus was absoluut apolitiek en deed ten principale ook geen afbreuk aan de strekking van de Thora,  maar Zijn Boodschap was tegelijkertijd en is zelfs in onze tijd revolutionair.

 

Tijdens de tweede wereldoorlog hield de toenmalige aartsbisschop van Utrecht, kardinaal Jan de Jong zijn rug recht tegen de Duitsers. In een brief aan alle gelovigen nam hij o.m. stelling tegen de vervolging van de joden. Een verbod van de bezetter om die brief in de parochies voor te lezen, werd genegeerd. Prompt arresteerden de Duitsers tal van prominenten, die het niet overleefd hebben, zoals Titus Brandsma en Edith Stein. Martelaren voor het geloof. Had kardinaal De Jong beter zijn mond kunnen houden ?  Achteraf weten wij dat aartsbisschoppelijk zwijgen weinig had uitgemaakt want uiteindelijk hadden de moffen al hun wandaden toch begaan.  Kardinaal De Jong koos bewust voor wat zijn geweten hem ingaf, verkondigde als christen de waarheid, wetend dat dit niet zonder risico was.

 

De voorzichtige aanpak door de hogepriesters  - burgemeesters in oorlogstijd zouden wij hen nu noemen -  en ook die van de door de Romeinen gedropte operettekoning van Judea, die een verhouding had met zijn zuster die weer de geliefde was van Titus, de zoon van de Romeinse keizer   -   die aanpak heeft de gevreesde ramp evenmin kunnen voorkomen. Dezelfde Titus heeft later als opperbevelhebber van de Romeinse troepen Jeruzalem vernietigd, de tempelschatten geroofd  - de afbeelding daarvan is nog steeds te zien in Rome -  de bevolking uitgemoord of tot slaven gemaakt, een deel van de gevangenen in de arena in Rome voor de leeuwen laten gooien en ook in de rest van het land vreselijk huisgehouden.  Het lijkt langzamerhand wel een geschiedenislesje, maar van de geschiedenis kunnen wij leren. 

 

Door angst ingegeven voorzichtigheid, gericht op het voorkomen van problemen, die samengaat met leugens en andere foute boel  -  het leidt niet zelden tot nog grotere ellende. Je ziet het bijvoorbeeld bij de liegcultuur, die school maakt in de politiek en in het bankwezen: vroeg of laat valt de politicus of de bankier door de mand en laat hij of zij een puinhoop achter.  Maar wat zouden wij, als belijdende christenen, zelf doen, als wij zo’n baan hadden, in zo’n situatie ?

 

Niet iedereen is geschikt om martelaar te zijn, om dingen te doen waarvan je ten diepste weet dat het je plicht, je opdracht als gelovige is. Maar je kunt het niet. Wat dan te doen ?  Lastige vraag. In elk geval tot je laten doordringen wat Christus tegen zijn leerlingen zegt in het evangelie van vanochtend: ‘’weest niet bevreesd’’. Keer op keer houdt Hij dat ons voor, zoals bijvoorbeeld ook wanneer Petrus niet goed luistert naar zijn Heer en in het meer van Kinneret dreigt te verzuipen. ‘’Weest niet bevreesd.’’  Net als in de lezing van vanochtend. Dat zal vaak gemakkelijker gezegd zijn dan gedaan, maar je kunt het in elk geval proberen. En Petrus doet in zijn penibele toestand dan weer wel het enige goede: ‘’Heer, red mij’’ roept hij. En hij wordt gered.

 

Jezus redt. De evangelicalen zetten dat op de meest ondenkbare plekken in grote letters te kijk, maar vertellen er zelden bij HOE.  Ik weet ook niet HOE.  Maar ik weet wel, dat voor ons evenzeer geldt, wat Hij in de lezing van vanochtend tegen Zijn leerlingen zegt, ik vat het even wat korter samen:  jullie zullen mij zien.  Als je je daarvoor openstelt.  Zien of horen of ervaren  -  what’s the difference. Probeer in onmogelijke situaties te bevroeden wat Jezus zou raden. Hij is er altijd, al is het niet iedereen gegeven Hem daadwerkelijk te zien. Maar probeer het, in gebed, meditatie, door elke dag een stuk uit het evangelie te bidden, pak die bijbel, probeer dat eens allemaal tegelijk*,  in je eentje voor Gods aangezicht of met een groep van gelijkgestemden,  hoe dan ook, want Hij is er, ook als je hem niet waarneemt.  Denk dan aan Jezus. Probeer een relatie met Hem aan te gaan. Denk aan Jezus in Zijn laatste fase als Mensenzoon, op Golgotha.

 

Wij zijn maar feilbare mensenkinderen. Wij kunnen niet zijn als Jezus. Maar wij kunnen wel naar Hem luisteren. Hij is er altijd en overal. Amen.

 

Leonardo Jacobs ofs,  28 maart AD 2016

 

 

*Min of meer de meditatiemethode van Ignatius van Loyola.

 

Verkondiging

 

 

 

op 27 maart 2016, Eerste Paasdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34a.37-43), Psalm 118, 1-2.16ab-17.22-23), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3, 1-4).

 

Sposa son disprezzata - dat zijn de beginwoorden van  een aria (1734) van Giacomelli die ik heb leren kennen in een uitvoering van Cecilia Bartoli. Sposa son disprezzata: Ik ben een gedeprecieerde, een afgekeurde, een niet goed genoeg bevonden, een afgewezen vrouw. Een prachtig lied. Het gaat je door merg en been. Op schitterende wijze wordt in dat lied het verscheurde hart en wezen verklankt van een vrouw die het moet meemaken: dat zij verlaten wordt door haar man, 'omdat er een ander is'. Sposa son disprezzata. Alsof de geliefde, de man, de echtgenoot gestorven is...

 

De opgestane Jezus vraagt aan Maria uit Magdala - die Hem niet herkent, die denkt dat Hij de tuinman is; Hij vraagt aan haar: "Waarom huil je zo? Zoek je iemand?" Maria uit Magdala is Jezus kwijt. De levende Jezus is zij kwijt en nu zelfs de gestorven Jezus: Zijn in het graf gelegde lichaam. Vandaar die tranen. Ze is Hém kwijt. En ze is ook de weg kwijt. Ze weet niet waar ze Hem en waar ze hét zoeken moet. Haar wereld is ingestort. En ik denk veel-geliefden: Op die manier kun je mensen verliezen aan de dood, maar ook aan het leven. Recentelijk ben ik zelf in het contact met iemand met wie ik lang vertrouwelijk ben omgegaan erg teleurgesteld en zeg maar rustig: gewoon grof bedrogen. Dat voel je dus wel. Dat doet dus gewoon erg veel pijn. Ik heb die persoon moeten loslaten. Maar ik mis die mens. 

 

Zo werd ik ruim een jaar terug ook op indringende wijze geconfronteerd met de situatie van een vrouw die het overkomen is dat zij verláten werd. Sposa son disprezzata: Háár verdriet, pijn, onbegrip, frustratie en wanhoop klonken precies als in dat lied. Waarom? Waarom zo? Was dit nodig?

 

Een tijdje terug hadden zij en ik opnieuw contact. Ze vertelde hoe iemand, een bevriende vrouwelijke dominee, haar een tekst had aangereikt van de schrijfster en theatermaakster Marjolijn van Heemstra. Die vertelt in die tekst hoe ze jaren ervoor geworsteld had met een groot verdriet. Haar vader belde haar in die tijd op om te horen hoe het met haar was. "Ik kom er wel over heen" had ze tegen hem gezegd. Maar haar vader had haar op het hart gedrukt om er niet te snel overheen te willen komen. "Blíjf maar een tijdje bij je verdriet" had hij gezegd. "Blijf maar een tijdje bij je verdriet, anders verschraal je van binnen." Dát had hij tegen haar gezegd. En de dominee had daar nog aan toegevoegd: "Als je te snel voorbijgaat aan je verdriet, dan kun je verharden, verbitteren zelfs. Dan komt er een extra laagje op je ziel en een tijd daarna nog een. Je wilt je niet niet meer laten raken. Niet nog een keer voelen. Dan maar nog een beschermingslaag tegen de pijn.

 

Alles beter dan zielsbedroefd. Stiff upper lip en maar doorgaan. Alles beter dan je over te moeten geven aan de redde- en radeloosheid van verdriet. Want: 'als ik díe put eenmaal opentrek, dan komt er geen einde aan'. Ik denk, aldus de dominee, dat die vader tegen zijn dochter heeft willen zeggen: Blijf maar even daar waar je bent. Je kunt niet anders. Ben er niet bang voor. Ik ben er voor je. Je kunt het hebben. Leef er maar niet overheen. Dóórleef het. Het maakt je breekbaar, maar het breekt je niet helemaal af. Wie niet vlucht voor de tragiek in zijn of haar leven en voor de pijn die er onvermijdelijk is, wie die pijn niet verbergt maar toelaat en ook durft te laten zien aan andere mensen die zal behalve verliezen ook winnen: Compassie. Gesprek. Warmte. Vriendschap. Geluk - anders dan voorheen misschien, maar wel gelaagd en intens. Dat is wat je terugkrijgt. En dan zul je  ervaren dat andere mensen en 'de tijd' je wonden verzorgen en je helen. En dán verschraal je niet. Aldus de dominee. De vrouw met wie ik contact heb had veel aan die woorden gehad. Ze waren bij haar binnengekomen als Gods Woord in een ouderling.

 

In haar woonkamer staat een foto van haar eigen vader die een paar jaar terug overleed. Hij was altijd haar grote voorbeeld. En hij is nog altijd ongelooflijk dicht bij haar zegt ze. 'De Vader', dezelfde als die van Jezus én haar eigen vader, die zijn eigenlijk bij elkaar gekomen zegt ze, die zijn met elkaar vergroeid, die zijn nu één. Ze zegt: Hij is altijd bij me, in alles wat ik doe. Hij sterkt mij en vertelt mij dat ik het kan: dat ik sterk genoeg ben om alleen verder te gaan met de kinderen. Voor het immense verdriet is inmiddels veel moois in de plaats ge-komen: nieuwe onverwachte ontmoetingen met fijne mensen die mij willen leren kennen. Anderen ben ik kwijtgeraakt of raken op de achtergrond. Ze keren zich soms bijna letterlijk af als ik nader want 'mijn situatie' is te moelijk en confronterend voor sommigen. Dan is ze weer even die verlaten, die afgekeurde vrouw uit dat lied. Maar ík weet beter zegt ze. Ik kén de waarheid en ik ben trots op mijn weg die ik nu ga, in alle kwetsbaarheid en stapje voor stapje weliswaar, maar met rechte rug en met alle vertrouwen in de toekomst. Alles heeft kennelijk tijd nodig. En tijd heelt en laat groeien. Zo is het ook bij mij geweest. Ik ben al weer een stuk verder, gesterkt door De Vader en mijn vader.

 

Tot zover deze vrouw die zichzelf, haar verdriet én haar nieuwe levensomstandig-heden heeft omarmd.

 

Ik vertel u dit alles zo uitvoerig op deze paasmorgen omdat wat zij vertelde míj helpt en hopelijk ook ú om beter te begrijpen waar het in de bijbel en in het geloof op deze dag om gaat.

 

"De steen die de bouwers hebben versmaad, die is tot hoeksteen geworden" hoorden wij in de 118e psalm die wij hebben gebeden: Jezus is en blijft een kei op wie je kunt blijven rek-nen en bouwen, ook na Zijn dood. Hij blijft ons zoeken. Hij blijft ons aanspreken. Hij blijft van ons houden. Hij blijft ons bezielen. De gestorven vader van die afgekeurde vrouw doet dat allemaal óók, net als zijzelf. Ze ervaart: Ik heb kracht. En de liefde in mij gaat verder. Ik kríjg kracht en ik kríjg liefde - vanuit de hemel én op aarde. Want allerlei mensen zijn er voor haar - en dat doet goed...

 

Mogen mensen er zo ook voor ons zijn. En wij voor hen. Mogen wij ervaren dat wij ingebed zijn in een warme kring van liefde. Mogen wij in gebed in contact zijn ook al zien we elkaar niet. Laten we voor elkaar bidden. Gods liefde in ons kan en zal álles overwinnen - ook de gevolgen van de afschuwelijkste bomaanslagen en de mensen die de bommen tot ontplof-fing brengen al helemaal. Nee... zulke mensen zijn voor Hem echt geen partij. Hij, onze God, die van de liefde die sterker is dan de dood, Hij is de sterkste. "De Heer greep in met krachtige hand" zingt de 118e psalm.

 

En zo zal het opnieuw zijn. Hij onze God met Zijn krachtige hand zal opnieuw ingrijpen. Zijn hand zal mensen oprichten. Wij sterven niet. Wij zullen blijven leven. Niks geen afgekeurde vrouwen en mannen. Gods leven in ons is ónsterfelijk, ónoverwinnelijk. Ik wens u een heerlijk en en een prachtig, ja een Zalig Pasen - voor minder doen we het niet. Alleluia!

 

 

Inleiding   op de viering van Goede Vrijdag 2016 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Hoe gaat het met de mensen in Aleppo, Homs en Raqqa?

Hoe gaat het met de mensen in Parijs en Brussel?

Hoe gaat het met de mensen in Amsterdam? 

 

Overal zijn bommen. Ze vallen uit de lucht. Ze gaan af. Ze komen tot ontploffing. Mensen worden getroffen. Zo zit je in de metro op weg naar je werk of naar school. En zo ben je er niet meer. Weggevaagd. Uiteengereten.

 

Dood is overal. Mensen gaan maar dood. Johan Cruijff nu ook al. Voor ons in Amsterdam toch een groot verlies. In Spanje werd Cruijff "De Verlosser" genoemd. Toe maar. "God is dood. Johan Cruijff is onsterfelijk" zei iemand. Ja. Maar evengoed is hij nu toch ook voor de bijl gegaan. Ook Cruijff heeft het onderspit moeten delven.

 

Laatst kreeg ik een brief. Iemand schreef mij: "Ik heb de  uitslag gekregen, het ellendige bericht. Dat ik ongeneeslijk ziek ben en niet meer beter word. Ik kan

het zelf nog nauwelijks geloven. Een hard gelag op mijn zesenveertigste. Ik probeer het een plaats te geven. Het is niet te zeggen hoeveel tijd ik nog heb. Ik hoop toch een aantal jaren. Daar zijn ook voorbeelden van. Niemand weet hoeveel tijd hij nog heeft, maar aan de mijne is nu een limiet gesteld door deze ziekte. Kon ik maar terug naar de tijd dat dit niet waar was..."

 

Tja... Wat zeg je, wat schrijf je aan iemand voor wie het nu zó is, aan iemand die dit meemaakt?

 

"Ik kan het niet bevatten"? En: "Het is knudde"?

 

Ja...

 

Maar toch ook, de woorden vloeiden als vanzelf uit mijn pen: "Ik geloof dat we ondanks alles, ondanks het kruis, of zelfs - hoe onbegrijpelijk dat ook moge zijn - zelfs dánkzij dat kruis - in goede handen zijn."

 

In goede handen niet óndanks, maar dankzíj het kruis, Jezus' kruis.

 

He did it. Hij heeft het gedaan. He made it. Hij heeft het gemaakt. He made it clear. Hij heeft het duidelijk gemaakt:

 

Er is een leven dat het waard is om voor te sterven.

 

Er is een leven dat sterker is dan de dood.

 

Echt liefde is weerloos. Maar die weerloosheid is sterker dan wat dan ook.

 

Zijn het wandtegelwijsheden veelgeliefden? - Wáár misschien, maar wat koop je ervoor?

 

Zulke dingen zeggen, uitspreken: Is dat niet goedkoop?

 

Want: je kunt dat wel zeggen, maar... in de schoenen staan van iemand die er middenin staat, zit of ligt, iemand die ongeneeslijk ziek is of in wiens buurt de bommen ontploffen, en die er dan door geraakt wordt, door zo'n stalen bout of twee of tien - óf net niet, het meemaken daarvan, dat is wel totaal iets anders.

 

Ja. Zeker is dat zo.        

 

Maar ja... Wat wil je?

 

Het is Goede Vrijdag.

 

Jezus wordt ons aangereikt als Gekruisigde.

 

Johan Cruijff moge dan onsterfelijk zijn.

 

Maar in Jezus sterft God zelf.

 

God gaat dood - opdat wij leven.

 

Hij gaat op in ons - opdat wij opgaan in Hem.

 

Het is onbegrijpelijk

 

Daar zijn geen woorden voor.

 

Ik heb alweer teveel gezegd.

 

Wij lopen de kruisweg.

 

Verkondiging

 

op 20 maart 2016, Palmzondag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

 

"Maar Pierre, geloof je eigenlijk wel?"

"En wat geloof je dan eigenlijk precies?"

"Waar zouden priesters terecht kunnen die niet meer geloven?"

"Zouden ze alleen nog maar een ander vak kunnen zoeken?"

"Hoe zou je een nieuw leven op kunnen bouwen als je al decennia lang als priester hebt geleefd?"

