Vredeskerk     elke dag open

 

RK PAROCHIE VAN ONZE LIEVE VROUW KONINGIN VAN DE VREDE – AMSTERDAM                                 MAANDAG TM ZATERDAG 13-17 UUR EN NATUURLIJK OP ZONDAG

HOME  |   ADRES-CONTACT-LINKS |  VIERINGEN |   SACRAMENTEN  |   PREKEN |    CARITAS  |    BIDDEN   |   FOTO’S   |    PASTOR  |   HISTORIE |    KOREN  

 

                                                                                                                                                   

Verkondiging

 

 

op 6 augustus 2017, feest van de Gedaanteverandering des Heren, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Daniël (7, 9-14), uit de tweede brief van de heilige apostel Petrus (1, 16-19) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (17, 1-9).

 

Er uit. Dat is wat veel mensen willen, juist in deze tijd van het jaar. Ja, bijna iedereen wil dat. Rijk en arm willen dat, mensen die geen cent te makken hebben én mensen die beschikken over aanzienlijke vermogens of die zelfs bulken van het geld. Iedereen wil weg, iedereen wil er uit. Waar uit? Uit de eigen dagelijkse, bekende omstandigheden die soms ook om wat voor reden voor mensen soms beklemmend en deprimerend kunnen zijn, waarin ze zich gevangen, vast, klem kunnen voelen zitten. Dus dáárom: er uit. Lucht, ruimte, vrijheid, zon, zee, natuur, bergen en bossen ervaren. Loskomen.

 

In onze evangelietekst vandaag op dit feest van de Gedaanteverandering (Transfiguratie) des Heren spelen op de achtergrond omstandigheden van grote bedreiging en bedreigdheid ook een grote rol. Want, zo staat er, "terwijl ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: 'Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.' " Hij leeft dus reeds, Jezus, met de dood voor ogen. Hij weet dat zeker: Ik ga er áán. In zekere zin geldt dat natuurlijk voor ons allemaal. Vroeg of laat moet elk van ons op de een of andere manier dit aardse bestaan verlaten. Maar voor de meeste mensen geldt: je weet niet wanneer en hoe dat zal zijn. En daarom en daarmee kun je de dood ook op een afstand houden en kan die ver weg lijken. Sommige mensen leven alsof ze hier op aarde het eeuwige leven hebben. Voor anderen, voor mensen met een bedreigende ziekte onder de leden en zeker voor terminaal zieken ligt het anders. Zij wéten dat het er aan komt. Magere Hein staat klaar. En dat kan heel griezelig voelen, beklemmend. Mijn lieve vader en moeder, respektievelijk 89 en 78 jaar oud, hebben bij leven hun graf al gekocht, in Midden-Beemster. Er liggen daar op het kerkhof een paar bekenden, een oude buurvrouw en haar dochter op wie ze erg gesteld waren. Ze gaan er, voor of na het boodschappendoen, af en toe even langs: op dat kerkhof waar ze zelf dus vermoedelijk ook terecht zullen komen. Mijn moeder vertrouwde me laatst toe dat ze er toch ook "níet aan moet denken". Tja...

 

Er uit. Waar uit? Uit de sleur. Of ook: uit het leven zelf. Er zijn mensen voor wie hun leven zó ondraaglijk is geworden dat ze er liever helemaal mee op willen houden, dat ze 'er uit willen stappen' zoals dat heet. "Zwart was het hart" dichtte Herman Gorter nadat de zangeres Anna Witsen zichzelf had verdronken.[1]

 

Maar... Oef! Dat wordt nu toch wel érg zwart en somber op deze dag die toch bij uitstek een dag van licht moet zijn en mét het hoogfeest van Maria's Tenhemelopneming, 15 augustus, toch de apotheose, hoogtepunt van de zomer zou moeten zijn... Zo is het veelgeliefden. En toch... is het goed denk ik dat het ter sprake komt, want de levens- en zielsomstandigheden van mensen zijn lang niet altijd zo zonnig als het weer. En juist als iedereen, de hele stad, onder de zomerzon uitbundig feest lijkt te vieren kunnen mensen eenzaamheid en ellende extra scherp en schrijnend ervaren. Vandaar.

 

Er uit. Wij willen er uit. En Jezus in het evangelie van deze dag gaat er ook even uit, samen met drie van zijn leerlingen: met Petrus, Jakobus en Johannes. Ze zijn dus met z'n viertjes. Hij nam hen "met zich mee een hoge berg op, waar Hij met hen alleen was." Eindelijk... Rust. Stilte. Wat een verademing. Ópademen. Op adem komen. Über den Wolken muß die Freiheit wohl grenzenlos sein. Alle Ängste, alle Sorgen, sagt man, blieben darunter verborgen und dann würde, was hier groß und wichtig erscheint, plötzlich nichtig und klein. Reinhard Mey. 'Boven de wolken moet de vrijheid wel grenzenloos zijn. Alle angsten, alle zorgen, zeggen ze, blijven er onder en dan is, wat híer groot en belangrijk lijkt, opeens klein en betekenisloos.'

 

Ach ja... Of nee... Zeker! Wat wij op deze zondag, mét de ooggetuigen van Jezus' glorie boven op die berg, méémaken veelgeliefden, dat is echt wat je noemt een 'perspectiefverandering'. We zien een heel andere kant van Jezus' en van ons eigen leven. Want... dat leven mag dan wel 'ten dode' zijn. Hij en wij mogen dan wel ten dode zijn opgeschreven. Maar... in Hem en ook in onszelf, daar zit iets in... een kern, een wezen, een hart, zó mooi, zo prachtig, zo stralend, zo subliem... dat het niet te filmen is. Petrus wíl dat wel: het filmen, het vastleggen... maar het gaat hier om iets dat elk begrip, elk grijpen en vastpakken en vastleggen te boven gaat. Jezus gaat uit z'n dak. Het benauwde, ja claustrofobische perspectief van onze aardse werkelijkheid spát werkelijk uit elkaar. Het is de hemel zelf die zich doet gelden, die zichtbaar en hoorbaar wordt in en voor Jezus en Zijn leerlingen. "Opeens verschenen hun Mozes en Elia, in gesprek met Hem". Eerst waren ze met z'n vieren, nu zijn ze met z'n zessen. Mozes, de onverschrokken bevrijder uit de Egyptische slavernij en Elia, de al even onverschrokken bevrijder van afgoden die mensen innerlijk onvrij maken, zij beiden gaan vertrouwelijk met Jezus om. Ze smoezen met elkaar. Ze kennen elkaar. Ze verstaan elkaar. Er zijn grote afstanden in de tijd die tussen hen in liggen. Mozes heeft leefde waarschijnlijk tussen de vijftiende en de dertiende eeuw voor Christus, Elia in de negende eeuw voor Christus. Vele eeuwen scheidden met andere woorden hun leeftijden van elkaar. En toch, veelgeliefden: er loopt een rode draad doorheen, door die levens van Mozes en Elia en Jezus; er is een rode draad die hen met elkaar verbindt. Jezus is al net zo onverschrokken als Mozes en Elia. Voor ons is Hij de bevrijder van Godswege in optima forma. In vertrouwen op God die Hij Zijn Vader noemt, gaat Jezus heel beslist en heel ontspannen denk ik ook Zijn eigen weg, Zijn goddelijke eigen gang. En op die weg laat Hij zich door niets en niemand intimideren. Al wordt hij ook gekruisigd - Hij laat zich niet kisten. En Hij laat zich niet in de luren, niet in de luiers leggen. Hém bedrieg je niet.   

 

Niets en niemand, dierbare gasten en parochianen, kan ons van Mozes, van Elia, van Jezus, van die onverschrokken bevrijders scheiden. De rode draad wordt doorgetrokken, tot op vandaag. Ook wij kunnen over de afstand van vele eeuwen met hen, met Hem in gesprek blijven. Afgelopen week ontving ik een bericht waarin iemand mij schreef over pater Jan van Kilsdonk, mijn grote leermeester. Ik citeer: "In 1973 liep ik over de donkere en verregende Prinsengracht. Voor mij strompelde Jan, nog niet geopereerd aan diens ogen en we namen elkaar bij de arm en kwekten er op los, zo vertrouwd." Hij was, pater Jan van Kilsdonk, "een gouden priester, die wij in ons hart meedragen en die nog immer te raadplegen is. Hij bracht in ons de allerbeste kwaliteiten tot leven." Einde citaat.

 

Mensen die je met je meedraagt, die nog altijd te raadplegen zijn en die de allerbeste kwaliteiten in je tot leven kunnen brengen. Zo is het voor mijn correspondent en mij inderdaad in verband met De Pater. En zo is het voor allen in verband met Jezus. Jezus is voor ons het Woord van God zelf. Petrus in zijn tweede brief noemt Hem vandaag: "de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte, tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart." Moge het zo zijn veelgeliefden. Mogen wij met Jezus er uit gaan, uit de duisternis. Moge Hij onze lamp zijn, de morgenster in ons hart. Moge Zijn dag, die is als een stralende zomerdag, moge die dag voor ons aanbreken. Moge vandaag voor ons die dag zijn. Amen.

 

Verkondiging

 

23 juli AD2017

 

Lezingen:  Wijsheid 12: 13-19,  Ps. 86,  Rom. 8: 26-27, Mt. 13: 24-43

 

Geen vriendelijke uitspraken, deze keer door Gods Zoon, want er valt uit af te leiden dat sommigen van ons, dierbare zusters en broeders, zullen belanden in een vuuroven waar het tandengeknars oorverdovend zal zijn, althans volgens Matteus. Zou onze Heer Jezus Christus tevoren zwaar getafeld hebben ? Want zo kennen wij Hem niet.

 

Veel bevindelijke reformatorische christenen en evangelicalen  -  o ja, zij geloven in een straffende God, die elke zondaar in de vlammen roostert die zich niet bekent tot het enige ware geloof. Terzijde rijst de vraag: welk geloof is het ware geloof ?  Of zijn er soms meer ware geloven ?  Maar laten wij daar niet te lang bij stil staan.

 

De eerste lezing van vanochtend is ook niet mals maar toch iets vriendelijker dan de tekst volgens  Matteus en geeft ook beter aan wat van ons verwacht wordt: tot inkeer komen.  Al rijst dan wel de vraag: wat houdt dat in  -  tot inkeer komen ?  Intussen schrijft de auteur van dat boek Wijsheid in vers 16 ook dat God iedereen spaart. Iedereen !

 

De psalm van deze zondag biedt eveneens aanknopingspunten. De schrijver van die psalm, volgens de overlevering de mythische koning David, wist zelf ook wel dat hij geen lieverdje was, maar hij vraagt zijn God om hem de Weg te wijzen. En hij zegt toe die Weg te bewandelen. Het lukte David nochtans niet erg: zo zeer schoot hij te kort dat God hem zelfs verbood een tempel in Jeruzalem te bouwen. David had te veel bloed aan zijn handen. Daarom bidt hij zijn Heer om bijstand. Het is een intrigerende psalm. De moeite waard om straks thuis nog eens na te lezen. Eén om te bidden.

 

Bidden  -  dat is wat de heilige apostel Paulus met klem adviseert in zijn brief aan de parochie van Rome. Paulus is wat optimistischer over het effect daarvan dan de psalmist, maar hij is dan ook een bekeerling: die zijn vaak wat fanatieker in de naleving van godsdienstige adviezen. En wat lezen wij nog meer in het boek Wijsheid ?  “Uw heerschappij over iedereen maakt dat U iedereen spaart.’’  Hoe zit het dan met die straffende God uit de evangelietekst van vanochtend ?  Wij katholieken weten immers dat ook zondaars kinderen van God zijn en dat Jezus gekomen is om juist hun de Weg, de Waarheid en het Leven kenbaar te maken*. De Weg waar de psalmist het over had.

 

Als ik moeite heb met een bijbeltekst  -  dan ga ik vaak te rade bij een publicatie van onze mede- christen ds. Nico ter Linden, vele jaren voorganger in de Westerkerk; in dit geval deel 2 van zijn prachtige reeks boeken ‘’Het verhaal gaat …’’.   Volgens Ter Linden verwachtten de volgelingen van Jezus het einde der tijden op korte termijn, weshalve Matteus, aldus Ter Linden, ‘’naar beproefd recept … zijn pen weer in het vuur van de hel verhit’’.  Zulks om met dat dreigement nog zo veel mogelijk zielen te redden voordat het einde der tijden er eindelijk is. Anders gezegd: de evangelist overdrijft een beetje om de twijfelaars een zetje te geven, maar dat gejammer en dat tandengeknars mogen wij met een korrel zout nemen.