 

Deze vijf vragen, dierbare gasten en parochianen; die vijf vragen stélde iemand mij de afgelopen week. Niet gek misschien waar het eveneens afgelopen week gepubliceerde rapport God in Nederland de indruk geeft dat het christelijk geloof in ons land zeer aan het wegebben is. Een minderheid van de bevolking, een kwart van de bevolking ongeveer, noemt zichzelf 'christen'. En het lijkt er op dat zelfs onder de christenen, en zeker onder katholieken, het geloof in een persoonlijke God, in een God die zich met jou persoonlijk bezig houdt; het lijkt er op dat dat geloof erg in de benen zakt. Wat blijft er over van dat geloof van ons? Wát blijft er over van die kerk van ons? Hoe zit het met de zogenaamde gelovigen? En hóe zit het met de gelovige professionals, met de pastores, met de priesters? Geloven die eigenlijk wel?

 

Is het 'erg', dierbare gasten en parochianen, als men zulke vragen aan je stelt? - zoals afgelopen week die persoon zijn, want het was een man; zoals hij afgelopen week die vragen aan míj stelde? Is het erg dat ík die vragen hier en nu 'in de groep gooi', dat ik die vragen hier temidden van de geloofsgemeenschap, want dat worden wij geacht te zijn; is het erg dat ík die vragen aan ú doorgeef en ook hier laat klinken? 

 

Ach ja veelgeliefden... Eerlijk gezegd: Ik ben altijd dankbaar voor zulke vragen. Want het zijn reële vragen. En het zijn eerlijk vragen. En ik denk: Ik hoef als gelovige niet gespaard te worden. Men hoeft mij heus niet met fluwelen handschoenen aan te pakken. Want zulke vragen zijn de échte vragen en ze tot je door laten dringen en op je in laten werken: Wie weet werkt dat zoals dat heet 'louterend'.

 

Geloof ik? Geloof jij? Wat is de substantie, de kern, het hart van je geloof? En wat van de andere kant is bijzaak? Geloof je in God, geloof je in Jezus? Geloof je in die arme Jezus die als een lam naar de slager wordt gebracht, Jezus die verraden wordt door een vriend die Hem kust - en een andere vriend doet het in z'n broek van angst als hij wordt herkend als vriend van Jezus en dan ontkent hij het te zijn: vriend van Jezus. Tja... Over geloof dat in de benen zakt gesproken...

 

Dun loopt zijn geloof langs Petrus zijn benen. Als het zo dus ging met Jezus' eerste vrienden, zelfs met zogenaamd 'zijn belangrijkste vriend', wie van ons zou dan durven beweren: Ik ben zijn vriend. En: Ik geloof in Hem door dik en dun?

 

Zij, die eerste vrienden, zij waren er bij. Wíj hebben alles van horen zeggen. Wíj hebben het wellicht met de paplepel binnengekregen, dat zogenaamde 'geloof' van ons. Wij weten wellicht niet beter. Voor ons is het misschien een vanzelfsprekendheid. Maar is het dat wel? Zou het dat wel moeten zijn? Sta je er eigenlijk zelf wel goed bij stil? Denk je er eigenlijk zélf wel goed over na? Héb je dat ooit gedaan? En als je het doet, in en vanuit welke positie doe je dat dan? Heb je een huis, een goed huis? Heb je een dak boven je hoofd? Heb je een goed, een warm bed? Hoe zit het met je inkomen? Wat heb je op de bank staan? Heb je genoeg om goed te eten? Is er genoeg om 'leuke dingen te doen', om naar de film te gaan, om op vakantie te gaan?

 

'Vriend van Jezus zijn', jezelf zo noemen, dat is mogelijk toch wel iets heel anders als je rijk bent dan als je arm bent. Gisteren zijn er voor de Italiaans kust weer duizend mensen uit zee gevist, dertig zijn er verdronken. Hoe is het voor hen? Wie is God voor hen? Wie is Jezus voor hen? Wie is hun vriend? "Uitgeputte mensen bijstaan" - daarover hoorden wij op deze Palmzondag in de lezing uit het boek van de profeet Jesaja: "De Heer God heeft mijn oor geopend (...)". "Met een woord wekt Hij mij in de ochtend, in de ochtend wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen." "De Heer God heeft mij als een leerling leren spreken, om uitgeputte mensen te kunnen bijstaan." Ik denk: als zo'n 'leerling', als iemand die wérkelijk luistert naar God, heeft Jezus in het leven gestaan en als zodanig, als leerling luisterend naar God, heeft Hij alles over zich heen laten komen. Ik denk: mensen in nood, uitgeputte mensen, zouden zich in Hem kunnen herkennen. Wellicht putten zij moed uit Zíjn moed. Ik hoop dat ik het ook kan: om die bron van moed die Jezus is, om die aan te boren - voor anderen, om hen van daar uit, van Hem uit, bij te staan, dat die bron, de Zijne, ja dat Hijzelf er is voor en in mijzelf ook.

 

Het verslag van Jezus' lijden en dood zoals we het vandaag hoorden vanuit het Lucas-evangelie zit vol met paradoxen. Het zit vol mededelingen die elkaar lijken tegen te spreken. Op minstens vier punten lijkt mij dat het geval. 

 

Ten eerste: "Toen verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf. (Maar toch:) Hij werd doodsbang (...); Zijn zweet viel als bloeddruppels op de grond."          

 

Ten tweede: Jezus had eerder Zijn vrienden er op uitgestuurd "zonder beurs, reistas en schoenen" - denk maar aan die haveloze vluchtelingen. Maar, "zijn jullie toen iets tekort gekomen?" vraagt Hij. "Nee, niets" antwoorden ze. Nu moeten ze echter van Hem een beurs en een reistas meenemen en zelfs een zwaard kopen. Maar als één van hen een zwaard gebrúikt en er het rechteroor van de knecht van de hogepriester mee afhakt, dan zegt Jezus "Hou daarmee op!". En hij zet het oor er weer aan. Later horen we dat Heródes Jezus graag een wonder zou zien doen, maar hij is er niet bij, bij die scene met het oor en trouwens: veel indruk maakt Jezus daarmee toch blijkbaar niet, want Hij wordt na het aanzetten van dat oor nota bene alsof er niets gebeurd is gewoon gevangen genomen.

 

Ten derde: Herodes en Pilatus, die eerder elkaars vijanden waren, worden nu vrienden. Nou, fijne vrienden!

 

Ten vierde: Bij zijn intocht in Jeruzalem was Jezus toegejuicht en bejubeld. Maar nu "bleven zij luidkeels schreeuwend eisen dat Hij gekruisigd zou worden. En hun geschreeuw gaf de doorslag" - zoals wij ook in deze tijd ons hart vasthouden of dat niet opnieuw, steeds meer dreigt te gaan gebeuren: dat de schreeuwers de doorslag gaan geven - in Duitsland, in de Verenigde Staten, in ons eigen land. Frauke Petry, de leider van de nieuwe partij AfD, Alternative für Deutschland, heeft gezegd dat er aan de grens maar gewoon geschoten moet worden eventueel op vluchtelingen om ze tegen te houden. En wat maakt zo'n opmerking bij mensen los? - ook bij en in ons wellicht?

 

Veelgeliefden: Kunnen wij er chocola van maken, van wat we op deze Palmzondag allemaal horen in verband met Jezus, in verband met God?

Geloof je er in?

Wat betekent het voor jou?

Wat betekent Hij voor jou?

 

Of is het allemaal onzin? Is, zoals mijn vragensteller van afgelopen week suggereerde; is "jouw mis", zoals hij dat zei, is "jouw mis", "theater met hocuspocus"?

 

Zou ik maar niet beter wat anders gaan doen, omzien naar een andere betrekking?

Het antwoord, veelgeliefden, is aan ú, aan jou, aan mij.  Amen

 

Verkondiging

                                                                                                      

op 28 februari 2016, de derde zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (31,1-8a.13-15), Psalm 103 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (10,1-6.10-12) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (13,1-9).

 

De machinist van die trein bij Dalfsen - die afgelopen week tegen die hoogwerker die midden op het spoor stond te pletter reed, waardoor de trein ontspoorde en hij, de treinmachinist, de dood vond... had hij, die machinist, soms iets op zijn kerfstok staan? de een of andere verborgen of openlijke zonde?

 

En hoe zat het, ook al afgelopen week; hoe zat het met die dame van 92 jaar oud, die op de hometrainer zat in de fitnessruimte van dat zorgcentrum in Emmen nét op het moment dat daar een auto door de pui reed, waardoor zij, die dame, de dood vond? Was zij schuldig aan het een of ander?

 

Gelukkig, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk, gelukkig denken mensen in onze tijd gemiddeld niet meer zó, ook wij als christen-gelovigen niet. Wij denken in dit soort situaties: Hoe tragisch! En: wat een bizar en ongelukkig toeval. Net op het verkeerde moment op de verkeerde plek. Als het in zulke situaties om 'schuld' gaat, dan kijken we op de eerste plaats naar de veróórzakers van zulke drama's: naar de nog jeugdige bestuurder van de hoogwerker en naar de automobiliste. Hebben zij wel verantwoord gereden? Maar de slachtoffers treft in zulke situaties in onze ogen a priori geen blaam.   

 

Vele eeuwen lang is dat natuurlijk wel anders geweest en werd het verband tussen onheil dat mensen overkwam en het concept 'het is een straf van God' snel en gemakkelijk gelegd. 'God straft onmiddellijk': met dat gezegde ben ikzelf toch nog wel opgevóed. Het werd en wordt wie weet nog wel steeds gezegd als er na een onschuldig foutje dat je maakt iets mis gaat waardoor jezelf wordt getroffen. Bijvoorbeeld: je wilt een plant verpotten. Je hebt dat klusje al een tijd voor je uitgeschoven, maar telkens weer zie je: O die arme plant, die lijdt in die te krappe pot. Eindelijk zet je jezelf er dan toe. Je hebt een nieuwe, een grotere pot gekocht. Je bevrijdt de plant uit de oude pot maar je bent ongeduldig, je wílt te snel. De aarde springt alle kanten op. Het wordt een grote bende. En dan laat je tot overmaat van ramp ook nog eens de nieuwe pot uit je handen vallen: in gruzelementen. Ja! God straft onmiddellijk! Oorzaak en gevolg. Soms is het verband tussen beide zonneklaar en wordt ons in wat er gebeurt een heldere spiegel voorgehouden waarin ons wordt getoond wie we zelf in bepaalde situaties zijn, hoe we te werk gaan, hoe we opereren: als dwazen, als domkoppen, als onverstandigen soms. Een mens kan dan hard worden geconfronteerd met de gevolgen daarvan.

 

Nee, veelgeliefden, als het om kleine dingen gaat, dan is het verband tussen oorzaak en gevolg vaak duidelijk en dan schromen we vaak niet om het te leggen en er onszelf en anderen mee te confronteren. Als het om grotere dingen gaat, om kwesties van leven en dood wellicht, dan zijn we daarmee voorzichtiger.

 

Gisteravond werd ons in het achtuurjournaal gemeld dat het AMC en het VU-medisch centrum tests gaat aanbieden waardoor alle mensen die samen kinderen willen verwekken zich kunnen laten screenen op erfelijke aandoeningen. Durven mensen dat dus voortaan nog wel aan zónder zo'n voorafgaande test? Stel: je doet het niet en je kríjgt een kind waarmee iets aan de hand is, dat gehandicapt is, geestelijk of lichamelijk... Hoe gaan zulke mensen, zulke ouders, in de toekomst bekeken en bejegend worden? Als mensen die onverstandig, die onverantwoord bezig zijn geweest en die daar vervolgens keihard voor worden gestraft? levenslang wellicht? - niet door God dan, maar wel door hun eigen schuld, hun eigen fout. En krijgen zulke ouders in de toekomst dan nog wel hulp met en voor hun kind? Naar wat voor samenleving bewegen wij ons toe veelgeliefden? Is dat niet: naar een onbarmhartige samenleving?

 

Ja, dat kunnen wij ons afvragen. Maar met evenveel recht kunnen wij ons afvragen nadat wij hebben kennisgenomen van de verschillende bijbelteksten die op deze zondag zijn voor-gelezen: was die bijbelse samenleving ook niet onbarmhartig? In het evangelie wordt er een duidelijk verband verondersteld dan wel gelegd énerzijds tussen onheil dat mensen overkomt omdat ze door Pilatus worden afgeslacht of worden bedolven onder een instortende toren en anderzijds persoonlijke zonde en schuld van diezelfde mensen. En ook Paulus denkt en schrijft zo in de passage uit zijn eerste Korinthenbrief die wij hoorden voorlezen: Op verbor-gen wijze was Christus er al helemaal bij toen het volk Israël onder Mozes' leiding door de Rode Zee en door de woestijn trok, "maar", zo schrijft hij, "in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers zij werden neergeveld in de woestijn." Daar heb je het dus weer. En Paulus vervolgt: "Deze gebeurtenissen zijn een les voor ons opdat wij niet, zoals zij, slechte dingen zouden begeren."

 

Aan de ene kant, veelgeliefden, kan dat natuurlijk nooit kwaad om daarbij stil te staan, bij zo'n vraag: Begeer ik soms slechte dingen? Maar aan de andere kant vraag ik mij af: Is het nodig om de mensen die destijds omkwamen in de woestijn, die bedolven werden onder een instortend gebouw of onder wie een bloedbad wordt aangericht; is het nodig om zulke men-sen óók nog een trap na te geven door te suggereren dat er dan wel iets mis moet zijn geweest met hen? Ik denk het niet. Of liever gezegd: Het is afschuwelijk als dat gebeurt.

Maar ik denk: dat gebeurt wel voortdurend, ook in deze tijd. Want: wat er ook voor ergs gebeurt, in de berichtgeving en in het gesprek daarover gaat het altijd weer over het zoeken náár en het aanwijzen ván en het veróórdelen van 'de schuldige' of schuldigén.

 

Eerlijk gezegd, veelgeliefden, denk ik dat Jezus ons daar van af wil helpen, dat Hij ons daarvan wil bevrijden: van zo'n manier van denken en van spreken. En hoe doet hij dat? Hoe pakt hij dat aan? Ik denk doordat hij stelt: Zij, die getroffen mensen, zijn heus niet de enigen die dingen misschien verkeerd hebben gedaan in hun leven - een leven dat dan zó, op zo'n nare, op zo'n gruwelijke manier geëindigd is. Elk onheil dat gebeurt mag voor iedereen aanleiding zijn om zich achter de oren te krabben, om naar zichzelf te kijken en om zich af te vragen: denk en leef ík wel goed? En doe ík wel alles in mijn leven opdat ook de samen-leving zo goed mogelijk functioneert? Draag ík wel maximaal bij aan het geluk van anderen en van mijzelf, zodanig dat rampen ook hopelijk zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden?

 

Gij nu heet het nieuwste boek van de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck wier werk ik u zeer van harte kan aanbevelen. In een interview met haar in het Volkskrant Magazine van dit weekend wordt haar de vraag gesteld: "Die Gij uit de titel (van uw nieuwste boek - pv) is dat de lezer? (Is het - pv) een aansporing: kies nu voor jezelf?" Griet op de Beeck antwoordt op die vraag: "Ik geloof: we hebben allemaal een tapijt. En we zijn geneigd daar alles onder te vegen wat ons verontrust, alles waar we kwaad van worden of emotioneel. Daar staan we met twee voeten stevig bovenop en we kijken recht vooruit. Zo hopen we dat het niet bestaat. We zijn allemaal bang om te kijken wat er onder dat tapijt ligt, want dan krijgen we misschien een burn-out of een depressie, dus laten we maar blijven glimlachen en doen alsof het er niet is. Terwijl ik heilig geloof dat je depressies en dat soort ziekten krijgt dóór niet te kijken wat er onder dat tapijt ligt."

 

Ik denk, veelgeliefden: door zo te spreken staat Griet op de Beeck op bijbelse, ja op heilige grond - zoals Mozes vandaag in onze eerste lezing, Mozes die bovenop de berg een doorn-struik in lichterlaaie ziet staan terwijl die doornstruik toch intact blijft en niet verbrandt. Kerkvaders hebben hierin een beeld gezien van de maagdelijke geboorte van Jezus uit Maria. Vanuit die brandende doornstruik spreekt God tot Mozes. Hij zegt: "Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, ik ken zijn lijden. Ik daal af om mijn volk te bevrijden."

 

God ziet de ellende van mensen. Hij hoort hun jammerklachten. Hij kent hun lijden. God veegt dat alles niet onder het tapijt.

 

Maar veelgeliefden: waaruit bestaat onze ellende? Waarover jammeren wij? En wat is ons lijden?

 

Griet op de Beeck zegt: "Op het kantelpunt (van ons leven - pv) valt het vaak stil, omdat de machteloosheid heeft gewonnen, of het schuldgevoel of de angst. Het verleden kortweg - want dat is vaak wat mensen in de weg zit. Voor mij is de kwestie: kies je voor evolutie of kies je ervoor de dingen te laten stagneren? Dat komt door zinnetjes in je achterhoofd als: we moeten ook niet te veel verwachten van het leven, het is overal wel wat. Of: laten we nou maar tevreden zijn met wat we hebben. (...) Hoeveel begrip ik ook heb, zeker als schrijver", zegt Griet op de Beeck, "(hoeveel begrip ik ook heb) voor de machteloosheid van mensen, ik vind het geweldig als mensen de stap wél durven zetten om dingen te veranderen in hun leven." Tot zover Griet op de Beeck. Gij nu heeft haar laatste boek. En daarmee bedoelt ze dus zoiets als: Jij bent nu aan zet.