 

Net als die gelijkenis van het mosterdzaadje. Van geloofsgenoten kreeg ik ooit een zakje mosterdzaad cadeau en ik heb die zaadjes terstond geplant, en met veel kunstmest en liefde opgekweekt. Er kwam een forse plant uit maar allerminst de boom waarvan het evangelie rept. En dat is niet erg. Niet elk zaadje hoeft zich te ontwikkelen tot een boom. Er is niets tegen klein. Integendeel, leert Jezus ons **.  En veel bijbelteksten zijn om over na te denken, niet om letterlijk te nemen.

 

De bijbel mag dan Gods Woord bevatten  -  dat Woord is wel door mensen opgeschreven en daarna eeuwen lang overgeschreven aangezien gedrukte documenten nog niet bestonden. En wat er wel was  -  dat ging vaak verloren. Zo werd de grootste collectie oud- christelijke geschriften vernietigd toen de bibliotheek van Alexandrië in het jaar 642 door de moslims in opdracht van kalief Omar in brand werd gestoken. Ook toen al. Het waren immers geen islamitische geschriften. Dus maar in de hens.

 

**

 

Na aldus geprobeerd te hebben u gerust te stellen, stel ik toch de vraag: aan welke mensen denken Jezus en Zijn chroniqueur Matteus, als er gerept wordt van ongelukkigen die jammerend, dan wel tandenknarsend in de veronderstelde vuuroven van Gods toorn belanden ?  Ook wanneer die vuuroven misschien niet bestaat. Ik denk dat het antwoord besloten ligt in Gn. 3: 5, wanneer de slang de leugen in de wereld brengt: de leugen dat de mens gelijk wordt aan God door zich te vergrijpen aan de verboden vrucht.

 

Sindsdien waart de leugen rond onder de mensen. De leugen bijvoorbeeld dat carričre maken of veel verdienen een mooi levensdoel zou zijn. Of de leugen van het voltooide leven, anders dan na een natuurlijke aardse dood. Of de leugen van excessief consumeren van bijvoorbeeld drank en voedsel of ander overbodig genot wat wij gezelligheid noemen. Of de leugen dat er een crisis zou zijn geweest die bezuinigen op zorg, onderwijs en wat niet al meer nog steeds noodzakelijk maakt terwijl winsten en bonussen bij grote ondernemingen blijven toenemen.

 

De leugen dat wij deel uit zouden maken van een participatiesamenleving waar iedereen voor elkaar opkomt.  Hetgeen steeds minder het geval is. De leugen van een oversekst medialandschap dat intimiteit suggereert terwijl het alleen maar tot nog grotere eenzaamheid leidt. Of de leugen dat de waarde van het leven afhangt van jeugdigheid, gezondheid en onafhankelijkheid. Heeft de evangelist het oog op de mensen die zulke leugens ventileren ?  Of op degenen die in die leugens geloven ?   Of op beiden ?  Misschien zijn wij zelf zulke mensen.  Mensen die er steeds weer in trappen.

 

Hoe vaak schieten wij niet te kort om alleen in de Waarheid te geloven en in niets anders; falen wij om er ook naar te leven, te handelen. Zelf ontdek ik tot mijn schande regelmatig hoe zeer ik  - al doemdenkend -  faal om te vertrouwen op Gods voorzienigheid. Of, zoals mijn ongelovige maar o zo dierbare vrienden het noemen:  op de goede afloop. Waarna het Woord van Christus bijna elke keer weer Waarheid blijkt te zijn; anders gezegd: veelal komt alles goed.

 

De leugen dat God ons in de steek laat, de leugen dat Hij niet bestaat, de leugen dat Hij zou straffen om welke idiote reden ook, en al die andere varianten van diezelfde leugen  -  die is ijzersterk. Maar het is niettemin een leugen. Bidden wij dat inkeer ons inspireert en kracht geeft op de Weg naar de Waarheid van Jezus Christus, naar het ware, naar het evangelische leven, zoals God ons bedoeld heeft.  Amen.

 

*Joh.14: 6

 

** Bijvoorbeeld  Mt. 19:14, Mc.10:14, Lc.18: 17

 

Leo Jacobs ofs, Monviel, juli AD 2017.

 

 

Verkondiging

 

 

op 9 juli 2017, de veertiende zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Zacharias (9, 9-10), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Romeinen (8, 9-13) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (11, 25-30).

 

Het blijft, dierbare gasten en parochianen, het bliijft een leuk, non-conformistisch gebaar en gezicht: nadat paus Franciscus op één of ander vliegveld in de wereld is geland en in een auto stapt om als eerste de president of koning van dat land te gaan begroeten, dan is die auto geen grote, zwaar gepantserde slee, geen Mercedes, Rolls Royce of Chevrolet, máár bij voorkeur een zo simpel mogelijke auto, bijvoorbeeld een Fiat of een Japanner. Zo wil en doet deze paus dat, aldus verwijzend naar en aansluiting zoekend bij het beeld, de profielschets van de Messias zoals de profeet Zacharias het in onze eerste lezing vandaag schetst en schildert. Die "is nederig. Hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin." Niet op een trots paard, het oorlogsdier, niet op een strijdros, maar op een ezeltje rijdt de messias als hij komt. Zo dééd Jezus het op Palmzondag. En we kennen allemaal de reputatie die de ezel heeft. En diezelfde reputatie heeft de ezel niet alleen bij ons, maar ook in China - zoals blijkt uit het volgende verhaal:

 

De grote Chinese wijsgeer Lao Tse (...) reisde op een ezeltje. Er kwam een boodschapper van de keizer naar hem toe. Hij zei tegen hem: "De keizer heeft veel over u gehoord en zou graag zien dat u lid van zijn hofhouding werd. Er is behoefte aan wijze mannen."

 

Lao Tse was erg hoffelijk tegen de boodschapper maar zei: "Nee, dat zal niet gaan. Ik ben zeer vereerd. Breng mijn dank over aan de keizer, maar het is niet mogelijk."

 

Toen de boodschapper weg was, waste Lao Tse zijn oren en ook die van de ezel.

 

Een man die langs de kant van de weg stond toe te kijken vroeg: "Wat doet u daar, heer."

 

Hij zei: "Ik was mijn oren want zelfs een bóódschap uit de wereld van de politiek is niet pluis."

 

De man vroeg: "Maar waarom wast u ook de oren van de ezel?"

 

Hij zei: "Ezels zijn heel politiek. Hij lóópt al anders! Zodra hij de hofboodschapper zag en hoorde, kreeg hij iets heel egoďstisch. Ezels hebben politieke aspiraties. Ík versta de hoftaal niet zo goed, maar híj wel, omdat dáár net zúlke ezels zitten. De táál is dezelfde."

 

De man moest lachen.

 

En het verhaal gaat dat ook de keizer erom moest lachen toen het hem ter ore kwam.[2]

 

Lao Tse reed op een ezel. De verwachte en gekomen messias reed op een ezel. Paus Franciscus rijdt in een Fiat of een Japanner. Geen kapsones. Geen pretenties. 'Ik ben ook maar een mens' wil hij daarmee duidelijk zeggen, de paus. Een mens, net als jij: kwetsbaar, feilbaar, zondig, sterfelijk. Toen de paus bijvoorbeeld bij Erdogan in zijn enorme, nieuw gebouwde paleis kwam voorrijden maakte hij dat op die manier al meteen duidelijk. 

 

Je zou het 'nederig' kunnen noemen. Zacharias gebruikt het woord: "Hij is nederig, hij rijdt op een ezel." Ík huiver altijd voor dat woord 'nederig' en zal het niet snel in de mond nemen. Want 'nederig' is een heel breekbaar woord. Je maakt het zó kapot. Want gebruik ervan, het claimen ervan, kan zó pretentieus zijn: Kijk onze paus eens nederig zijn! Er is zoveel symboolpolitiek in deze wereld. Er wordt zoveel geposeerd. En toch denk ik dat iedereen, de meeste mensen wel aanvoelen: bij paus Franciscus is het echt en bij hem is het menens. Ook al leeft hij in Rome zelf temidden van grote grandeur en is er ook in het Vaticaan een paleis, deze paus is wérkelijk eenvoudig. Hij verbeeldt zich niets. Hij ziet de gewone mensen werkelijk staan. Hij leeft gericht op hen. En hij strijdt voor ze. Hij komt voor ze op: voor kwestbare mensen en voor onze kwetsbare aarde. "Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen." Zo hoorden we Jezus in het evangelie vandaag vurig, extatisch bidden. Hij gaat uit z'n dak. Hij wordt aangegrepen door een geweldige dankbaarheid, Jezus. Zélf hoort Hij bij die eenvoudige, die gewone mensen die 'het' snappen: waar het om gaat in het leven, wát het geheim van het leven is en het hart van ons bestaan, wát werkelijk van waarde is.

 

En wat is dan dat 'het', wat is dan dat 'dit' waarover Jezus spreekt, ja jubelt: "Ik dank U Vader (...) omdat U 'dit' verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en 'het' onthuld hebt aan eenvoudigen?

 

Ach ja mensen, ik denk: het gaat om 'een weten'. En het is allemaal heel paradoxaal.

Wie van zichzelf denkt dat hij nederig is houdt op het te zijn. En als je denkt dat je het weet, dan kom je al snel in de gevarenzone, dan val je gemakkelijk door de mand en kun je er al gauw blijk van geven dat je helemaal níets weet, dat je 'het' kwijt bent, dat je helemaal de weg kwijt bent, dat je een rund bent en een ezel - net als de hofdignitarissen, de paladijnen van de keizer. Dat die keizer zélf moest lachen om wat hij hoorde dat Lao Tse had gezegd

in verband met dat wassen van zijn eigen oren en die van zijn ezel, dat die keizer daarom moest lachen, dat pleit voor hem. Want runderen en ezels hebben geen humor. Die kúnnen niet lachen om zichzelf. Ik ben bang dat Trump er niet toe in staat is. Wíjze mensen vínden zichzelf niet zo belangrijk. Die némen zichzelf niet zo serieus. Die lachen om zichzelf.

 

Afgelopen week ontving ik van iemand een prachtige brief: "God is in geboorte en dood, in de branding, in de zware onweersbui en het gezang van de vogels, in de daarna ingetreden stilte. (...) Als ik naar de kerk ga, heb ik eerst veel weerstand overwonnen, maar eenmaal binnen, heb (...) ik het goed. (...) Buiten de kerk volhard ik in wat we meekregen en bevecht ik mijn zondige gedachten. Zo simpel is mijn geloof dus" - zo staat in die brief. En dan wordt mijn grote leermeester pater Van Kilsdonk geciteerd, woorden die ik zó niet van hem kende maar als afkomstig van hem wél helemaal kan plaatsen. "God moet je doen; de rest is flauwekul" zou hij, pater Van Kilsdonk, hebben gezegd. En ja, dat snap ik. En het is ook helemaal waar denk ik: Over God moet je niet theoretiseren, niet o.h.-en. Maar wéés zo goed als God voor mensen, voor anderen en ook voor jezelf. Wees barmhartig. Zet je in. Doe iets. Sta op. Geef God gezicht. Láát God spreken in jouw eigen bestaan, in en door wie jijzelf bent. Maak Hem waar. Laat jouw bestaan bewijzen dat Gód bestaat. Je zult dat nooit van jezelf zeggen, dat jij dat doet. Want dan houdt het op zo te zijn. Maar intussen kan het onuitgesproken wél mooi zo wezen.   

 

"God moet je doen, de rest is flauwekul." Maar intussen vieren wij wel de liturgie en sta ik hier alweer enige tijd te praten. En zodadelijk krijgt u met en in de voorbeden zelf de gelegenheid om wat als gebed leeft in uw hart, om dát uit te spreken naar het voorbeeld van Jezus zelf, want wat wij vandaag in het evangelie van Hem hoorden was werkelijk een cri de coeur, een hartekreet: "Dank U, Vader...".

 

Is, veelgeliefden, is dat heilig spel van de liturgie, is al dat bidden en zingen en preken van ons in de kerk, is dat allemaal "flauwekul"? Ik denk: dat hóeft het niet zijn. Als wij het eerlijk doen, als wat wij hier samen doen de oprechte uitdrukking is van wat er leeft in ons hart en als wij er ín kunnen komen, al is het maar een beetje, -want het is een groeiproces, het gaat om 'groeien in geloof'-, als wij hier, in Christus' Geest, werkelijk beleven en uitdrukking geven aan wat onuitsprekelijk is, dan hóeft wat wij hier doen echt geen flauwekul te zijn, maar dan kan het ook wérkelijk iets zijn. Dan gebeurt er ook echt iets. Dan dóen we toch ook híer God op een wijze die vergelijkbaar is met het doen van God door het wassen van de billen van mensen die het zelf niet meer kunnen. Het één, het wassen van die billen, heeft met het andere, het vieren van de liturgie, dan ook alles te maken. Wie zich bij God, bij Jezus, werkelijk geborgen voelt en thuis voelt en door Hem wordt bezield, die voelt zich ook hier thuis, die zal met liefde die billen wassen en die heeft van de zonde in de wereld en onder de mensen, ook in haar en zijn eigen bestaan, die heeft daarvan geen last meer. "Wij zijn, broeders en zusters, niet langer verplicht om een zondig leven te leiden" schrijft de apostel Paulus in de passage uit de brief aan de Romeinen die wij hoorden voorlezen. Wie leeft met God, met Jezus, met beider Geest, die wordt steeds vrijer en zorgenlozer. Als je God doet, dan wordt zonde en het gepráát daarover flauwekul: een restprobleem dat in wezen overwonnen is. Moge het zo zijn. Amen. 