 

Ik denk, veelgeliefden: de weg die zij wijst is geen andere als die welke de God van Israël en die van Jezus dus ook wijst. Hij is een bevrijdende God. De naam 'Jezus' betekent: 'God redt'. En de Godsnaam zoals Mozes die op de berg te horen krijgt betekent, wij hoorden het in de eerste lezing uit Exodus; die Godsnaam betekent: 'Ik ben die is'. Je kunt ook vertalen als: 'Ik ben er'. Of: 'Ik zal er zijn'. Of: 'Wees er'.

 

Een mysterieuze, een geheimvolle naam! Maar ook een naam die ons vertrouwen wil inboezemen. Een naam die ons te kennen geeft: Ik sta achter je. Ik ben bij je. Ik roep je. Ik roep je op. Ik nodig je uit. Ik nodig je uit om er geen genoegen mee te nemen en om er iets aan te doen: aan de ellende, aan de jammerklachten en aan het lijden. Gij nu.

 

Amen.  

 

Verkondiging

 

op 14 februari 2016, de eerste zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (1, 1-20), Psalm 91 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (10, 8-13) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (4, 1-11).

 

Is het waar, dierbare gasten en parochianen? Is het waar wat de duivel zegt? Zijn alle landen van de wereld inderdaad aan de duivel in handen gegeven en geeft de duivel ze aan wie de duivel dat wil?

 

Wat of wie is de duivel? Daar valt uiteraard heel veel over te zeggen. De figuur van 'de duivel' heeft in de bijbel een hele geschiedenis en allerlei aspecten. Laten we het vandaag maar even zo sober en nuchter mogelijk formuleren: De duivel is een figuur die staat tegenóver God. En als God staat voor wat goed is, voor licht, voor vrede, voor liefde, dan staat de duivel voor het omgekeerde: voor wat kwaad is, voor duisternis, voor onvrede, voor onmin. Laten we het daar maar even op houden. Het is natuurlijk heel moeilijk om er de vinger precies op te leggen: op wie of wat de duivel is. Want: het kwaad in de wereld en in ons is en blijft uiteindelijk óók een mysterie. Ik denk: voor ons is de duivel een enge en een bedreigende figuur - waar we bang voor zijn.

 

Moeilijk de vinger op te leggen veelgeliefden, maar van de andere kant: toch wel heel concreet. Er is een tijd geweest dat ook in Nederland de duivel duidelijk vrij spel had en het voor het zeggen had, dat de duivel helemaal aan de macht was en regeerde. Die tijd ligt niet ver achter ons. De oudsten onder ons kunnen zich die tijd nog goed herinneren. Ik bedoel natuurlijk de jaren van het nazi-bewind in Duitsland: Hitler in Duitsland, Mussolini in Italië, Franco in Spanje, Stalin in Rusland. Stuk voor stuk duivelse, nietsontziende figuren die oeverloze ellende hebben veroorzaakt, door wie ontelbare mensen de dood werden ingejaagd. Maar ja, hoe kwamen zij aan de macht? Ja, dat hebben 'de mensen' toch ook láten gebeuren. Zij, die duivels, hebben de mensen er destijds toe verleid. En van het één kwam het ander. En men stak elkaar aan met het kwaad, door de duivel.

 

Wij hoorden vandaag hoe de duivel ook heel dicht bij Jezus kwam, hoe die ook Jezus poogde te verleiden. Maar Jezus zwichtte niet. Hij bleef geloven ín en zich richten óp en zich vasthouden áán God, aan die voor ons ook zo ongrijpbare en niet te bevatten God. Toen ging de duivel "van Hem weg voor een bepaalde tijd". Dat klinkt dreigend. Want dan komt hij dus terug. En ik denk, veelgeliefden: zo is het ook. De duivel is nooit ver weg. Definitief verslagen is hij niet, destijds na de val van het nazi-bewind en het einde van vergelijkbare regimes. De duivel zit nog altijd in de coulissen en steeds weer kan hij de kop opsteken en in en onder ons ruimte en macht krijgen, groter en sterker worden. En dat is griezelig.

 

"Zij zijn mij in handen gegeven", al die landen van de wereld, "en ik geef ze aan wie ik wil". Het is niet moeilijk, veelgeliefden, om die woorden ook in verband te brengen met wat wij in déze tijd zien gebeuren:

 

De bruten, de koppensnellers van de IS, de Islamitische Staat, die ook in Europa, in Parijs met name, hebben toegeslagen.

 

President Assad van Syrië die koste wat het kost aan de macht wil blijven en die oorlog voert tegen zijn eigen volk. Maar wat zou er gebeuren als hij inderdaad het veld zou ruimen? De voorbeelden van Irak, Libië en Egypte enthousiasmeren niet. Je zou gemakkelijk kunnen denken: Blijkbaar gaat het in zulke landen niet zonder sterke man, zonder tiran, zonder duivel.

 

Dan Vladimir Poetin, de president van Rusland, die de ene na de andere criticus van zijn bewind elimineert, die de Krim heeft ingepikt, die de kwade genius is van de Oost-Oekraďne, wiens mannen of wier handlangers de MH17 met onze mensen uit de lucht hebben geschoten en die nu de mensen in Aleppo en omgeving bombardeert. Een duivel die man, Poetin! 

 

Over schieten trouwens gesproken: In de Verenigde Staten lukt het maar niet om het vrije wapenbezit aan banden te leggen. Het land moet er van vergeven zijn. En af en toe is er weer eens zo'n duivelse gek die op een school, in een kerk of in een zorgcentrum mensen begint neer te maaien. En stel je toch eens voor dat die Donald Trump het daar voor het zeggen krijgt, dat die kan gaan beschikken over de Amerikaanse kernmacht. Komt dan, ook in de V.S., niet de duivel aan de macht? En wat als Wilders bij ons inderdaad wint... ? Je houdt je hart vast...

 

En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan veelgeliefden en spreken over de krottenwijken van de Latijns-Amerikaanse miljoenensteden waar gewelddadige drugsdealers en -bendes heer en meester zijn en de politie vaak net zo erg is. En denk eens aan Afrika en aan China. En denk eens aan ons eigen Europa waar vluchtelingen hun heil zoeken en aan alles wat dat losmaakt.

 

Mensen voelen zich door duivels bedreigd en worden dan vervolgens zélf bedreigende mensen, mensen in wie de duivel lijkt gevaren.

 

"Luister eens, die Israëlieten worden te talrijk en te sterk. Wij dienen dus verstandige maatregelen tegen hen te nemen om te voorkomen dat zij nog talrijker worden. Als wij in oorlog raken, zullen zij zich bij onze tegenstanders aansluiten" - Zo hoorden wij vandaag in onze eerste lezing, uit het begin van het boek Exodus, het boek van de Uittocht. Het is de koning van Egypte, de farao die zo spreekt. En het is niet moeilijk lijkt mij, dierbare gasten en parochianen, om in die woorden onze eigen angsten te herkennen in verband met 'dé vluchtelingen' en 'dé moslims'. Men ging destijds in Egypte de Israëlieten onderdrukken en dwangarbeid opleggen, maar: "(...) hoe men hen ook onderdrukte, ze bleven groeien in aantal en zich steeds meer vermenigvuldigen, zodat de Egyptenaren er bang van werden". Ja, zo is dat. Onze angst maakt voor wie en waarvoor wij bang zijn en maakt wie en wat wij onderdrukken alleen maar groter. Want druk, veelgeliefden, onderdrúkking, dat geeft nu eenmaal tegendruk. Dan wordt het gemakkelijk: groeien tegen de klippen óp, tegen de verdrukking ín. They fuck like rabbits. Als de konijnen... die Israëlieten destijds, die moslims nu. Dát was, en ís, het beeld, de duivelse angst. Angst creëert spanning. Maar vertróuwen leidt tot óntspanning, ook tussen de lendenen. Kinderen 'maken' en krijgen wordt dan minder urgent: Dán kunnen, dán mogen het er ook minder zijn.

 

Ondanks alle ellende, destijds in Egypte, konden de Hebreeuwse barende vrouwen zich trouwens erg góed ontspannen. Die babies flóepten er uit, in een poep en een zucht, "nog voordat de vroedvrouw erbij is". Dat beweerden althans de Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua geheten. 'Sifra', dat is ook de tweede naam van onze dopeling van vandaag. Die naam betekent: 'schoonheid'. Een mooie naam en een mooie naamgééfster dus, die Sifra. Een mooie vrouw, misschíen letterlijk - want dat moet je natuurlijk altijd nog maar afwachten als je je kind bij de geboorte zo'n naam geeft: of Sifra ook létterlijk een mooie vrouw wordt. Nou ja, dierbare Sara en Gerard: voor jullie is ze dat natuurlijk sowieso altijd: mooi. Van de bijbelse Sifra weten wij niet hoe zij er uit zag. Wij hebben geen schilderij of foto van haar. Maar dat zij in elk geval figúúrlijk een mooie vrouw was, dát weten wij zeker. Het was een vrouw met guts die Sifra uit de bijbel. Ze was een vrouw met ballen. Want de machtige koning van Egypte persoonlijk had aan haar en aan haar collega-vroedvrouw Pua de opdracht gegeven om alle pasgeboren jongetjes te killen. Maar Sifra en Pua die konden dat natuurlijk niet. En ze deden het niet. Ze legden dat bevel van de koning gewoon naast zich neer. En toen de koning verhaal kwam halen, speldden Sifra en Pua hem gewoon wat op de mouw. Ze vertelden een leugentje om bestwil. Je moet maar durven. En hij droop nog af ook, de koning, Poetin. Hij liet zich door Sifra en Pua gewoon in de tang nemen. In de verlostang! Heldinnen die Sifra en Pua! Gelóófsheldinnen! Want: "de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning" zo staat er. En ook: "God zegende de vroedvrouwen". God zegende hen, ondanks of nee: juist vanwége ook die smoes, dat beliegen van die duivelse, van die door angst beheerste koning van Egypte dus. Zo zie je, veelgeliefden, wat geloof kan doen: Het biedt een anker, een helder en heilzaam oriëntatiepunt ten opzichte van duivelse machten. Je weet dan wat je te doen staat. "(Want) als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u gered worden. Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt de redding" - zo schrijft Paulus in zijn brief aan de Romeinen waaruit wij in de tweede lezing vandaag ook hebben horen voorlezen. En wat dat betreft bestaat er geen verschil tussen 'wij' en 'zij' schrijft Paulus: "Er bestaat geen verschil tussen Joden en Grieken", tussen hen die wél en die niet van het houtje zijn. "Iedereen die de Heer aanroept zal gered worden."    

 

In NRC-Handelsblad van dit weekend staat een interview met de acteur Jack Wouterse, 58 jaar oud, die last heeft van een eetverslaving. Als tiener al kon hij bij wedstrijdjes gehaktballen eten in de sportkantine tien, vijftien gehaktballen achter elkaar naar binnen werken. Tot voor een jaar terug nog kon hij een doos moorkoppen kopen en die in de auto voor het stoplicht allemaal opeten. "Ik hou niet eens van zoet" zegt hij. En: "Niet het eten was het probleem, maar de proporties, de mateloosheid. Ik heb het nog. Ik word pas rustig als alles op is." Inmiddels echter is deze Jack Wouterse bij een afkickkliniek in Schotland geweest en heeft hij een maagverkleinende operatie ondergaan. Hij heeft zijn probleem onderkend, erkend en hij heeft hulp gezocht. Hij zegt: "In de (...) afkickkliniek wilden ze dat je je overgeeft aan hogere machten. Aan God. Ik kon dat niet. Tot iemand zei: verander 'God' gewoon in 'goed'. Dáár kan ik wel wat mee." Als hij sindsdien 's ochtends over straat loopt, zegt hij iedereen goedemorgen. "Beetje bewerkelijk in Rotterdam," zegt hij, "maar het wérkt." "Goed doen, goed zijn, goed eten. Dat raakt aan iets wat ik altijd al in me had", zegt hij, "een vuurtje dat ook in mijn moeder brandde. Zij was heel positief, geloofde in de gelijkwaardigheid van mensen, kwam op voor de zwakken in de samenleving. Voor ze stierf", aldus Jack Wouterse, "op haar 58ste," exact dus dezelfde leeftijd die hij nu heeft, "op haar 58ste werd ze ineens religieus. Door haar geloof kon ze sterven. Dat begrijp ik nu beter." 

 

In deze pasbegonnen veertigdagentijd, veelgeliefden, worden wij uitgenodigd om ons, zoals dat heet, met een ouderwets woord, te 'vérsterven'. Voor wie last heeft van mateloosheid, van verslaving, op welk gebied ook, is dit een gunstige tijd om te proberen daar los van te komen en om te groeien in vrijheid, om God hulp daarbij te vragen en te ontvangen. De duivel, het kwaad, weerstaan en op afstand houden. En je openen voor God, voor wat goed is, Hem omhelzen, Hem in je leven de kans geven, Hem gaan leven. Zo simpel is dat. En hoe meer wij dat wereldwijd gaan doen en elkaar met Gód op die manier aansteken, hoe beter het is, blijft er hoop voor deze arme wereld en hebben de tirannen en de duivels niet het laatste woord. Amen.  

 

Verkondiging

 

op 7 februari 2016, de vijfde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (6, 1-2a., 3-8), Psalm 138 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (15, 1-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (5, 1-11).

 

Wat een gestuntel!

 

Wat een moeizaam en vruchteloos geploeter en getrek!

 

Dat geldt, dierbare gasten en parochianen, dat geldt voor veel van ons menselijk werken en samenwerken: Lang niet altijd gaat dat van een leien dakje, maar is het een comedy of er-rors, een aaneenschakeling en een slap-stick van vergissingen en fouten en van onvermo-gen om goed met jezelf en met elkaar en met de omstandigheden om te gaan.

 

Verleden week is hier uitvoerig de situatie in ons Amsterdamse Scheepvaartmuseum de revue gepasseerd in verband met de directeur daarvan, mevrouw Paulien Krikke. In de afgelopen week waren op vergelijkbare wijze de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen en de kinderombudsman Marc Dullaert in het nieuws. Maar denk vooral aan Syrië. De hele, wat dan heet 'internationale gemeenschap', die bemoeit zich daar mee en mengt zich daar in, "grijpt in", manhaftig. Maar de doffe ellende voor de mensen die er wonen lijkt alleen maar groter te worden. Sinds enige tijd heb ik contact met twee jonge mannen, twee neven van rond de twintig uit Aleppo, christenen. Afgelopen donderdagmiddag had ik weer een ontmoe-ting met hen beiden. En ik begreep dat hun familie in Aleppo op datzelfde moment in de kerk zat. Want een neef van hen, Towfik Felfleh, 38 jaar oud en vader van twee kinderen was de dag ervoor om het leven gekomen terwijl hij andere mensen hielp om in een schuilkelder te komen. Geraakt in het hart. Hij was meteen dood.

 

Ja, veelgeliefden, wat moet je dán zeggen... ? Wat moet je zeggen tegen twee van die jongens die zoiets meemaken? Zij zijn hier en veilig, laten we het hopen. Maar hun familie is nog daar waar zulke dingen gebeuren. De kinderen van Towfik zullen vaderloos opgroeien - waarvoor hij ze had willen behoeden, want zélf was hij vaderloos opgegroeid. Zijn eígen vader was destijds in Libanon omgekomen. En nu herhaalt zich die geschiedenis - op uiterst tragische wijze.

 

Wat een doffe ellende. En wat een verdriet. En de internationale gemeenschap lijkt machte-loos. En wij kunnen niets. Nou ja: wij kunnen de mensen, de vluchtelingen, ópvangen - maar dat verhaal kennen we ook: Hoe groot het onvermogen en de onwil van Europese regering-en en bevolkingen zijn om met deze situatie goed om te gaan. Het sentiment 'hoe kunnen we ze vooral buiten houden?' is erg sterk.

 

Gestuntel, gehannes, gedoe... onder ons mensen... in de grote wereld... en in de kleine wereld. Want hoe leven wij met elkaar? met het eigen gezin, de familie, de huisgenoten, de buren, op het werk en in de kerk? En hoe ga je met jezelf om? Vaak genoeg kan er ook bij onszelf van alles aan de hand zijn wat niet de schoonheidsprijs verdient.

 

 

Het bewustzijn van eigen onvermogen, tekortschieten, ja zondigheid is in de verschillende lezingen van deze zondag sterk aanwezig. Als een rode draad loopt dat bewustzijn er door heen.