 

Verkondiging

op 2 juli 2017, de dertiende zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het tweede boek der Koningen (4, 8-16), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (6, 3-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (10, 37-42).

 

Dat was me wat moois, dierbare gasten en parochianen, - gisteren in Straatsburg, in Ludwigshafen en in Speyer: de uitvaart van Helmut Kohl. Zestien jaar lang was hij de reusachtige bondskanselier van Duitsland dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in twee delen uiteengevallen was. Na de val, in 1989, van de Berlijnse muur had hij de intuďtie en de bezieling én de daadkracht en het vermogen om Duitsland weer te verenigen. Maar hij deed dat, Kohl, in het kader van Europa, van de Europese Unie. Want getekend als zijn jeugd en daarmee zijn leven en dat van zijn hele generatie was door de Tweede Wereldoorlog werd hij sterk gedreven door de zorg: dát nooit meer. Nooit meer oorlog en nooit meer fascisme. En daarom moet Duitsland, waar het eerder wel heeft kunnen gebeuren, dat in de nazitijd zo'n groot onheil over de joden, over zichzelf, over Europa en ja de hele wereld heeft gebracht, daarom moet Duitsland, óók om het voor de toekomst tegen zichzelf in bescherming te nemen, daarom moet Duitsland goed ingebed wórden en blijven in Europa: opdat in Europa de vrede bewaard, gegarandéérd wórdt en blijft. Voor de landen die deel uitmaken van de Europese Unie is dat tot op heden gelukt, nu al eenenzestig jaar lang. En Kohl heeft daaraan, met de euro en alles, een belangrijke bijdrage geleverd. En daarom werd hij gisteren gevierd als 'de grote Europeaan'. Wij zien hem nóg staan, in Verdun in 1984, hand in hand met de Franse president Mitterand.

 

De kist met zijn enorme lichaam werd gisteren de vergaderzaal van Europees parlement in Straatsburg binnengedragen. Daar werd hij temidden van Europese en andere regeringsleiders en oudgedienden herdacht. Toen ging het per helikopter naar Ludwigshaven, de Heimat van Kohl. En vervolgens per schip over de Rijn naar de bijna duizend jaar oude Romaanse Dom van Speyer waar de requiem-mis werd gevierd.

 

Kohl de grote man van de Europese eenheid. Maar in schril contrast daarmee staat wat wij weten over zijn privé-leven, over ziekte en dood van zijn eerste vrouw Hannelore, die leed aan 'lichtallergie' -hoe duidelijk wil je het hebben- en de slechte verhouding met zijn beide zoons Peter en Walter. Hoe wrang was het om te zien hoe de deur van Kohls woning afgelopen week voor Walter en twee van diens kinderen, kleinkinderen van Helmut, gesloten bleef.

 

Kohls tweede vrouw Maike liet ze niet binnen. "Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard", zo hoorden wij Jezus vandaag in het Mattheüs-evangelie zeggen. De vrome katholiek Kohl, die in de Dom van Speyer regelmatig ter kerke ging, hééft, dierbare gasten en parochianen, hij heeft die woorden duidelijk gelééfd zou je kunnen zeggen. Maar... of dat op zo'n manier nou de bedóeling is? - wél naar de kerk, maar de eigen kinderen en kleinkinderen niet welkom? Dat zal toch wel niet? Dat kunnen wij ons toch níet goed voorstellen...

 

Hoe zit het? Manifesteert Jezus zich in de geciteerde woorden niet als een enge sekteleider die een wig drijft in families, die familieleden tegen elkaar opzet en uitspeelt? Maar dáár wil je toch niets mee te maken hebben? Nee! Alsjeblieft niet...

 

Waar gaat het dan om? Ach ja, veelgeliefden, het is misschien wel heel simpel. Je hebt, ieder mens heeft, in en voor haar en zijn leven een hart, een centrum, bezieling, heilig vuur nodig. En als het zo is, en ik houd daar persoonlijk graag aan vast; als het zo is dat Jezus van Nazareth, de Christus, de Gezalfde Gods, als in Hém de liefde van God werkelijk mens geworden is, vlees en bloed, dan mag je Hem, Jezus, dus met een gerust hart in het hart van ook jouw eigen bestaan plaatsen. Met Hem, met Jezus, ten diepste verbonden, leef je dan je leven. Vanuit Hem. Naar alles en iedereen, óók naar je familie kijkend en alles levend, óók in familieverband, in Zijn licht, door Hem verlicht. Zolang dat maar je oprechte verlangen is, zit je goed. En ik denk: met goede familie- en vriendschapsverhoudingen kan een leven met en vanuit Jezus zeer wél samengaan.         

 

Kijk maar naar de eerste lezing vandaag. Daarin kwamen we de profeet Elisa tegen die een graag geziene gast is van "een welgestelde vrouw" in Sunem. "Laten we op ons huis een kleine kamer voor hem metselen en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten" zegt ze zelfs tegen haar man. Hartelijke en zorgzame gastvrijheid die een zegen is voor de gast, maar ook voor de gastvróuw in dit geval. Want zij en haar man zijn kinderloos. En hoe komt dat? Wij weten tegenwoordig: daarbij kunnen allerlei fysieke factoren een rol spelen, precies zoveel bij de vrouw als bij de man, waardoor een vrouw niet zwanger wordt. Maar ongetwijfeld, dierbare gasten en parochianen, ongetwijfeld kúnnen allerlei blokkades die mensen in hun leven ervaren ook van mentale aard zijn en zelfs een geloofsdimensie hebben in de zin van: te maken hebben met een vorm van geloofstekort oftewel een zekere vertwijfeling. Zou iets dergelijks misschien een rol kunnen hebben gespeeld in verband met die zogenaamde lichtallergie van Hannelore Kohl? Het is maar een vraag. Niet kunnen en durven geloven in jezelf, in je eigen geluk, niet kunnen en durven geloven in een ander, niet kunnen en durven geloven in God: het komt allemaal voor en het kan ook allemaal met elkaar te maken hebben en fysieke uitwerkingen hebben zelfs die je een mens niet toewenst. Helmut Kohl, de grote man, heeft blijkbaar niet, of onvoldoende, of niet méér kunnen geloven in zijn beide eigen zoons. Misschien is hij in hun jeugd te geobsedeerd geweest door zijn eigen ideeën omtrent hun toekomst en hoe het allemaal moest en goed was en heeft hij ze te weinig eigen ruimte gegund voor hun eigen ideeën en dromen. Hij was natuurlijk een echt Duits heerschap, een boom van een vent in en onder wiens schaduw anderen en om te beginnen die zoons wellicht minder gemakkelijk hebben kunnen gedijen. Dat komt vaker voor bij zogenaamde grote mannen. Misschien is Helmut simpelweg te weinig betrokken geweest of niet op de goede manier en heeft hij dat niet kunnen inzien en is hij in zijn visie op zijn zoons en in de omgang met hen verhard geraakt. Het zou zomaar kunnen. We kunnen het nalezen als we willen, want beide zoons hebben erover geschreven. Sowieso was die Kohl best een nukkige ouwe brombeer geworden en had hij in zijn leven veel last van conflictueuze verhoudingen met mensen die door hem geheel konden worden afgeschreven en met wie hij brak. Ook Angela Merkel, das Mädchen, heeft 't bij hem maar nauwelijks of eigenlijk niet gered. Tja... Waarin een groot man klein kan zijn, erg klein.

 

"Wie zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mij niet waard. Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden". Dat zegt Jezus. En Hij werd op jonge leeftijd zelf gekruisigd. En wat betekent dat? En wat wil Jezus ons met Zijn woorden zeggen?

 

Ik denk: dat we, geworteld in God, in Jezus zelf, ons in ons aardse bestaan, in onze familiale en andere betrekkingen en in ons werk niet te zeer moeten ingraven, dat we er ons niet in moeten vastbijten, maar, vertrouwend op God, in Jezus zelf, steeds moeten durven loslaten en sowieso ons leven in en met een zekere losheid en lichtheid moeten durven leven, wat er ook gebeurt.

 

Onze tweede lezing vandaag was een passage uit Paulus' brief aan de Romeinen. Hij schrijft: "Door de dood die Hij (Jezus) is gestorven, (daardoor) heeft Hij afgerekend met de zonde, eens en voorgoed, het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. Zo moet u ook uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus." Wat betekent dat? Wat moeten we ermee?

 

Ik denk: mensen kunnen zéér geobsedeerd zijn door wat zogenaamd 'zonde' is of zou zijn in hun eigen leven en, vaak nog meer, in de levens van andere mensen. Maar misschien moeten we wel zeggen, in het licht van Paulus' woorden: Hou daar in Godsnaam mee op! Laat dat soort gedachten, zulke obsessies vaak, laat die maar helemaal los. Wees op God gericht, zoek in en bij Hem, bij Jezus, je bezieling. Probeer van Hem uit in eer en geweten zo goed mogelijk met jezelf en met anderen en met de wereld om te gaan en laat elke gedachte aan die zogenaamde zonde, aan wat in jouw leven of in dat van anderen zonde zou zíjn, laat dat soort gedachten maar helemaal los, zo goed mogelijk, zo goed of zo kwaad als het gaat. Want anders, veelgeliefden, heb je geen leven. Dan kom je aan leven, wérkelijk leven helemaal niet toe. Want dan word je misschien alleen maar verteerd door wroeging, spijt en boosheid en wie heeft dáár wat aan? Dat zou helemáál zonde zijn!

 

Laten we nog eenmaal terugkomen op Helmut Kohl , want misschien is dit wel dé grote les van diens leven voor elk van ons. Was er in zijn leven sprake van zonde? Ongetwijfeld. Kijk maar alleen al naar zijn bedorven familie- en vele vriendschapsverhoudingen. Tja. Maar, "u moet (...) uzelf beschouwen als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus" schrijft Paulus. Misschien heeft Helmut Kohl dát wel gekund. Want ondanks al die ellende in de privé-sfeer is hij wél naar de kerk blijven gaan, hééft Hij vastgehouden, heeft Hij zích vastgehouden aan het geloof in God, ís hij in God blijven geloven en daarmee ook in zichzelf: dát God hem ondanks alles zou vasthouden en thuis zou brengen. "Hij kwam in de Dom als bidder" zei aartsbisschop Wiesemann van Speyer gisteravond in zijn preek. Met Helmut en diens vrouw had hij kort voor Kerstmis nog samen een kaars aangestoken bei der Mutter Gottes, bij Maria. Ze hadden samen een Onze Vader en een Wees gegroet gebeden. "Ik denk", zei de aartsbisschop: "hij wist (...) welke de rafelranden van zijn leven waren, dat hij veel bereikt had, maar dat hij in veel ook te kort was geschoten. Er zijn dingen tussen hemel en aarde, die alleen God kan oplossen, vérlossen kan." En dát, veelgeliefden, geldt voor ons allemaal - in meer of mindere mate. Laten wij aan die oplossende, die vérlossende God, die van Jezus, ons dus helemaal toevertrouwen. Amen. 

 

Verkondiging

 

 

op 25 juni 2017, de twaalfde zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jeremia (20, 10-13), Psalm xx, de brief van de heilige apostel Paulus aan de Romeinen (5, 12-15) en uit het heilig evangelie van onze heere Jezus Christus volgens Mattheüs (10, 26-33).

 

Nou, dierbare gasten en parochianen: Mooie vrienden!

- die van de profeet Jeremia in onze eerste lezing vandaag:

"Al mijn vrienden willen niets liever dan mijn ondergang" zo staat er.

 

Weet u nog: "Een keer trek je de conclusie/Vriendschap is een illusie/Een pakketje schroot, met een dun laagje chroom." - Het Goede Doel, Henk Westbroek, 1983. Daar lijkt het op!  

"Ze zeggen", die zogenaamde vrienden van Jeremia: "Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken." Oef! Hoe vals.

 

Maar... waarom heeft Jeremia het blijkbaar verkorven? Waarom hebben zijn 'vrienden' zo de pik op hem?