 

Om te beginnen was het, in de eerste lezing, de profeet Jesaja. Hij riep: "Wee mij, ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen en ik woon te midden van een volk met onreine lippen." - Maar toch mag diezelfde Jesaja in een visoen God zien. Vervolgens, in de tweede lezing, de apostel Paulus. Hij noemt zichzelf nota bene "de misgeboorte", want zo weet hij: "Ik heb Gods kerk vervolgd" - Maar toch is Christus óók verschenen aan hem, aan Paulus. Tenslotte, in het evangelie, Simon, de visser, beter bekend als: Petrus. Met de anderen samen heeft hij naar eigen zeggen "de hele nacht (...) gezwoegd zonder iets te vangen". Maar als hij dan op Jezus' aanwijzing nogmaals, nota bene bij daglicht als de vissen zich verschuilen, de netten uitgooit, dan vangen ze zo'n "massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren." De boten worden gevuld "tot zinkens toe". Het is een indrukwekkend, een overweldigend, een groots gebeuren. En dat maakt dat Petrus zich bewust wordt van zijn eigen kleinheid, beperktheid, zondigheid: "Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens." - Dat is wat hij zegt, Petrus...

 

Maken ook wij, al net zulke onvolmaakte mensen als Petrus, maken ook wij zulke indrukwekkende wonderen mee?

 

Gisteren zei ik tegen iemand die ik al jaren ken: "Het gaat goed met je. Dat kan ik zien." "Ja", zegt hij, "ik tob minder. Jij zei dat tegen mij: dat ik minder moet tobben."  Ik werd daar, veel-geliefden, ik werd daar echt blij van. En dat dan niet omdat er iemand is die blijkbaar naar mij luistert en die iets kán met iets wat ik tegen hem heb gezegd. Nee, want ook ik ben een zon-dig mens, iemand met onreine lippen. Nee dus... Maar ik ben blij om te zien aan en in het leven van deze persoon "dat God met hem bezig is", dat Gód steeds meer vat op hem lijkt te krijgen waardoor hij in staat lijkt om stappen vooruit te zetten in zijn leven, dat hij geneest van innerlijke wonden en groeit in geluk en vreugde. Mooi is dat om mee te maken. Ik vind het geen gering wonder.

 

En afgelopen vrijdag werd bekend gemaakt dat komende vrijdag nota bene op de luchthaven van de Cubaanse hoofdstad Havanna paus Franciscus en patriarch Kyrill van Moskou, het hoofd van de Russische kerk, elkaar gaan ontmoeten. En dát, veelgeliefden, dát mogen we toch wel karakteriseren als een gebeurtenis van het genre 'de wonderen zijn de wereld nog niet uit'. Hij flikt het 'm weer, die paus van ons. Wat het zwaargewicht, de Oost-Europese krachtpatser Johannes Paulus II en Benedictus XVI met al zijn geleerdheid níet voor elkaar hebben gekregen, dat lukt die beetje clownsfiguur Franciscus nu wel! Laten we hopen en bidden dat van die ontmoeting tussen hem, de paus en Kyrill een gunstig effect mag uitgaan, óók op de verhouding tussen Rusland en Het Westen - zodat ook de mensen in Syrië daar uiteindelijk baat bij mogen hebben, - dus ook de mensen in Aleppo, dus ook de familie van 'mijn' twee vluchtelingen. Of is dit te ver doorgedacht en te veel verwacht van die ontmoeting van paus en patriarch? Ach ja mensen, ik denk: Wij kunnen in onze hoop, in onze verwach-ting en in ons geloof nooit ver genóeg doordenken en nooit te veel verwachten. Dat is nu juist de hele clou van dat geloof van ons.

 

Nu we het trouwens toch over de paus hebben... Gisteren stond er in het wetenschapskatern van de krant (NRC) een column van de biochemicus Martijn Katan, emeritus-hoogleraar van onze eigen Vrije Universiteit. Hij schrijft over de mondiale milieu-problematiek. Ik citeer: "Wat we nodig hebben", in dat verband, "is een leider met visie die ons meesleept (...). Gelukkig is er zo'n leider. Hij heet Jorge Bergoglio. Als student had hij een bijbaantje als uitsmijter in een nachtclub. Hij werkte ook als chemisch analist in een laboratorium; hij weet dus wat CO2 is.

 

Sinds 2013 heet hij paus Franciscus. Hij heeft geen kleinkinderen, maar wel een intens geloof. Hij hoeft geen verkiezingen te winnen, subsidies binnen te halen of carričre te maken, hij kan zeggen waar het op staat en dat doet hij: we mishandelen onze zuster Aarde, we zetten haar rijkdommen om in afval en intussen maakt de zucht naar spullen ons ongelukkig. We zijn zondaars, laten we ons bekeren. Is dat de taal die we nodig hebben? Ik ben opgegroeid met wantrouwen jegens de katholieken", aldus Martijn Katan, "maar dit spreekt mij aan".Zo! Dan hoort u het, veelgeliefden, dan hoort u het ook eens van een ander. Amen. 

 

  

Verkondiging

 

 

op 31 januari 2016, de 4e zondag door het Jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Jer. 1,4-5. 17-19; 1 Kor. 12,13-31. 13; Lucas 4,21-30.

 

Caritas pro armis. De liefde als wapen. Dat was de wapenspreuk van Mgr. Bekkers, ooit mijn pastoor en bisschop. Hij was een voorloper, een vernieuwer en een bruggenbouwer. Hij was zijn tijd ver vooruit. De kerk van mijn jeugd, en, als ik naar de grijze en kale hoofden voor me kijk, de kerk van uw jeugd, van onze jeugd, was vooral een liturgische kerk. Een kerk van geboden en verboden. Het was een normenkerk, waarin precies de verplichtingen omschreven stonden voor een voorbeeldige levensstaat. Zoals: “Gij zult op zon- en feestdagen de heilige mis bijwonen en geen verboden werk doen.” Dit citerend tegen mijn kleindochter Célčste die elke zondag bij mij komt stofzuigen, antwoordde ze me: “Er bestaat geen verboden werk.” Dus na de mis kunnen we gerust gaan stofzuigen, boodschappen doen of zwemmen. Dat mag alleen niet in Staphorst. Jezus hield trouwens niet van een normenkerk. We kunnen braaf zijn als farizeeërs, maar u weet dat Hij geen goed woord voor hen over had.

 

We leven nu in een andere tijd. Wat is kerk-zijn nu? Afgelopen dinsdag zei de vertrekkende pastoor van Amstelland, de karmeliet Tom Buitendijk, op een vergadering het heel duidelijk: Kerk-zijn is niet alleen liturgie. Kerk-zijn is vooral diaconie. Kerk-zijn is caritas. Kerk-zijn nu is niet anders dan liefde. Natuurlijk, liturgie is ook belangrijk. Het is niet of – of. Het is en – en! Het is éérst samen breken en delen. En daarna: Ga heen en doe gij ook zo. Liturgie is belangrijk, maar daarna komt op de eerste plaats de caritas, de naastenliefde. De tweede lezing van vandaag, de 1e brief aan de Korintiërs, gaat alleen maar over die liefde. Als het goed is gaat het hier in de kerk altijd over die liefde. God is liefde toch? God is barmhartigheid. En God, of zo u wilt, de Liefde, is dus het licht waarop we moeten varen. “Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan.” Als we de liefde niet als richtsnoer nemen, gaan we de bedoeling van ons bestaan missen. In Johannes staat: “Laten we liefhebben, niet met het woord of de tong, maar met de daad en in de waarheid.” En: “Wie de goederen van deze wereld bezit en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit – hoe kan Gods liefde dan in hem blijven?”

 

Als Jezus ons vandaag de dag bezig zou zien, zou hij zeker kritische opmerkingen maken over onze levensstijl en niet zo blij zijn met ons. Hoe we omgaan met fenomenen als oorlog en vrede, geweld, vluchtelingen, armoede, de gastvrijheid of de verdeeldheid onder de christenen, de verdeling van de rijkdommen van de aarde en het milieu. Ik wijs u nog maar  eens een keer op de encycliek van Paus Franciscus “Laudato Si”. Deze geweldige paus, ja Anya, deze geweldige paus gaat in onze kerk duidelijk de accenten verleggen.

 

In onze moderne westerse samenleving bestaat er een scheiding tussen kerk en staat. Dit is een politieke en juridische scheiding. Maar kerk en staat zijn natuurlijk niet te scheiden. Ze liggen in elkaars verlengde en omarmen elkaar. De vraagstukken van de staat zien we terug in de vraagstukken van de kerk. Hoe gaan we om met gescheidenen, met homo’s en met het homohuwelijk. Wat is de positie van de vrouw. Wat doen we aan armoedebestrijding en aan eenzaamheid? Hoe ontvangen we de vluchtelingen? De universele kerk heeft natuurlijk, veel meer dan een soeverein land, een gigantisch probleem, omdat er over deze maatschappelijk vraagstukken op de verschillende continenten volstrekt anders wordt gedacht. De tegenstellingen kunnen groot zijn. Laatst was er in de Anglicaanse kerk bijna sprake van een scheuring, omdat de conservatieve bisschoppen van Afrika mordicus tegen het homohuwelijk zijn, terwijl de Amerikaanse bisschoppen een fervent voorstander waren. Hoe krijg je mensen in een zo grote kerk op één lijn. Als dat al moet…. Dat is geen gemakkelijke opgave. De kerk zal in onze noord Europese ogen altijd langzamer veranderen dan we misschien willen. Maar er gloort hoop. Er komen veranderingen. Onze kerkleiders hebben daarin een belangrijke taak. “Laudato Si” is niet de eerste encycliek die ver buiten de kerkmuren een andere wind zal doen waaien.

 

Caritas pro armis. Eigenlijk moeten we allemaal die wapenspreuk hanteren. De liefde als wapen. Als wapen tegen onrecht, tegen verloedering, tegen eenzaamheid. Als wapen om vluchtelingen en daklozen te herbergen, zieken te troosten, oudere mensen met mantelzorg bij te staan. Wie dichter tot God wil komen, kan dit bereiken door zijn broeder te zoeken. En andersom, wie onmacht voelt om zijn broeder te beminnen, kan worden gesterkt en verlicht door zich tot God te wenden. De wet van de liefde is een wet zonder einde. Het is nooit genoeg. Dat is dus honderdtachtig graden anders dan kreten als “genoeg is genoeg” of “vol is vol”. Het klinkt bijna als de roep om “meer, meer, meer” in plaats van de roep om “minder, minder, minder”……..

 

Afgelopen 24 januari startte er een landelijke actie die gericht is op het bestrijden van eenzaamheid. Deze actie loopt tot 14 februari en mag hopelijk ook daarna uw volle aandacht hebben. Met “Samen tegen eenzaamheid” roepen we iedereen op de eenzaamheid aan te pakken. Daarvoor moeten we de medemens tegemoet treden. Om van een normenkerk naar een caritaskerk te gaan is een mentaliteitsverandering nodig. Je wordt niet langer afgerekend op je hoeveelheid bidden, maar op je gedragingen. Vooral aandacht voor de eenzamen om ons heen, kunnen we niet afkopen met een extra rozenhoedje, een bedevaart, het opsteken van wat kaarsen of een gulle gooi in de collecteschaal. Daar hebben de eenzamen in onze omgeving werkelijk helemaal niets aan.

 

Speciaal vandaag, met de 1e brief aan de Korintiërs in de hand, wil ik u nog eens aanmoedigen, vragen, smeken om u open te stellen voor de boodschap van Jezus. Dat wij die boodschap uitdragen naar de wereld waarin wij leven. Dat we die liefde tastbaar maken. Het koor zingt straks een geweldige tekst van Huub Oosterhuis. Alleen al daarom is het een feest om in dit koor te mogen zingen.

 

 “Hier op aarde moet je delen, adem, geld en goed. Wie maar leeft om meer te krijgen, die zal sterven aan zijn eigen overvloed. Als je mens wordt zoals Jezus, liefde als een mens aanwezig, wijn van liefde, brood des levens, zoals Hij. Niemand weet hoe jij moet leven, nergens staat het opgeschreven. Liefde tegen liefdespijn, vriendschap tegen duizend vrezen, zoet dat bitter kan genezen, mens voor mensen, recht en vrede. Lijden, sterven, liefde leren, zouden wij dat ook proberen. ” Amen

 

Verkondiging

                                                                                                                                                                 

 

op 31 januari 2016, de vierde zondag door het jaar,

in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jeremia (1, 4-5.17-19), Psalm 71 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (12, 31-13, 13) en het heilig evangelie van onze Heer jezus Christus volgens Lucas (4, 21-30).

 

De hulp die bij mij past, Sylvia geheten: de vrouw die een beetje voor mij zorgt en met name voor mij kookt, vandaag heeft zij voor het eerst in de kerk, in de andere kerk, voorgelezen. Afgelopen week trof ik haar aan, zittend aan de keukentafel, terwijl zij voor zichzelf, halfluid, de teksten doornam. "Dit ráákt mij", zei ze... En ik merkte dat ook aan haar. Ze was geëmotioneerd - vanwege Jeremia (de eerste lezing) die zich door God gekend weet nog voordat hij gevormd werd in de moederschoot en vanwege wat Paulus (de tweede lezing) allemaal schrijft over de liefde. Het ráákte Sylvia. Ze was geëmotio-neerd. En ik kon mij dat voorstellen. Want zo is zij: als mens von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt zoals de Duitsers zeggen: van top tot teen van liefde doordrongen is Sylvia, van de góddelijke liefde wel te verstaan. Als ze over God spreekt, dan heeft ze het over "Mijn Vader". En als ik haar bedank voor het eten of iets anders, dan zegt ze altijd: "Met líefde". Een betere basis en een beter iemand om Paulus' 'hooglied van de liefde' voor te lezen is dus niet denkbaar. Ze vond het natuurlijk ook best spannend, Sylvia, om in de kerk voor te lezen. Maar ik heb haar op het hart gedrukt om zich geen zorgen te maken en om een voorbeeld te nemen aan Jeremia tegen wie God zegt: "Ikzelf maak u (...) tot een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur." Dus: sta daar zó Sylvia. Stá er. Wees niet bevreesd. Wees voor niemand bang. Je Vader staat achter je. Dus knal ze er uit die woorden.

 

Hoe blijft een mens staande en hoe houdt hij of zij het vol als hij of zij te maken krijgt met weerstand, met massieve weerstand zelfs, met volkswoede, in bedreigende omstandigheden? Ik denk: daarover gáát het vandaag, met name in de eerste lezing uit het boek van de profeet Jeremia én in het evan-gelie, van Lucas.

 

In de krant werd gisteren uitvoerig een conflict beschreven rond Paulien Krikke (1961), oud-wethouder van Amsterdam voor de VVD, oud-burgemeester van Arnhem en sinds afgelopen mei lid van de Eerste Kamer In het najaar van 2014 werd zij directeur van ons Scheepvaartmuseum, maar daar is het snel erg mis gegaan. Ze kreeg het hele management van het museum tegen zich. En toen het er om span-de liet de Raad van Toezicht haar vallen. Krikke heeft wat haar is overkomen "een groepsverkrachting" genoemd en ze heeft geen voet meer in het museum gezet. Tja... zo zie je maar... ook superbeschaaf-de mensen, museum-medewerkers, kunnen zich manifesteren als hyena's - al zal er op mevrouw Krikke best terecht het nodige aan te merken zijn geweest en zal zij zaken vast niet altijd geheel handig hebben aangepakt. Maar toch... Wat doen zulke omstandigheden met een mens? Hoe ga je ermee om: als iedereen tegen je is en zich onaardig of zelfs kwaadaardig en intimiderend manifesteert?

 

In de evangelietekst van deze zondag krijgt Jezus ermee te maken. Aanvankelijk is men blij met hem. "Allen betuigden Hem hun instemming" zo hoorden wij. Maar de stemming slaat om als Hij de mensen van het dorp waar Hij is opgegroeid duidelijk maakt dat Hij niets voor ze kan doen - precies omdát Hij er vandaan komt. Dus dat is een grote tegenvaller, een enorme teleurstelling en een dikke vette streep door allerlei verwachtingen die men al was begonnen te koesteren. Misschien dat we het een beetje mogen vergelijken met de situatie in het Scheepvaartmuseum toen daar duidelijk werd dat Paulien Krikke ook niet het tovermeisje was dat alle problemen wel even in no time zou oplossen. Ja... zo heeft zélfs Angela Merkel haar grenzen...

 

Waar, bij wie, voor welke mensen kunnen Gods wonderen gebeuren? Jezus noemt twee voorbeelden: De profeet Elia liet een wonder gebeuren voor "een weduwe te Sarepta, in het gebied van Sidon". En de profeet Elisa genas "de Syriër Naäman". Beiden, zowel Naäman als die weduwe te Sarepta, waren 'buitenlanders', allochtonen, vreemdelingen. En het 'eigen volk' viste achter het net en had het nakijken.

Wonderen, veelgeliefden, daar kun je nooit aanspraak op maken, daar heb je nooit 'recht op', die kun je niet afdwingen. Wonderen, die kunnen je alleen maar overkomen. Wonderen zijn een geschenk. Als het om wonderen gaat, is het God zelf die het initiatief neemt. Elia "wérd gezonden" tot die weduwe zo staat er.