 

Ze hebben hem een bijnaam gegeven. Ze noemen hem Onzetting-overal. Die bijnaam heeft Jeremia te danken aan zijn profetieën, aan wat hij van Godswege, in de Naam van God aankondigt en zegt. Daar wordt een mens blijkbaar niet vrolijk van. Het gaat om dingen die veel mensen, de meesten, misschien wel iedereen, niet wil horen. Jeremia legt de vinger op zere plekken. Hij klaagt aan wat er mis is binnen de samenleving en onder de mensen: Men is God, Zijn Woord, vergeten. Men trekt er zich niets van aan en gaat z'n eigen gang. En van die eigen gáng word je niet vrolijk: mensen beliegen en bedriegen elkaar. Men zoekt z'n heil, z'n zekerheid in geld en bezit dat ieder voor zich en z'n erfgenamen bij elkaar schraapt en oppot en de grotere en hogere belangen en de armen: die zijn het kind van de rekening en daarmee is het gedaan. 'Ieder voor zich en God voor ons allen', zo luidt het gezegde. En hoe cynisch is dat gezegde ten aanzien van God. Want als het ieder voor zich is en God voor ons allen, dan wordt, dan is 'God' een wassen neus, een inhoudsloos begrip, niet meer dan een mascotte en een masker voor ons eigenbelang. Op zo'n manier maak je God leeg en tandenloos en dat is een belediging voor en aanfluiting ván God.

 

En... zo is God niet. Niet de God van Jeremia in elk geval. Want die staat wel degelijk ergens voor: namelijk precies voor grotere en hogere belangen dan het eigen voordeel en de eigen portemonee van mensen. God staat voor recht, voor het recht van de armen op de eerste plaats, voor eerlijkheid, voor waarheid, voor betrokkenheid, voor warme medemenselijkheid. God stáát voor wat mensen verbindt en niet voor wat hen scheidt. En precies dát, dierbare gasten en parochianen, precies dát kan merkwaardig genoeg een ónwelkome boodschap zijn. Want liever zetten mensen zich vaak tegen elkaar áf en leven zij gescheiden van elkaar, dan dat zij zich met elkaar verzoenen en met elkaar delen. Als dat zo doorgaat, waarschuwt Jeremia, dan gaat het mis, dan gaan we als volk, als gemeenschap, als natie, ten onder. En als gevolg van die boodschap dreigt Jeremia zélf ten onder te gaan. Hij maakt met die boodschap geen vrienden en men wil hem de mond snoeren. Jeremia is typisch wat we een tegenwoordig 'een klokkenluider' noemen: Hij 'trekt aan de bel' en vraagt aandacht voor misstanden, voor wat niet deugt. En daarmee zijn allerlei mensen dan niet blij: dat die misstanden aan het licht komen. Liever 'hangt men de vuile was niet buiten' en laat men wat gewoon niet deugt en niet klopt en allerlei verziekte verhoudingen voortbestaan.

 

Ad Smit, die twintig jaar lang de hoogste politiebaas was in Amsterdam-Oost, liet dure etentjes en kaartjes voor voetbalwedstrijden voor hem en zijn vriendjes uit het politiebudget betalen zo wordt vermoed. Er is een onderzoek naar hem en naar allerlei andere leidinggevenden bij de politie gestart. Maar... waar zijn we mee bezig als het met nota bene de politie, de ordehandhavers, al zo gesteld is? Als het met het groene hout zo gesteld is, "wat moet er dan gebeuren met het dorre?"[3] - met de zogenaamde 'criminelen'? Wie het weet mag het zeggen. Het is toch... om je de haren voor uit het hoofd te rukken? - óók omdat ik dit allemaal zeg en naar voren breng in het bewustzijn dat ik als Roomse priester zélf deel uit maak van een organisatie die zeker niet per se beter is en beter functioneert dán de politieorganisatie. Ook binnen de kerk worden zaken toegedekt en kunnen manieren van doen laakbaar zijn.

 

"Niets is verhuld dat niet onthuld zal worden, en niets is verborgen dat niet bekend zal worden" zegt Jezus in het evangelie van deze zondag tegen Zijn apostelen. "Wat ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht. Wat jullie in het oor gefluisterd krijgen, verkondig dat vanaf de daken." Jezus staat duidelijk aan de kant van de klokkenluiders, niet aan die van de toedekkers. Jezus was zelf een klokkenluider, net als Jeremia. Het heeft hen allebei, zowel Jezus als Jeremia, de kop gekost, dat klokkenluider-zijn. Ja, het is een linke, een gevaarlijke hobby, dat klokkenluiden. Het kan ten koste gaan van je eigen positie, baan en inkomen. "Maar ja", zei onlangs één zo'n klokkenluider in een interview: "Wat is belangrijker: inkomen of oprechtheid?" En zijn eigen antwoord op die vraag luidt: "Onder de brug terecht komen is beter dan huichelen."[4] Toe maar!

 

Toevallig ken ik die klokkenluider in kwestie. En in een persoonlijk bericht aan mij lichtte hij zijn visie als volgt toe: "Ja", schrijft hij, "dat zinnetje over die brug is heftig en radicaal. Maar het Evangelie is heftig en radicaal. Inderdaad, als je tegen het systeem ingaat, dan loop je het gevaar om onder een brug terecht te komen. Maar als je er toe in staat bent, dan zul je zeker niet onder die brug blijven. Dat is mijn geloof. Het maken van

grote keuzes en belangrijke beslissingen, dat vinden we eng omdat we bang zijn dat we alles kwijt raken. Maar alleen als je de kracht hebt om het te proberen en om die belangrijke beslissing te nemen, dan zul je terwijl je met de gevolgen wordt geconfronteerd, toch zelf niet verloren gaan. Jouw angst om onder die brug terecht te komen, blokkeert het maken van goede keuzes en is de beste bescherming voor het hypocriete systeem. En ik weet waarover ik het heb als ik deze woorden schrijf", aldus mijn correspondent de klokkenluider, "want ik weet hoe moeilijk het leven als freelancer en werkzoekende is en hoe het is om de halve wereld tegen je te hebben." Einde citaat.

 

'Van je vrienden moet je het hebben' - niet dus als puntje bij paaltje komt. Reken er maar niet op, dan kan het altijd meevallen. 'In nood leer je je vrienden kennen'. Als je in moeilijkheden komt, dán ga je ervaren wie wérkelijk je vrienden zijn. Allerlei zogenaamde vrienden, would-be vrienden, vallen dan af. Want:

 

                              Een vriend is niet, die u aan 't hart wil sluiten

                              in uw geluksuur en zich niet genoeg doen kan,

                              maar die den balling bij zich binnen roept en dan

                                                           de deur toeslaat tegen de wolven buiten.