 

Het 'eigen volk' vindt dat dus niet leuk. Want... mensen, ook wij dus, zijn vaak behoorlijk ik-gericht. De gedachte 'wat heb ík er aan' is onder ons vaak leidend. Maar in het geloof, dus ook in de kerk, gaat het dáár niet om. Of misschien kan ik beter zeggen: In het geloof en in de kerk zóu het daar niet om moe-ten gaan. Kardinaal Godfried Danneels schrijft ergens: "Lid worden van de kerk is niet vrijblijvend. het grijpt in in je totale leven. Je moet je engageren en niet vragen: 'Hoe bedien ik mij van God?', maar: 'Hoe dien ík Hém?' Dat vergt een inspanning." Aldus de kardinaal. 

 

Zo'n inspanning wordt er in Europa, dus ook in Nederland, van ons gevraagd momenteel in verband met vluchtelingen. "Wees mij een vluchtoord, een veilige plaats" hebben wij zelf vandaag in en met de 71ste psalm gebeden. Het is precies de bede van allerlei vluchtelingen. En ons wordt gevraagd om mee te werken aan het verhóren van die bede. En dat is dus niet zo'n vanzelfsprekende en gemakke-lijke zaak. In een recent interview met bisschop Gerard de Korte van Groningen-Leeuwarden citeert hij een uitspraak van een niet nader genoemde socioloog die hij las: "We zijn steenrijk en doodsbang". De Korte refereert in dit verband ook aan een recent rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau waarin wordt gesteld: "We zijn (in Nederland - pv) best gelukkig, maar bang dingen te verliezen." En inder-daad, zegt de bisschop: "Er is veel waar we dankbaar voor moeten zijn (...). Maar laten we ons tege-lijkertijd niet opsluiten in onszelf en een gesloten wereld creëren die sommige populisten ons voorspie-gelen. De oplossingen voor de grote problemen moeten komen uit een grensoverschrijdend, universeel denken. (...) als christen zeg ik (...): we hebben één aarde, een gemeenschappelijk huis. Ga daarvan uit."

 

Niet iedereen denkt helaas zo. Het volk mokt. En dan kán het wat de Engelsen noemen een mob, een meute, een roedel honden, wolven of jakhalzen worden. We zíen het momenteel gebeuren in verband met de vluchtelingen, juist ook op het platteland. Ik denk dan aan die opgehangen varkens en zo. Eerlijk gezegd moet ik er niet aan denken, dierbare gasten en parochianen, als in Europa en Noord-Amerika allerlei enge, haatzaaiende types die zichzelf beschouwen als spreekbuis van 'het volk', van het ontevreden volk, als die het voor het zeggen zouden krijgen: Donald Trump in de Verenigde Staten, Marie le Pen in Frankrijk, Wilders bij ons. Het gevaar dat spoedig de democratie zelf in gevaar komt lijkt me dan niet denkbeeldig. Kijk maar naar Polen. En kijk maar naar Hongarije.

 

Tegen Jeremia zegt God: "Laat u door hen niet afschrikken (...) Ikzelf maak u (...) tot een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land (...). Zij zullen u bestrijden, maar niets tegen u vermogen. Want ik ben bij u om u te redden." In Jezus zien we diezelfde houding: "Ze (...) joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was om Hem daar in de afgrond te storten." Wég! - het dorp uit, het land uit, het museum uit, het leven uit. "Maar Hij", Jezus, "Hij ging midden tussen hen door en vertrok." Want Hij is niet bang. Want Hij, Jezus, heeft Zijn wortels in God die Hem kende voordat Hij Hem in de moederschoot vormde. Jezus ís niet de zoon van Jozef. Veel meer is Jezus de Zoon van God. Net als mijn hulp Sylvia noemt Jezus God: "Mijn Vader". Sylvia heeft dat van Jezus geleerd. Psalm 71 bidt: "Vanaf de moederschoot steun ik op U, Gij waart mijn beschermer sinds mijn geboorte." Mogen die woorden voor ons allen gelden. Mogen wij ze steeds meer ons eigen maken. Amen. 

 

 

Verkondiging

 

op 24 januari 2016, de derde zondag van het jaar, in de Kerk van O.L.V. Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door Maarten Jansen

 

Gelezen uit het boek Nehemia (8,2-10), de 1e brief v/d heilige apostel Paulus aan de Korintiërs (12,12-30) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (1,1-4 + 4,14-21)

 

“Erfgoed is alleen erfgoed als het controversieel is!” – Een pittige stelling, vond ik eerst, uit de mond van Albert van der Zeijden, een deskundige op het gebied van volkscultuur. Daar moest ik best even goed over nadenken. Is erfgoed dan zo omstreden?! We hebben het dus over historisch erfgoed, beste mensen! Over onze musea, culturen en tradities. En ik moet er wel bij zeggen: de uitspraak werd gedaan in het kader van de expositie over een contro-versieel onderwerp: graffiti, vandaag voor het laatst te zien bij het Amsterdam Museum.

 

Graffiti, het aanbrengen met stift of spuitbus van je (schuil)naam op de muren in de open-bare ruimte: een verschijnsel dat begin jaren tachtig vanuit de VS overwaaide. Het is een visuele uiting waar niet iedereen even blij mee is, maar desondanks de status heeft van (im-materieel) erfgoed: hieronder vallen alle uitingen, bijv. feesten, riten, kunstvormen, die een bepaalde gemeenschap kenmerken en door die gemeenschap in stand gehouden worden’.

 

Zoals graffiti aantoont – maar ook kwesties rond bijv. Zwarte Piet of het ritueel slachten van dieren – is erfgoed nogal eens aanleiding voor allerlei spanningen en heftige discussies. Erf-goed heeft eigenlijk per definitie nooit betrekking op onschuldige fenomenen. Erfgoed onder-scheidt immers een gemeenschap van anderen en dit onderscheidende aspect is vaak voort-gekomen uit onderlinge strijd of het afzetten tegen anderen.

 

Een stadsmuseum, zoals het Amsterdam Museum waar ik werkzaam ben, moet dan ook, indien ze in het midden van de gemeenschap wil staan, verder reiken dan het vertellen van onschuldige verhalen. Juist de gezichtsbepalende verhalen van en over bevolkingsgroepen 'schuren' maar al te vaak. Wat voor de ene stadsgenoot mooi en waar is, is voor de  ander een horror en jaagt ‘m in het harnas. Een modern stadsmuseum ziet het als taak om be-zoekers aan te zetten tot reflectie op bijv. de vraag: wat kan ik voor mijn stad betekenen? Net zoals wij dus als kerkgemeenschap naar buiten willen treden; ook wij manifesteren ons op feestdagen op het kerkplein of lopen in processie door de buurt. Ook wij vinden dat belang-rijk, al is het anderen een doorn in het oog. We hebben nl. iets te vertellen, vinden we.

 

Onze gebruiken en verhalen, ze zijn als muren: ze kunnen insluiten en buitensluiten. In zijn Geschiedenis van de Joden beschrijft de Britse historicus Simon Schama de gebeurtenissen uit het boek Nehemia die we vandaag horen als “een essentieel moment van zelfdefinitie van het Joodse volk”. Vele jaren nadat de Israëlieten zijn teruggekeerd uit de ballingschap in Babylon, in armoede moeten leven tussen het puin van het verwoeste Jeruzalem, is het Nehemia die het initiatief heeft genomen om de muren van de heilige stad weer op te bouwen. Maar zeker niet alleen als daad van verzet tegen armzalige omstandigheden. Schama noemt de gebeurtenissen “het hoogtepunt van een drama in drie bedrijven over her-inwijding en heropwekking”: eerst de bouw van een nieuwe Tempel op dezelfde plaats als Salomo dat ooit deed, vervolgens de restauratie van de stadsmuren en ten slotte – zo horen we vandaag – de openbare manifestatie van de wet van Mozes.

 

Met die openbare voorlezing door Ezra brengt Nehemia de oude joodse traditie van het reciteren terug. In de Torah kunnen we lezen dat Mozes van God de opdracht had gekregen om de Wet elk zevende jaar tijdens het Loofhuttenfeest voor te lezen aan heel Israël (Deut 31,11).

Nehemia heeft een tweeledig doel. Hij brengt de uit Babylon teruggekeerde mensen weer in contact met de essentie: de Wet en de geschiedenis van Mozes. Door de woorden weer nieuw leven in te blazen maakt hij het joodse volk weer tot één lichaam (om met Paulus te spreken). Maar het gaat Nehemia ook om zijn volk te behoeden van vreemde invloeden uit andere culturen. Nehemia wil muren bouwen die insluiten, maar zeker ook buitensluiten!

 

Vandaag horen we hoe Jezus op sabbatdag spreekt in de synagoge van Nazaret, het dorp waar hij is opgegroeid. Hij wordt dan ondertussen al in heel Galilea gerespecteerd als leraar, Geest-rijk uitlegger van de Torah. Het is een bijzonder moment: deze dag gebruikt Hij woorden van de profeet Jesaja om een stap verder te gaan, om tot de kern door te dringen: het Woord is in vervulling gegaan! Ook hier zien we een “essentieel moment van zelfdefinitie”: Jezus openbaart via de oude, profetische woorden aan het volk wie Hij is, wat Zijn van God gegeven missie is, nl. de armen en verdrukten te bevrijden. Vanaf dat moment mag iedereen die Hem kan volgen zien dat Hij de langverwachte Messias is, Zoon van een levende God!.

 

We mogen niet uit het oog verliezen dat Jezus een overtuigd jood was. Als je het evangelie met een onbevangen blik tracht te lezen, zou je je kunnen afvragen of het ooit Zijn bedoeling is geweest een nieuwe religie of kerk te stichten. Het was in ieder geval niet Jezus' intentie om afbreuk te doen aan de joodse tradities – zegt Hij immers zelf verderop in het evangelie: “…nog eerder vergaan hemel en aarde dan dat een letter van de Wet vervalt” (Lc 16,17). Jezus baseert zich wel degelijk op het joodse erfgoed: op de profeten en de Wet!

 

Maar Jezus komt in het evangelie ook naar voren als een rebel. Net als Nehemia brengt Hij de woorden van God weer tot leven. Zijn boodschap is alles behalve politiek correct, populistisch of salonfähig: Jezus rebelleert tegen Schriftgeleerden die de het leven uit de Torah wegzuigen! Hoewel Hij niets af wil doen aan de oude voorschriften van de Torah, geeft Hij de woorden weer lucht door ze op een andere manier uit te leggen. Hij vult ze aan, verheldert ze met een radicale gerechtigheid!

 

Jezus reanimeert met zeer krachtige woorden; Hij is in dat opzicht allesbehalve een vrede-brenger. Natuurlijk wil Hij niets liever dan het samenbrengen van mensen binnen de veilige muren van Zijn Vader. Maar Hij is zich heel goed bewust was van de verdeeldheid die Hij veroorzaakt. Het woord van God is controversieel, zo blijkt uit Zijn woorden:

Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede te brengen op aarde? Nee, zeg Ik jullie, eerder ver-deeldheid. (Lc 12,51)

 

Ook nu nog brengt de goede boodschap mensen uit balans, het levert irritatie op óf het ont-roert als hoogstaande wijsheid. Jezus doet ons bloed nog steeds sneller stromen. Hij zet aan tot gesprek, discussie én twist. Zo moeten we bijv. met een loodzwaar dilemma leven: ons geloof stelt immers dat Jezus de enige weg naar God is, hoe onmogelijk dat ook lijkt, aange-zien die weg anderen uitsluit! Andere religies denken dat immers ook, dat ze de juiste weg wijzen. Ach ja, ons waardevolle erfgoed, Jezus en de goede boodschap, wat kan ‘t schuren!

 

Maar er is ook een andere kant, een opening in die muur, want net zo waar is dat minstens zo omstreden gebod om je vijand lief te hebben. Ik vertaal dat met: mijn hart én mijn stad openstellen voor de andersdenkende – samen met hem aan tafel te gaan en zelf de mindere plaats in te nemen om zo open te kunnen staan voor een ander verhaal die de Boodschap verder kan verhelderen in het licht van de grote maatschappelijke problemen van vandaag. Dat is dus óók Zijn weg, Zijn wezen – hoe discutabel die misschien ook moge zijn voor velen. Alleen een levend Woord brengt ons samen. Het is de enige weg uit het dilemma, uit de twist. Want onze ergste vijand, dat zijn we vaak zelf. Amen!

 

Verkondiging

 

 

op 24 januari 2016, de derde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Nehemia (8, 2-4a.5-6.8-10); Psalm 19 (8.9.10.15), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (12, 12-30) en uit het heilig evangelie volgens Lucas (1, 1-4; 4, 14-21).

 

Hoe lang mag de mis duren?

 

Hoe lang mag de preek duren?

 

- Dat zijn van die onderwerpen, dierbare gasten en parochianen, die de gemoederen - van de kerkgangers, van u dus, zeer kunnen bezighouden en die tot de nodige opwinding kunnen leiden.

 

Hoe lang mag de mis duren? Hoe lang mag de preek duren? Ja... dat staat nergens - al bestaan er vele meningen over. De ervaring wijst daarbij uit dat er wat dit betreft grote verschillen zijn al naar gelang de tijd en de cultuur waarin mensen, waarin gelóvige mensen leven. Toevallig weet ik uit eigen ervaring dat in Afrika en op de Filippijnen de viering van de eucharistie op zondag vele uren in beslag kan nemen en voor de mensen dus echt de voornaamste bezigheid op zondag is. Men heeft daarbij absoluut geen haast. En wat denkt u van de eerste lezing van deze zondag, uit het boek van de profeet Nehemia? Daar hoorden wij hoe de lector, de profeet Ezra, "vanaf de dageraad tot de middag" voorlas uit het boek van de wet - die van Mozes. Toe maar! En "het volk luisterde aandachtig" zo hoorden wij.

 

Al die tijd? Konden de mensen destijds al die tijd hun aandacht bij die voorlezing houden? "Ezra, de schriftgeleerde" stond op "een houten verhoog". Kijk! Dat komt ons bekend voor! Een eerste preekstoel waar de bijbel zelf van verhaalt... Er zijn ook zogenaamde 'levieten' aanwezig. Dat zijn medewerkers van de priesters. "Zij lazen voor uit het boek van Gods leer, legden het uit en verklaarden de betekenis, zodat iedereen de lezing begreep" zo staat er. En ook dat "het hele volk in tranen was uitgebarsten" toen het de woorden van de wet hoorde... Bijzonder is dat. Wie raakt er tegenwóordig nog werkelijk ontroerd bij het horen van Gods Woord?

 

In de psalmverzen die wij hebben gebeden, uit de negentiende psalm, werd de wet, die van "De Heer", door vele bijvoeglijke naamwoorden gekwalificeerd. Die wet is "volkomen", "betrouwbaar", "rechtmatig", "bevredigend", "glashelder", "eerlijk", "waar", "rechtvaardig". Die wet "sterkt de onzekere geest", "onwetenden maakt zij wijs" en is "een licht voor het oog." En wij besloten ons psalmgebed met de bede: "Laat al mijn spreken en denken voor U aanvaardbaar zijn, Heer, voor U, mijn rots en verlosser." Uit die woorden spreekt dus het verlangen van de bidder om zélf te denken en te spreken op een wijze die recht doet aan het denken en spreken van Gód - in diens wet. Geďnformeerd worden door die wet: daar van binnen door gevormd worden, je daardoor láten vormen. Is dat ook ons verlangen dierbare gasten en parochianen? Is dat wat u verlangt? Is het mijn verlangen?  

 

Afgelopen donderdag stond er een artikel in het Noordhollands Dagblad: Het bestuur van de Sint-Jozefparochie in Zaandam is afgetreden. Want: men wenst zich niet te conformeren aan de regels die het bisdom oplegt wat betreft de viering van de eucharistie. De krant schrijft: "De Zaandamse katholieken denken zelf dat het best vrijer mag. De kerkleden zijn begaan met elkaar en vinden de intentie van het rooms-katholieke geloof belangrijker dan de verplichtingen." Gecitéerd wordt de kanselier van het bisdom, Eric Fennis. Hij zegt: "Kern is dat in een katholieke kerk het geloof gevierd en verkondigd wordt, zoals de kerk dat vraagt. Daarop hebben de gelovigen recht, en daarvoor is de bisschop verantwoordelijk." Einde citaat.

 

Zó. Basta. Dat is heldere taal.

 

Een kerkelijk conflict. Een conflict dat hoog op kan lopen. Hoe daarmee goed omgaan? Van de apostel Paulus hoorden wij vandaag de passage uit diens eerste brief aan de christenen van Korinthe waarin hij de geloofsgemeenschap vergelijkt met: een lichaam. "Gij zijt", jullie zijn, "het lichaam van Christus". En: "God heeft het lichaam zo samengesteld (...) opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zijn en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen." Hoe dat laatste, het voor elkaar zorgen, binnen de Sint-Jozefparochie te Zaandam gestalte krijgt, daarmee is men binnen de parochie zelf volgens de krant blijkbaar erg tevreden. Maar de bisschop is niet tevreden met hoe de liturgie gevierd wordt. En zo was ook reeds Paulus ontevreden en maakte híj zich ongerust over verschillende aspecten van het leven binnen de eerste, door hemzelf gestichtte christelijke geloofsgemeenschap in Korinthe. In die zin is er dus niets nieuws onder de zon in Zaandam. Daar is herrie en gebakkelei zoals die er ook al waren in Korinthe destijds. En ik denk: dat kán een troostrijke gedachte zijn: Wij zijn de eersten niet. En wij zijn de enigen niet.

 

Maar... opnieuw de vraag: Hoe daarmee nu goed om te gaan? Paulus maakt duidelijk: Een lichaam is een organisch geheel. De verschillende organen daarbinnen zijn allemaal nodig en moeten goed op elkaar zijn afgestemd. En zo zijn er binnen het lichaam dat de kerk is eveneens verschillende taken en verantwoordelijkheden en daarvoor geldt hetzelfde: ook die moeten goed op elkaar worden afgestemd. Paulus schrijft: "Juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn, zijn onmisbaar. En die wij beschouwen als minder eerbaar omgeven wij met grote eer. Onze minder edele ledematen worden met groter kiesheid behandeld, de andere hebben dat niet nodig." Ik vermoed, veelgeliefden, dat deze woorden juist in verband met situaties als die in Zaandam belangrijk zijn. Zo'n situatie vereist grote fijngevoeligheid, behoedzaamheid en stuurmanskunst. Van harte hoop ik dat het onze hulpbisschop Monseigneur Jan Hendriks die de Zaandamse Sint-Jozefparochie rechtstreeks zelf is gaan besturen, dat hem dat lukken mag en dat hij dus over de genoemde kwaliteiten in deze beschikken mag. En hetzelfde geldt voor ons. In ónze omgang met elkaar en met de zaken des geloofs, daarin kan het ook voor óns soms op eieren lopen zijn. Met individuele personen en specifieke kerkelijke en andere omstandigheden goed omgaan, zodanig dat anderen en wijzelf daar gelukkiger van worden en door groeien, zodanig dat ook 'het grote geheel' van kerk en samenleving daarmee gediend wordt, dat is geen eenvoudige zaak.

 

In en met het evangelie van deze zondag worden wij geconfronteerd met een zogenaamd Droste-effect. U weet wel: dat doosje cacao met die zuster er op die een dienblad in haar handen heeft met daarop precies zo'n zelfde doosje cacao met een zuster er op die een dienblad in haar handen heeft enzovoort... Zo'n effect is er vandaag in en met het evangelie óók. Want: ik heb u hier in de kerk Jezus' woorden voorgelezen, de woorden van Jezus die op Zijn beurt in de synagoge de woorden van de profeet Jesaja voorleest. En: "aller ogen waren gespannen op Hem gevestigd." Zo was dat destijds in Nazaret. En hoe is dat nu hier? Verwacht ú híer ook iets te horen, te zien, mee te maken van belang? Ik sta hier. Tegelijk staat Jezus hier. En tegelijk staat Jesaja hier. 

 

"Hij heeft Mij gezonden om aan armen de blijde boodschap te brengen, (om) aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer." Dát zegt Jesaja. Dat zegt Jezus. Dat zeg ik. En dat laatste: zo'n genadejaar afkondigen, dat heeft paus Franciscus pas gedaan. Op de afgelopen achtste december heeft hij geopend: een speciaal Heilig Jaar van Barmhartigheid.

 

En waar gaat het dan om, in en met zo'n jaar?

 

Waar gaat het in dít heilig jaar om?

 

Op 12 januari heeft paus Franciscus daar een boekje over laten verschijnen dat in 82 landen tegelijkertijd is uitgekomen, natuurlijk ook in Nederland. De naam van God is genade heet dat boekje en feitelijk is het een uitvoerig interview met de paus óver die barmhartigheid - over die genade van God. Ik geef u één citaat dat mij bijzonder trof.

 

De paus zegt: "Ik heb een speciale band met mensen die in de gevangenis verblijven, ontdaan van hun vrijheid. Ik heb me altijd erg met hen verbonden gevoeld, juist vanwege het besef dat ík een zondaar ben. Elke keer als ik een gevangenis binnenga voor een viering of een bezoek, komt de gedachte bij me op: waarom zij wel en ik niet? Ik had hier moeten zitten, ik zou het verdienen om hier te zitten. Hun misstappen hadden de mijne kunnen zijn; ik voel me niet beter dan degenen die ik tegenover me zie."

 

Tot zover de paus. En ik denk, zo doe je dat dus: "gevangenen hun vrijlating bekend maken". Waarom zij wel en ik niet? Ik had hier moeten zitten. Hun misstappen hadden de mijne kunnen zijn. Ik voel me niet beter dan degenen die tegenover me zitten.

 

Laatst sprak ik met een dame die vreselijk amok zat te maken over iemand die ze helemaal niet goed kent. Ze sprak over die persoon allerlei ideeën en oordelen uit. En wat zij allemaal dacht en meende, dat was evident onwaar. Dat klopte echt niet. En wat klonk wat zij allemaal zei naargeestig, kil en hard. Ik probeerde het haar duidelijk te maken maar er was met haar duidelijk even geen land te bezeilen. Ik werd daar werkelijk niet goed van en ik heb mij maar snel aan haar en aan de situatie onttrokken. Ze had zo verschrikkelijk gelíjk. Ik heb mij uit de voeten gemaakt en ben daar vertrokken, vlug weg.

 

Later sprák ik met iemand, een wijs iemand, over die situatie. Hij zei: "Oordelen, daar zitten altijd verdrongen behoeftes, daar zitten altijd verborgen verlangens onder van degene die ze uitspreekt - die oordelen."

 

Veelgeliefden, ik denk dat het waar is. Mensen die oordelen over een ander, die zitten zélf op de een of andere manier vast, die zétten zichzélf vast. Misschien zijn ze wel jaloers op degene op wie ze zoveel hebben aan te merken: op zijn of haar vrijheid. Die ander doet misschien wel dingen die zij zichzelf niet toestaan, die ze zelf ook zouden willen doen, maar niet durven te doen. En daardoor sluiten ze zichzelf op in een gevangenis met onzichtbare maar échte, pijnlijke tralies. Kan iemand daar uit komen? Kan iemand daarvan verlost worden? Kun jíj iemand daarbij helpen? Ik denk: dat is niet zo eenvoudig, om niet te zeggen: dat is beremoeilijk. Ik denk: dat is alleen mogelijk als jijzelf beseft én uitspreekt, in de biechtstoel en daarbuiten, zoals paus Franciscus het doet, hoe kwetsbaar, hoe onvolmaakt, hoe hulpeloos, onvermogend en zondig je zelf bent. Alleen dán kunnen de deuren van de gevangenis opengaan, de deuren van je eigen gevangenis en die van een ander. Van harte hoop ik en wens ik ons allen toe dat wij dáártoe in elk geval af en toe enigzins en liefst uiteraard zoveel mogelijk; dat wij daartoe in staat  mogen zijn. Amen.     

 

Verkondiging

 

op 10 januari 2016, Feest van de Doop van de Heer, in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (40, 1-5.9-11), Psalm 104 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14; 3, 4-7) en uit het heilig evangelie van ons Heer Jezus Christus volgens Lucas (3, 15-16.21-22).

 

Ondergedompeld worden... in een nieuwe, in een vreemde cultuur, dat is zoals bekend niet altijd een gemakkelijke en vanzelfsprekende zaak, zeker niet, denk ik, als het gaat om door oorlog en terreur vaak ernstig getraumatiseerde mensen die afkomstig zijn uit een overwe-gend islamitisch land die terechtkomen in een West-Europees land met een vrije, open, per-missieve, vanouds christelijke maar intussen geseculariseerde, niet langer als zodanig gods-dienstige cultuur met een totaal andere man-vrouwverhouding als in het land waaruit men vertrokken is. Ik denk natuurlijk aan 'Keulen'. Men zou God op z'n blote knietjes moeten danken dat men het 'gered heeft' en dat men als vluchteling welkom is en dat er opvang-voorzieningen worden gecreëerd. Maar... frustrerend moet dat ook zijn... om afhankelijk te zijn van de welwillendheid van het steenrijke ontvangende land en de bewoners daarvan en om daar zelf totaal berooid te zijn, zeker als jonge, viriele, alleenstaande man: geen cent, geen werk, geen zinvolle dagbesteding, ver weg van familie en vrienden, geen vrouw, geen intimiteit, geen seks... om dus op een houtje te moeten bijten. Dat zulke omstandigheden potentieel gemakkelijk frustrerend kunnen zijn en men geneigd kan zijn om de grenzen op te zoeken en om daar overheen te gaan, daar vér overheen zelfs, daar kan ik mij iets bij voorstellen, hoe dat kan gebeuren, zeker als er drank in het spel is. Veel van die mannen moeten behoorlijk gedesoriënteerd zijn en last hebben van een heftige "cultuur-shock" zoals dat dan heet. Ja... die term bestaat... De meeste mensen weten denk ik wel wat ermee bedoeld wordt. Maar toch heb ik de term in verband met 'Keulen' nog nergens gelezen of gehoord. Maar misschien heb ik wat gemist.

 

In het evangelielezing van vandaag, op dit feest van de Doop van de Heer, wordt er ook ondergedompeld. De mensen worden ondergedompeld, gedoopt door Johannes, en zo ook Jezus. Johannes doopt in water en hij zegt: "Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik (...). Hij zal dopen met de heilige Geest en met vuur." Dat klinkt als een heftige ervaring. Water en vuur. Die beide worden in de woorden van Johannes de Doper tegenover elkaar gezet als twee ervaringen van een geheel verschillende orde. De doop in en met water is níets, is nog maar kinderspel vergeleken met de doop in vuur en Geest.

 

Waar gáát het om, bij en in dat laatste: die doop in vuur en Geest? Ik denk: onze evangelie-tekst maakt dat zichtbaar, letterlijk, door te verhalen dat "de hemel openging en (...) de heili-ge Geest, in lichamelijke gedaante, als een duif, over Hem", over Jezus, "neerdaalde".

 

Ja, zoiets kun je hebben...

 

Het heeft in de eerste helft van de afgelopen week nogal geregend. Ik dacht donderdag: Dat wordt me wat, morgen op de begraafplaats, Buitenveldert, als we mevrouw Bierman gaan begraven. Maar... wonder boven wonder... het was vrijdag tijdens die uitvaart droog. De zon

brak zelfs door. En die ervaring, juist in zulke omstandigheden, kan dan echt voelen als 'een cadeautje'. Toeval. Het valt je toe. Dat heeft het hoofdkantoor, de hemelse regiekamer, mooi geregeld kunnen we dan zeggen. En als er op het moment supręme nota bene een duif neerdaalt, dan is dat hoofdkwartier, de afdeling special effects helemaal goed bezig.

 

Op het hek van de Vredeskerk hangt nu al een paar jaar een groot zeildoek met een foto van een stralende paus Franciscus op wie ook zo'n duif neerdaalt. Magisch gewoon is dat. Onder de paus het woord "Welkom!". Ja, dat trekt - hopelijk .

 

Zou er toen Jezus gedoopt werd ook zoiets aan de hand zijn geweest? Wie weet. Of: Vast. De zon breekt door de wolken. Een duif daalt neer. En uit de hemel klinkt een stem: "Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde."  Ik denk: die stem klinkt ook van binnen bij Jezus. God is blij met Jezus. Jezus weet en voelt zich bemind. Liefde die verbindt, dát is de Geest. Die Geest, die liefde, die vreugde, die brándt, geeft licht, verwarmt, als vuur.

 

"De goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen en Hij heeft ons gered" schrijft de apostel Paulus in zijn brief aan Titus, in de tweede lezing vandaag. "Hij heeft ons gered door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest. Want Hij heeft de Geest overvloedig over ons uitgestort door Christus onze Heiland." Die Geest van Jezus, die liefde, die vreugde, dat vuur... als het goed is, dan zit dat, dan zit Die ook in ons.

 

Voelt u Hem? Heeft u Hem, die Geest? Leeft die Geest die Jezus heeft, Jezus' Geest, Gods Geest, leeft die ook in u, in jou? Wie het heilig vormsel heeft ontvangen, het sacrament van de Geestesgave, die mag daar op vertrouwen, die mag daar van uitgaan. Maar voelen... ? Dat is natuurlijk een andere zaak. Soms wel misschien. Maar soms misschien ook niet.

 

Eén van onze parochianen, een dokter, heeft een huis op een Grieks eiland, een eiland waar het afgelopen jaar veel vluchtelingen zijn aangespoeld. Zo ook... een jonge man met een dwarslaesie. "Precies mijn specialisme" vertelde de arts-parochiaan mij. Ze had hem, die jongen die in de rug was getroffen door een projectiel, in een taxi gezet en naar het zieken-huis in de hoofdstad begeleid. Haar dochter trouwde op het eiland. Maar ze had, dochterlief, op haar trouwdag water en voedsel staan uitdelen.

 

"O wat erg" hadden mensen gezegd, "die hele trouwdag in het water". Maar zo dacht de dochter en zo dacht haar moeder, de arts, er niet over. Nee, moederlief, was vol passie, vol vuur, vol liefde en eigenlijk vreugde terwijl ze er mij hier in de kerk over vertelde. En dat was toch wel duidelijk de Geest van Jezus, die van God, die zo in haar sprak dacht ik.

 

"De genade van God, bron van heil voor alle mensen", niemand uitgezonderd dus, "is op aarde verschenen. Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd" schrijft Paulus aan Titus. De boos-doeners van Keulen zouden van die woorden duidelijk iets kunnen leren. Want het was een goddeloze toestand daar in de nacht van oud op nieuw, nota bene pal naast de Dom. En het zinderde daar van de wereldse begeerten - bij en in allerlei aanwezige vluchtelingen misschien, maar hoe zat het met de autochtone bevolking?

 

"Bezonnen, rechtvaardig, vroom". Ik denk: het zijn precies de kwaliteiten die we nodig hebben in dit verband. Want... lijkt het er ook niet een beetje op dat mensen in verband met 'Keulen' op tilt zijn geslagen? Is er geen sprake van een zekere hysterie, om niet te zeggen: massa-psychose? Laten we in godsnaam, ja in Gods naam, bezonnen zijn: een beetje rustig

 

blijven, ons niet gek laten maken, een beetje helder blijven denken en de hand vooral ook in eigen boezem steken. De Duitsers, en de Hollanders, zijn ook zelf niet altijd allemaal de braafste jongetjes en meisjes van de klas. Laten we rechtvaardig zijn en niet vanwege 'Keulen' nu opeens alle vluchtelingen diskwalificeren en afserveren. Dat zou heel ónrecht-vaardig zijn.

 

Laten we vroom zijn. Laten de mensen daar in Keulen lekker bidden in de Dom of in de moskee van mijn part.

 

Gisteravond in het achtuurjournaal zagen we dat allerlei moskeeën in Frankrijk, een jaar na 'Charlie hebdo' extra hun deuren openen. De voorzitter van een moskee zei: "Vaak staat de islam in een slecht daglicht." Maar: "De islam staat voor vrede en liefde".

 

Zou dat zo zijn veelgeliefden? En: bent ú al eens in een moskee geweest? Zo niet, dan is het misschien een idee om dat toch eens te doen, om daar toch eens belet te vragen en daar een kijkje te nemen. Ook de Amsterdamse moskeeën openen af en toe hun deuren. Ik denk: als men zegt dat ook de islam voor vrede en liefde staat, laten wij dat dan serieus nemen. Laten mensen die moslims wantrouwen zich over dat wantrouwen heenzetten en hen in elk geval het voordeel van de twijfel geven en de kans geven om te laten zíen dat de islam in-derdaad over vrede en liefde gaat, net als ons eigen geloof - dat zich in de loop van de ge-schiedenis ook helaas niet altijd aldus, als vrede en liefde gemanifesteerd heeft, denk maar aan de inquisitie, de Dertigjarige oorlog, de verovering van Latijns Amerika en de slaven-handel.

 

Een Franse meneer die we op het journaal een moskee zagen betreden zei: "Het is de eerste keer dat ik in een moskee ben. Ik wil mij gewoon verbroederen met mijn broeders, dat is alles."

 

En veelgeliefden, dat is het inderdaad: Jij bent mijn geliefde zoon, jij bent mijn geliefde dochter. In ben blij met jou. Zo spreekt God - tot elk mens denk ik. Maar niet iedereen hoort Zijn stem. Dus wíj moeten dat ook zeggen, onderling en tegen vreemden, tegen vluch-telingen en tegen moslims. Als wij dát doen, dán gaat de hemel open en spreekt God, Zijn Geest, die van  Jezus, in en door ons. Amen.                

 

Verkondiging

 

op 3 januari 2016, hoogfeest van de Openbaring des Heren ('Driekoningen'), in de kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 71 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze (3, 2-6) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (2, 1-12).

 

In zeven jaar tijd is het aantal bezoekers van onze kerk met Kerstmis teruggelopen van 2700 in 2008 naar 2068 afgelopen Kerst. Dat is: 632 mensen minder dus, een achteruitgang van 23%. Dat is niet niks. Maar, schrale troost: ook bij óns zien we dus gebeuren wat in en met de Roomse kerk in Nederland over de hele linie gebeurt. Wij kunnen dus echt niet zeggen: Óns huisje gaat dat voorbij. En: Óns raakt het niet. Wíj zijn de uitzondering. Bij ons gaat het getalsmatig goed. Nee, dierbare gasten en parochianen, zo is het dus niet. Wij zitten in hetzelfde schuitje als de rest. Om dat te bedenken is goed voor onze nederigheid. En daar staat dan tegenover: Gedeelde smart is halve smart. Toch?

(Ter vergelijking: De cijfers voor de Vredeskerk zijn: 1625 (2008) en 1265 (2015) oftewel: -22%. Dit is exclusief de vieringen van de Filippijnse El Shaddai-gemeenschap die ook in de Vredeskerk bijeenkomt. Met dank aan Ad van Velsen (Rozenkranskerk/Obrecht) en Elly Visser (Vredeskerk).

 

Maar... hoe toch die trend, die neerwaartse curve duiden? De gedachten en analyses zullen in dit verband uiteenlopen: Het komt door de laatste twee pausen! Het komt door de kardinaal! Het komt door de bisschoppen! Het komt door de pastoor! Het zijn de priesters! De mannen van de kerk zijn niet heilig genoeg! Of nee: ze zijn juist te on-werelds. Ze zijn te conservatief. Of: ze zijn juist te liberaal. Of belangrijker nog: Ze zijn niet aardig. Ze spreken niet aan. Het komt door de aard en de stijl van de vieringen. Het is niet hip genoeg. Of: het is juist niet klassiek, niet traditioneel genoeg.

 

Mensen geloven gewoon steeds minder in God! Er is dat afschuwelijke seksueel misbruik dat aan de oppervlakte is gekomen en dat in de media en de publieke opinie echt nog niet vergeten is. Intussen blijft de Kerk wél bij haar in Nederland gemiddeld niet erg gewaardeer-de visies op seksualiteit en relaties en op het gebied van het begin en einde van het leven. We hebben dan inmiddels wel paus Franciscus, maar één zwaluw in Rome maakt het in Nederland nog niet direct lente.

 

Enzovoort.

 

Waarom daalt nog altijd het aantal kerkgangers, ook met Kerstmis? Hoe komt het? Wie zal het zeggen? 

 

En hoe met die situatie omgaan? " 'T is zoals 't is, bid voor ons" zeiden mijn oma en mijn moeder altijd. Dus... maar gewoon verder gaan...? Einfach weiter machen? Doorgaan, onverstoorbaar, zoals een D-Zug? En wat gebéurt er dan met die trein? Komt die in een weiland tot stilstand? Rijdt die op een afgrond af? Of zal de beweging vroeg of laat toch weer opwaarts gaan? Zullen we met onze kerk op enig moment weer in de lift komen? Maar wie of wat kan of zal dat dan bewerkstelligen? En: Wat moet daarvoor dan gebeuren?     

 

En... Wat doet intussen de minder rooskleurige situatie waarin wij ons bevinden, in de kerk, maar ook in de wereld; wat dóet die situatie met ons, met de mensen van de kerk? Wat doet die situatie met u, met jou, met mij? Kunnen wij, kun jij, kan ik die situatie wel aan? Houden wij het daarin en daarmee uit?

 

Ik moet u eerlijk bekennen, dierbare gasten en parochianen, dat ik persoonlijk de laatste maanden echt lást heb van malaise- en impassegevoelens en van een nogal stevige

motivatiecrisis. In zulke omstandigheden valt het dan niet steeds mee, dat zult u begrijpen, om je bed uit te komen, om te bidden, om 'er te zijn' voor mensen, zo goed mogelijk, en al je taken met bezieling te vervullen.

 

Tja...

 

Wat moet je ermee? En: Waar moet het heen?

 

Met die laatste vraag zaten de wijzen uit het oosten ook. 'Wijzen', μάγοι in het Grieks: 'magiërs' vertaalt de jongste editie van de Willibrordvertaling. Je denkt bij die term meteen aan 'magisch' en dat past ook wel. De evangelietekst van deze dag, van dit hoogfeest van de Openbaring des Heren oftewel Driekoningen, die tekst, met die ster en die magiërs, hééft iets magisch. Als een magneet worden de magiërs door die ster aangetrokken en geleid. Als we de tekst van onze eerste lezing uit de profeet Jesaja erbij betrekken, dan wordt het hele-máál mooi... "Zie... de duisternis bedekt de aarde, en donkerte de volken, maar over u gaat de Heer lichtend op, zijn heerlijkheid verschijnt over u. (En) volken komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad. Sla uw ogen op en kijk om u heen, allen verzame-len zich en komen naar u toe (...) U zult het zien en stralen van vreugde, uw hart zal trillen en zwellen;" - denk maar aan de kanarie!; "de schatten van de zee worden naar u toegebracht, de rijkdom van de volken komt naar u toe. Een vloed van kamelen zal u bedekken, drome-darissen van Midjan en Efa; alle bewoners komen uit Seba, met goud en wierook beladen."

 

Een magische, een tóverachtige, een hypnotiserende sfeer in deze Jesaja-tekst - die door de liturgie in verband wordt gebracht met "de pasgeboren koning van de joden". Als een magneet trekt Hij mensen, en om te beginnen de wijzen uit het oosten, áán. Dat is het visoen. Dat is de belofte. En: In de trek en toevloed van mensen met Kerstmis naar de kerk zien we het jaarlijks in zekere zin gebeuren. Maar... wat nu als ook dát minder wordt?

 

Ach ja, veelgeliefden, maar "minder" is natuurlijk niet "afwezig" of zelfs: "verdwenen" of "weg". Laten we maar niet te somber zijn en ons niet op die dalende aantallen fixeren - maar ze ook niet ontkennen. Ook in deze tijd kunnen mensen in hun ziel daarbij een onderstroom ervaren die trékt. Recentelijk las ik een boekje getiteld Afgedwaald. Ondertitel: Op zoek naar een weg terug naar Rome. Schrijver ervan is de oud-journalist Kees Schaepman die met name voor Vrij Nederland en de VPRO werkte. De priester en grote katholieke emancipator Herman Schaepman, uit Tubbergen in Twente, was een oudoom van hem.

 

Ik lees in zijn boek: "Op de markt in Weerselo heb ik een groot ijzeren kruis gekocht, dat daarvoor nog langs een Frans landweggetje stond. Aan de muur van mijn woonkamer hangt een zeventiende-eeuws houten Christusbeeld dat ik in een opwelling kocht bij een antiquair op de Amsterdamse Prinsengracht. Het stond moederziel alleen in de kleine etalage, ik liep erlangs omdat mijn fiets een lekke band had en werd er onweerstaanbaar door aangetrokken, zodat ik honderd meter verder omdraaide en terugliep om het te kopen. Mijn huis wordt steeds katholieker. In mijn slaapkamer staat een Mariabeeldje dat ik ooit in Lourdes kocht, gevuld met water uit de heilige bron. Katholieke kitsch, vond ik wel grappig. Maar als ik nu wakker word, kijk ik eerst of dat vertrouwenwekkende beeldje er nog staat."

(Kees Schaepman, Afgedwaald. Op zoek naar een weg terug naar Rome. Zutphen (2014), p. 91)

 Zijn conclusie: "Ik heb een religieuze rugzak meegekregen waar ik nooit meer van afkom." Aldus Kees Schaepman. "Katholiek-zijn... daar kun je niets aan doen, dat kun je niemand kwalijk nemen, dat is geen keuze, het is een geaardheid, zoals homoseksualiteit of heteroseksualiteit" zei cabaretier Herman Finkers in College Tour tegen Twan Huys. En ook: "Ik vind het een prachtig geloof".

 

Ja...

 

aar... is het toch ook nog méér dan een bepaalde cultuur en nostalgie? Is het ook Hijzelf, "de pasgeboren koning van de joden" die katholieken-van-huis-uit, afgedwaald of niet, blijft trekken? Óf is wat zij, en misschien ook wij, op dit vlak ervaren enigszins vergelijkbaar met wat de wijzen ervaren die in het evangelie "met buitengewoon grote vreugde" worden vervuld, die op hun knielen neervallen en die het kind huldigen? Hebben ook wij, mét de apostel Paulus in de tweede lezing vandaag enig "inzicht in het geheim van Christus"? Kunnen wíj ons eenvoudig aan Hem, aan Christus overgeven en gewonnen geven?

 

Kees Schaepman schrijft: "Als ik Hem vind, zullen al mijn vragen beantwoord worden. Maar hoe zit het dan met de vragen die ik over Hem heb?" Zijn ex-schoonmoeder zei altijd tegen hem: "Je moet je ratio loslaten en je gevoel toelaten". En als Kees dan vroeg waaróm, dan bewees dat volgens haar, volgens die ex-schoonmoeder, dat Kees toch weer met zijn hoofd en niet met zijn hart bezig was. 

 

Ach ja veelgeliefden: dat hart van ons - dáár gaat het natuurlijk uiteindelijk om. "Aan het roer die avond stond het hart en scheepte maan en bossen bij zich in..." - Gerrit Achterberg.

                              (Uit het gedicht 'Afvaart' (1930), in: Verzamelde gedichten, Amsterdam (1963).

 

 Moge óns hart ooit in staat zijn om onze ratio en al die vragen van ons bij zích in te schepen en naar Jezus te gaan - om bij en voor Hem dan al onze "schatten tevoorschijn" te halen en Hem aan te bieden: het goud van onze geest, de wierook van ons gelovig verlangen en de mirre van onze sterfelijkheid.

 

En hoe moet het nu met onze kerk? Waar moet het heen? In een interview in Trouw zegt bisschop De Korte van Groningen: "Uiteindelijk bepaalt de geloofskracht van de christenen in dit land wat er van ons geloof nog overblijft. Eigenlijk zeg ik: christenen neemt uw verantwoordelijkheid."

('CDA is bang voor de vluchteling'. Interview door Stijn Fens met bisschop Gerard de Korte in Trouw (de Verdieping) van 31 december 2015. Ik heb de tekst op internet gelezen.) 

Die woorden maak ik graag tot de mijne. Ik geef ze u graag mee en wens u allen daarbij: een gelukkig, nee een Zalig Nieuwjaar. Amen.       

 

Verkondiging

                                                                                                                                    

op Nieuwjaarsdag 2016, hoogfeest van de Moeder Gods, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Numeri (6, 22-27), ui t de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten (4, 4-7) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 16-21).

 

Gistermiddag, oudejaarsdag, hadden wij hier vanuit de kerk de uitvaart van mevrouw Willy Ottenhof-Honselaar die 77 jaar oud mocht worden. Een fantastische, altijd stralende vrouw. Een gelukt leven. Dat was een mooie afsluiting van het jaar. Al die mooie bloemen hier voor het altaar en op de communiebanken hebben wij aan haar en aan haar familie te danken. Het lichaam van Willy hebben wij begraven op het kerkhof naast de Pancratiuskerk in Sloten waar ik vlak na Kerstmis 2014, een jaar terug dus, de uitvaart en begrafenis meemaakte van Theo Bancras die eindeloos veel jaren de pastoor was van Sloten. Ik vroeg aan de bejaarde koster die assisteerde op de begraafplaats hoe het de parochie sinds de dood van Theo vergaan was. Hij bleek vooral erg tevreden met de missen waarin een zekere, mij onbekende pater Mulder voorgaat. Die pater doet het inhoudelijk goed volgens de koster, zo meende ik te begrijpen. En vooral: De mis is binnen een uur afgelopen. "Daar houden de mensen hier van", zei hij. Als ik zoiets hoor, dierbare gasten en parochianen, dan zakt mijn broek af. Gelukkig had ik ook nog al die priestergewaden aan. Waar zijn we nou kerk voor? Waarom gaan we er naar toe? Om zo snel mogelijk weer thuis te zijn? En wat doe je daar dan, thuis? Waar heb je het dan thuis zo druk mee? Ik begrijp zulke mensen dus niet. Maar: dat zal wel aan mij liggen. 

 

Bij het uitgaan van de kerk hier had ik te horen gekregen dat mijn Vlaamse gast op de pastorie, Miguel Stas, die er al vanaf voor Kerstmis was; dat hij spoorslags was teruggereisd omdat hij bericht had gekregen dat er bij hem thuis in Gent was ingebroken. Dat was dus voor hem geen mooi presentje op oudjaarsdag. En voor mij ook niet, want ik was nu onverwacht alleen thuis op oudejaarsavond - die ik ook vaak en graag heb doorgebracht bij mijn overburen, die van de kerk dus ook, Anne Buurma en Lot Lohr. De bubbelwijn en appelflappen om naar hen mee te nemen stonden klaar, maar... ik heb mij er niet toe kunnen zetten - zelfs niet om hen een mailtje te sturen of op te bellen. Het zat er op de een of andere manier 'niet in' dit jaar. Ik ben vroeg naar bed gegaan, met een boek, maar ben al spoedig ingeslapen. En het is állemaal langs me heengegaan: de oudejaarsavonduitbundigheid en

-jolijt, en ook Herman Finkers op de t.v. Om middernacht ben ik ook niet opgestaan om de klokken van de Vredeskerk te laten beieren. De buurt heeft het dit jaar met alleen het vuurwerk moeten doen, zonder de kerk. Zou het door mensen gesignaleerd zijn? En zo ja: heeft men het betreurd? Niet meedoen: hoe erg is dat? Doen wij er nog toe als kerk? Doe ik er nog toe als pastor en als persoon, als Pierre? Doe ik en doen wij er toe voor anderen? Doen wij, doe ik er toe voor mijzelf, voor onszelf? Waar is het allemaal goed voor? Wat heb je er allemaal aan? Wordt het er beter op in de wereld en in mijn eigen bestaan? Wat is de zin van het leven? Heb ik, hebben wij wel 'zin' in 2016?

 

Het moge, veelgeliefden; het moge duidelijk zijn: als we het allemaal uit en van onszelf zouden moeten hebben, dan zouden we het niet redden. Soms kun je de ervaring hebben als mens en ook als predikant: dat je 'het' uit je tenen moet halen. En zit daar nog wel wat, in die tenen? Nee, als we er, ook in dit nieuwe jaar 2016, alléén voor zouden staan, dan halen we de eindstreep niet, niet op een goede manier althans, want komen doet die eindstreep natuurlijk sowieso.

 

We zijn echter niet alleen. God is er ook nog. Hij reikt ons hier voortdurend de hand - een hand die je dan natuurlijk wel moet pakken.

 

God is er. En we hebben: Zijn Woord, Zijn Zoon en, speciaal ook op Nieuwjaarsdag: Zijn Moeder, Maria, de Moeder Gods. Dáárom komen we toch zeker naar de kerk? - niet om naar de praatjes van een zekere Pierre Valkering, pr. te luisteren, maar we komen toch voor Hem: voor God, voor Jezus, en voor haar: voor Maria...?

 

De eerste lezing die wij vandaag hoorden, kwam uit het boek Numeri. Het was de tekst waarin de zogenaamde Aäronitische, de priesterlijke zegen klinkt. Wij kennen die hier heel goed, want altíjd klinkt die in onze vieringen aan het eind: "Moge de Heer u zegenen en behoeden! Moge de Heer de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! Moge de Heer zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!" Heerlijke woorden! Letterlijk!: Heerlijke woorden - die van de Heer - die de priester spreekt of zingt. "Als zij", Aäron en zijn zonen, de priesters; "Als zij zo mijn naam over de Israëlieten uitspreken, zal ik Ik hen zegenen", zegt God tegen Mozes.

 

De apostel Paulus, in de tweede lezing uit zijn brief aan de Galaten; Paulus schrijft daarin: "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God Zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet stonden vrij te kopen, opdat wij de rang van zonen zouden krijgen." Die woorden gaan over de Israëlieten, díe zijn door Gods Zoon vrijgekocht en die staan daardoor niet langer "onder de wet". Ze zijn geen onderhori-gen, geen slaven meer, maar vrije mensen: zonen en dochters. En de anderen, zij die van geboorte geen Israëlieten zijn, wij allemaal, mogen erbij horen. En daarmee geldt die Aäronitische, die priesterlijke zegen ook voor ons. Wij zijn gezegende mensen. Wij worden op deze eerste dag van het nieuwe jaar 2016 opnieuw gezegend. En op die zegen mogen wij ons leven bouwen. Van die zegen leven wij.

 

In zijn Galatenbrief vervolgt Paulus: "En dit is het bewijs dat u zonen bent: God heeft de geest van Zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!" En met en in die woorden is dan natuurlijk meteen een vraag aan ons allen gegeven, namelijk: Hoor je wat? Voel je wat? Ervaar je dat roepen van de geest van Jezus om Zijn Vader in jou? En zo ja, wat is dan de aard van dat roepen? Is het een noodkreet? Is het een meer of minder wanhopig roepen om hulp? - zoals van een kind dat om z'n vader of z'n moeder roept? "Vader!" "Moeder!" Of is het een 'vertrouwvol roepen' of zelfs een vreugdevol roepen in de zin van: wij, Hij en ik, wij zijn met elkaar verbonden? Ik ben zeker van Hem. En Hij laat mij zeker niet los. Ik denk: een mens kan zichzelf hierin trainen - in dat roepen om God. Gewoon doen: in en voor jezelf, in stilte of desnoods hardop, dát woord zeggen: "Abba", "papa", "Vader". Of is dat 'doorge-stoken kaart'?  Wordt het dan een zelfgegenereerd en niet 'écht' effect, maar eerder een trucje? Zou 'het', dat woord, die Naam, in wie werkelijk gelooft helemaal vanzelf in en vanuit het diepste van het hart moeten opwellen? Gebéurt het in wie zichzelf helemaal aan God overgeeft en toevertrouwt gewoon en hoef je daar niets voor te doen? Vermoedelijk is dat laatste het geval. Van de andere kant: het is toch ook niet verboden om met de genade mee te werken? Hoe zit dit bij u? Hoe werkt dit bij u van binnen? Hoe gaat u er mee om? En hoe zat dat nu bij mij bijvoorbeeld toen ik in de afgelopen nacht van oud op nieuw voor pampus lag in mijn bed temidden van het geknal?

 

In het evangelie kwamen wij opnieuw de herders tegen. Door de engelen in de kerstnacht gedreven waren zij naar Bethlehem getogen. Daar "maakten ze bekend wat hun over dit kind was gezegd." De herders werden dus zelf engelen oftewel boodschappers of ook: profeten - mensen die spreken voor of namens God zelf. En dan staat er: "Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat hun door de herders werd gezegd." Wie waren daar toch allemaal aanwezig, daar in en om die voerbak in Bethlehem? En vervolgens hoorden wij de gouden woorden: "Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na." - Maria die nota bene zelf, persoonlijk, bezoek had gehad van een engel, van Gabriël. Maar wat de herders zeiden, ook dát nam zij mee. Zij mijmerde erover. Het werd voedsel, of nee: het werd een schat voor en in en van haar hart - om een leven lang op te teren, juist ook in de moeilijkste uren van dat leven. "Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons, zondaars, nu en in het uur van onze dood." Ja, juist dat uur van onze dood, daar kunnen we met Maria's hulp naar toe leven en doorheen komen omdat zij zelf het uur van Jezus' dood in ongebroken geloof heeft kunnen doorleven zoals wij mogen geloven. En: "De herders keerden terug. Zij verheerlijkten en loofden God om alles wat zij hadden gehoord en gezien; het kwam overeen met wat hun was gezegd."

 

De cirkel is, of komt, rónd. De cirkel van het leven van mevrouw Willy Ottenhof-Honselaar is rondgekomen. En met dat ik gisteren opnieuw, na bijna precies een jaar opnieuw op dat kerkhof in Sloten stond, daarmee kwam ook weer een cirkel rond. Wat een toeval... Ja, het valt je toe zei pater Frans Piket altijd. Maar wat betekent het toch allemaal? Wat betekent wat er in ons leven allemaal gebeurt? Hoe worden gebeurtenissen van en in ons leven 'tot teken'? Ja, dat is iets om over na te denken... 

 

"Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter, zo zal het ook gaan met mijn woord. Het komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden." Dat zegt de profeet Jesaja (55, 10-12).

 

(Geďmproviseerd: Tot zover was ik gekomen met mijn verkondiging voor vandaag. De rest van het blad is niet ingevuld, is blanco. Precies als dit net begonnen jaar 2016. Het is aan ons om er, met Gods hulp, iets van te maken: meer of minder, veel of weinig. U weet nu waar u moet zijn als u een korte mis wilt hebben: in de Sint-Pancratiuskerk in Sloten - vooral als pater Mulder de mis doet. Nou ja, u ziet maar. Ik wens u, ons allen, hoe dan ook: een Zalig Nieuwjaar. Amen)

 

Verkondiging

 

in de Kerstnacht van 2015 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (9, 1-6), de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 1-14).

 

Je moet "gaarne herbergende" zijn.

 

De leider van een christelijke gemeenschap moet "gaarne herbergende " zijn.

 

- Zo staat geschreven, dierbare gasten en parochianen, in de eerste brief van de apostel Paulus aan Timoteüs. "Gaarne herbergende" - Zó, met die woorden, staat het in de Státenvertaling van de bijbel. Dat is de vertaling die werd gemaakt "op last van de Hoog-mogende Heren STATEN-GENERAAL DER VERENIGDE NEDERLANDEN en volgens het besluit van de Synode Nationaal gehouden te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619". Fier staat dat zó op de titelpagina van de Statenvertaling. "Gaarne herbergende". Die woorden werden geciteerd, met grote passie en klem, nu ruim twintig jaar terug, in verband met mijn priesterwijding, door de onvergetelijke pater Jan van Kilsdonk S.J. Hij gaf mij die woorden echt méé, om niet te zeggen: hij wreef, hij péperde ze mij in. En ik moet zeggen: het is hem goed gelukt. Die woorden, "gaarne herbergende", gaan nu al twintig jaar als een mantra met mij mij: "Gaarne herbergende", je moet "gaarne herbergende" zijn: gastvrij zijn, graag logé's willen ontvangen, graag mensen willen huisvesten en onderdak verschaffen.

 

Ja... maar in de kerstnacht horen wij altijd weer: Er was voor hen, voor de hoogzwangere Maria en haar vriend Jozef; er was voor hen géén plaats in de herberg.

 

Wat was het probleem? Kón men hen niet herbergen? Of wílde men hen niet herbergen?

 

Ik kom uit een familie waarin het zogenaamde 'kermisbed' een bekend begrip was. Dat was, of is: een geďmproviseerd bed. Verschillende van zulke geďmproviseerde slaapplaatsen naast elkaar, dat wordt  'op de lange regel' genoemd. Ook ben ik opgevoed met gezegdes als: "Waar een wil is, is een weg." En: "Er kunnen veel makke schapen in een hok." "Niet mekkeren!" zei mijn West-Friese vader wel eens tegen ons: Het was niet de bedoeling dat wij als kinderen zeurden, klaagden, laat staan zouden 'peeuwen' oftewel dreinzen - zéker niet als er veel volk en het druk was.

 

De vraag, veelgeliefden, blijft hóóg actueel: Is er plek of is er geen plek? - in de herberg, in het huis, in het land, in de kerk, in het hart, in het hoofd... Mag iemand, mogen ménsen komen of mogen zij niet komen? Is men welkom of is men niet welkom? Mag je er zijn of mag je er niet zijn? Mag je meedoen of mag je niet meedoen?

 

Kerstmis is een familiefeest zegt men. Maar... wíe hoort er bij de familie? Wie mág er bij horen? Ik ken een vrouw die viert Kerst met de familie. Dit jaar vroeg zij: Mag ik een vriendin meenemen? Na enig onderling beraad kreeg zij als antwoord: "Wij vinden het wel vervelend om te melden, maar we willen deze dag graag alleen met de familie vieren. Ik hoop dat je onze keuze respecteert."

 

Tja... Wat moet je dan? Wat moet een mens met zo'n antwoord? Moet die vrouw kiezen voor haar familie? Of kiest ze voor haar vriendin?

 

Kerstmis betekent: God wordt geboren, in Jezus, midden onder ons. "Hij is onder ons zijn tent", zijn tabernakel, "komen opslaan" klinkt het bij de evangelist Johannes.  Maar... kunnen wij dat wel aan? Kunnen wij Hem, Jezus, wel hebben? Kunnen en wíllen wij Hem wel herbergen? "Toen ik een vreemdeling was, namen jullie mij in huis" zal het Kerstkind, eenmaal volwassen en vlak voor zijn gewelddadige dood zeggen. Maar... "Wanneer was u een vreemdeling en namen wij u in huis?" vragen Hem dan de goede mensen.  En Hij zegt dan: "Alles wat je voor één van deze geringste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan."  Dat zegt Jezus. Zoals Hij ook zegt: "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij en de goede boodschap, zal het redden."

 

Iemand die deze woorden serieus genomen heeft in zijn leven is mijn ambtsbroeder Frans Horsthuis, priester van het aartsbisdom Utrecht, nu 94 jaar oud. Iemand gaf mij laatst zijn autobiografisch geschrift De koninklijke weg  dat op mij werkelijk een verpletterende indruk gemaakt heeft. Zoiets had ik nog nooit gelezen. En die Frans Horsthuis is wat mij betreft een groot geestelijk leidsman.

 

"Durf jij het te wagen zonder salaris?" vroeg Jezus op enig moment heel rechtstreeks aan Frans in zijn gebed. "Ík heb vroeger ook geen salaris gehad." En Frans deelde het bestuur van zijn parochie, die van Neede, in de Achterhoek, mee: "U hoeft mij voortaan geen salaris meer te geven." In 1968 was hij in Jeruzalem en Jezus zei tegen Frans, op de Olijfberg: "Mijn Kerk, waarvoor ik mijn bloed en leven gegeven heb: jullie hebben er ook weer een organisatie van gemaakt, die beheerst wordt door geld en macht." En: "Dat wil ik niet langer van jou. Waar jij als priester voorgaat, daar wil ik niet dat er nog geld aan te pas komt." En: "De eerste zondag als je weer thuis bent, onmiddelijk ermee beginnen."

 

Al spoedig leidde deze nieuwe koers van Frans tot problemen en heeft hij zijn pastoorsfunctie vrijwillig teruggegeven aan zijn bisschop - die Frans natuurlijk moeilijk kon ontsláán omdat Hij Jezus wilde navolgen en echt volgens het Evangelie wilde gaan leven.

 

Maar daar stond Frans: op straat, zonder functie, zonder inkomen, zonder onderdak. Het is hem echter gelúkt om zijn hele verdere leven zonder geld en ander bezit door de wereld te gaan. Hij noemt zichzelf "een wandelend bewijs, hoe God zijn beloften vervult."

 

Toen hij eens een heel moeilijke periode doormaakte mocht Frans ervaren hoe Jezus als volgt in hem sprak: ... "Schenk gewoon geen aandacht aan je gevoelens van honger en kou... Vul je hart met mij... Blijf in Mij..." En Frans schrijft dan: "Opeens zie ik het: "Heer, wat was ik aleen met mezelf bezig. Komt U bij me. Van harte welkom! Maar wat kan ik U bieden? Neemt U genoegen met mijn armzaligheid en leegte? (...) Ik wil U wat warmte geven. Maar het is binnen in me wel een beestenstal, zoals in Bethlehem. Máár U bent er welkom. In Bethlehem bent U immers ook niet geboren in een herberg, maar in een stal. Daar vond U de warmte van Maria, Jozef en de herders. Komt U zó in me, al moet het er dan wel wat beter worden ingericht." "Op dat ogenblik was het", schrijft Frans, "alsof dat hele koor van hemelingen (...) kwam en antwoordde: "Ja, wij komen." Toen was het alsof binnen in me die vunzige beestenstal uitgroeide tot een lichtende ruimte. (...) En Jezus sprak: "Nu heb ik een diepere intrek in jou genomen." En: "Zo een grot wordt steeds ruimer, naarmate hij verder wordt uitgehakt."

 

En Frans vervolgt: "Indertíjd was het veel meer de omvorming en vernieuwing van mezelf waar het om draaide. Deze keer kwam echter Jezus-in-mij in het middelpunt van mijn aandacht. Híj lijdt kou. Híj is eenzaam. Híj wil groeien in me. Zo iets is een hele ommekeer in je leven, een halve slag om: van wedergeboorte en vernieuwing van eígen leven naar 'niet ik leef, maar Christus leeft in mij'. Heel je belangstellingssfeer gaat zich dan verleggen. Bij alles wat je beleeft gaat het dan lijken, alsof je zelf slechts de huid bent waarin Jezus huist. Er komt iets op gang, wat ik zou willen noemen: een vergroeien met elkaar. Dat is een grote genade, die dan je hele wezen gaat doortrekken."

 

"God is overal, alomtegenwoordig, maar Hij wóónt níet overal."

 

"Als ik Jezus vraag", zoals nog altijd Frans Horsthuis; "als ik Jezus vraag, bij míj te komen wonen, dan kan er op een goede dag een verhuiswagen voor mijn deur verschijnen en Jezus stapt daaruit.

"Welkom Heer, maar... die verhuiswagen?"

"Ja, ik mocht immers bij jou komen wonen? Ik heb mijn meubeltjes meegebracht, want Ik heb een wat andere smaak dan jij."

"Waar laten we dat, Heer?"

"Tja, dan moeten de jouwe er wel uit", zal Hij dan misschien zeggen. "Zet ze maar in die verhuiswagen... als jij wilt." Want de Heer is heel vriendelijk en inschikkelijk en bescheiden. "Voorlopig neem ik wel genoegen met een hoekje op de zolder. Als het jou bevalt, kunnen we dan verder gaan", want: "een feest wordt het pas, als het héle huis van Jezus is, zodat Hij er echt woont met Zijn vader en de heilige Geest, en als ík dan mag in-wonen."

 

Frans Horsthuis, een gelovige en een priester die er helemaal voor is gegaan - voor Jezus, voor God. Voor Hem is hij totaal arm geworden en het heeft hem rijk gemaakt. Hij schrijft: "Het zal veel mensen wel onwerkelijk in de oren klinken, en toch is het zo: Geld is nooit een aanwijzing van Gods wil. Eerder van het tegendeel. Met geld draai je jezelf gemakkelijk een rad voor de ogen. (...) Daarom heb ik het verstaan van Gods leiding nooit laten afhangen van geld. Maar als je eerst zijn wil zoekt, zal Hij daarna ook wel voor de geldmiddelen zorgen." Want: "Hebben we niet een Vader die multimiljonair is?"

 

Zo beleeft Frans het en met behulp van dát gelovige inzicht heeft hij zijn leven vormgegeven. En hoe doen wij dat? Hoe doet u het? Hoe doe jij het? Hoe doe ik het? Hoeveel ruimte gunnen wíj God in ons leven? In welke mate durven wíj in Hem te geloven? En wat is ónze inzet? Ik denk: in de mate waarin je durft en geeft zul je ook terugontvangen.  

 

Een collega van mij, dominee Paul Visser van de Noorderkerk, schreef afgelopen maandag in NRC-Handelsblad: "Alleen die Ene die ooit geboren werd als een kind en als slachtoffer van onrecht en geweld eindigde aan een kruis. Maar die inmiddels voor ontelbaren - in de regel weldenkende mensen - al twintig eeuwen lang een bron werd van liefde, verzoening en vrede. Een door de hemel gegeven oriëntatiepunt in de nachtmerrie van deze wereld. Geloof het of niet: als Eén ons redden kan dan Hij. Ik zou het met Kerst op een van die plekken waar over dit Kind wordt verhaald, nog maar eens checken..."

 

U hebt dat gedaan door vandaag hier naar toe gekomen... U doet dat!

 

Een 85-jarige mevrouw "met rollator" uit Amsterdam-West, mevrouw A. Willemsen, schreef mij: "Ik heb het gevoel, dat het besef in de lucht begint te hangen, dat we het toch echt niet allemaal a l l e e n af kunnen en het Kerstkind nodig hebben...."

 

Misschien heeft zij gelijk, groeit inderdaad dat bewustzijn en begint het tijd te keren. Laten we het hopen. En laten wij vooral mensen zijn die "gaarne herbergende" zijn - mensen die in hart, hoofd, kerk, huis en land het Kerstkind herbergen, dat wil zeggen: allerlei vreemdelingen herbergen dan ook in wie Hijzélf tot ons komt. Mogen wij herbérgende en ook: herbergzáme mensen zijn, want wie weet: gaan wij het ook ooit nog eens op de één of andere manier nodig hebben om opgevangen te worden. Zal men ons dan kunnen herbergen? Mogen wij mensen zijn die Hém, Jezus, het Kerstkind dat gekruisigd zal worden; mogen wij mensen zijn in wie Hij wélbehagen heeft: mensen die Hij graag ziet. Ik wens u in die zin, in Jezus' Geest, een Zalig Kerstmis. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                     

op 6 december 2015, de tweede zondag van de Advent, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Baruch (5, 1-9), Psalm 126,  de brief van de heilige apostel paulus aan de christenen van Filippi (1, 3-11) en uit het heilige evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas ((3, 1-6).

 

"In het krimpproces dat de Kerk doormaakt, moeten we ons niet aan gebouwen vastklampen, daarin ligt niet onze redding. Zo'n stenen reddingsboei trekt ons juist de diepte in. Ons geloof is niet gekoppeld aan een gebouw, maar aan God."

 

Dat zei, anderhalve week terug hier in Amsterdam in een toespraak,  kardinaal Wim Eijk die de hoogstgeplaatste vertegenwoordiger van onze Roomse kerk in Nederland is. Kerkgebóuwen, dáár moeten we niet onze redding van verwachten. Die kerkgebóuwen, die kunnen juist molenstenen om onze nek zijn die ons de diepte in trekken. Nee, onze redding moet komen en moeten wij verwachten van God. Aldus de kardinaal.