 

                                                           Leopold![5]

              

Zo'n vriend die jou als balling binnen roept en die jou beschermt tegen de wolven, onze God is zo'n vriend en je vindt Hem in Jezus. In Hem zien we die God vóór ons.

 

Zijn 'vrienden' willen de ondergang van Jeremia. Maar hij zegt: "De Heer is bij mij als een machtig strijder". En Jezus zegt: "Word niet bang voor de mensen. (...) Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden. Wees eerder bang voor hem die en ziel en lichaam kan ombrengen. (...) Alle haren op je hoofd zijn geteld. (...) Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen, zal ook ik partij kiezen voor hem bij mijn Vader in de hemel."

 

Veelgeliefden, wat is dat: partij kiezen voor Jezus bij de mensen? Ik denk: het gaat om trouw aan wat jijzelf als diepste en hoogste waarheid en waarde in en van jouw leven begrijpt en opvat. Als je daarvoor staat en daarvoor opkomt, dan kun je veel weerstand en tegenstand over je afroepen en dat is natuurlijk lastig of zelfs

gevaarlijk - als de wolven buiten zich beginnen te roeren. Maar als je het nochtans doet, dan ben je niet alleen trouw aan jezelf maar ook aan Jezus, die hetzelfde heeft gedaan als jij dan, en daarmee ben je trouw aan God in jou. Die God, veelgeliefden, zal met jou zijn en met jou blijven, wat er ook gebeurt. Hij is en blijft dan voor jou werkelijk een vriend. Moge het voor ons allen zo zijn. Mogen wij het ervaren. Amen.

 

Verkondiging

 

op 18 juni 2017, hoogfeest van het Lichaam en Bloed des Heren (Sacramentsdag), in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering van de parochie van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

Gelezen: uit het boek Deuteronomium (8, 2-3+14b-16a), Psalm 147, uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe 10, 16-17 en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (6, 51-58).

 

Billy Elliot is een beroemde film.[6] Hij was gisteravond nog op de tv. De film speelt in Engeland. Daar waren vroeger veel kolenmijnen. Kolen dat is: steen die je kunt verbranden.

Je kunt kolen in de kachel doen, in een kolenkachel, en zo kun je het huis verwarmen.

 

President Trump, Donald, wil in Amerika de kolenmijnen openhouden, maar in Engeland wilde de regering ze dertig jaar terug al sluiten. Want olie en gas waren goedkoper dan steenkool. Natuurlijk waren de mijnwerkers daar niet blij mee. Want dan hadden zij geen werk meer. Daarom gingen ze staken. En ze gingen vechten. Met de politie.

 

Billy, de hoofdpersoon van de film, is elf. Hij woont met zijn vader, zijn broer en zijn oma.

Zijn vader en zijn broer zijn mijnwerkers. Zijn moeder is dood. Soms gaat Billy naar haar graf.

En voordat ze dood ging heeft ze ook een brief geschreven voor Billy - voor als hij achttien was. Maar Billy heeft de brief al eerder geopend. Er staat in: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn." Op een keer pakte Billy een fles melk uit de koelkast. En toen zag hij haar opeens, zijn moeder. Daar stond ze: aan de andere kant van de keuken. "Niet uit de fles drinken" zei ze. Billy pakt een glas. Hij schenkt de melk in en zet de fles op de koelkast. "Terug in de koelkast" zegt zijn moeder. En dan is ze weer verdwenen.

 

Billy zit op boksen. De bokshandschoenen zijn nog van zijn opa geweest zegt zijn vader.

Maar Billy vindt boksen maar zozo. Het is eigenlijk niet zijn ding. In de boksschool wordt ook balletles gegeven. Dat trekt hem meer. Hij gaat meedoen met ballet. Hij vertelt het niet aan zijn vader. Want die vindt het vast niet goed dat Billy niet meer bokst maar ballet. Die vindt het vast een meisjesding en een homoding. Ja, dat voelt Billy wel aan (zijn theewater). Hij is ook de énige jongen die op ballet zit. Maar hij vindt het leuk. Het krijgt hem helemaal te pakken. En zo makkelijk is het trouwens niet. Het is zwaar. Je moet er ontzettend hard voor trainen. Het gaat steeds mis. En dan zegt de balletjuf steeds: Do it again - Ópnieuw. En alleen op die manier leer je het en leer je dingen: door ze steeds opnieuw te doen.

 

Billy heeft talent. Dat ziet de balletjuf al gauw. Ze wil dat hij auditie gaat doen voor de Royal Ballet School, de Koninklijke Ballet Academie. Maar dat kost geld. En waar moet dat vandaan komen? Als Billy's vader ontdekt dat hij op ballet zit, dan is hij lááiend, wóedend. Maar de balletjuf brengt hem op andere gedachten. En weet je wat hij dan doet? Er zijn nog een paar gouden sieraden van zijn vrouw, van de moeder van Billy: een ketting, een armband, oorbellen. Die gaat hij verkopen of liever gezegd: 'belenen'. Dat betekent: dan kun je die dingen later terugkopen. (Wij hebben hier in Amsterdam ook. de Stadsbank van Lening. Die is al heel oud. Uit 1614. Het gebouw staat aan de Oudezijds Voorburgwal. De beroemdste dichter uit de hele Nederlandse geschiedenis, Joost van den Vondel, van het Vondelpark, die heeft er tien jaar gewerkt.) Het lukt! Billy Elliot wordt aangenomen op de balletacademie. De mijnwerkers gaan weer aan het werk diep onder de grond. En Billy springt omhoog.

Hij komt in een andere wereld terecht en krijgt en heel ander leven. Tot zover die film.

 

En wat heeft die film met de Eerste Heilige Communie te maken? Nou ja... De opa van Billy is dood. Maar zijn bokshandschoenen zijn er nog. De moeder van Billy is dood. Maar haar gouden sieraden zijn er nog. En door die sieraden kan zij nog iets heel belangrijks voor Billy doen. Dat had haar man, de vader van Billy, goed begrepen. Die sieraden waren er nog. En er was ook nog die brief. Wóórden: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn."

 

Wij weten: In de kerk gaat het om God. En het gaat over Jezus, de Zoon van God. Jezus is dood. Maar zijn woorden zijn er nog. Die woorden van Jezus noemen wij: Het Evangelie. De Blijde Boodschap. Het Goede, het Verheugende Nieuws. En wat is dan dat goede nieuws, die blijde boodschap? Wat houdt die boodschap in? Nou ja... Ik denk: het is eigenlijk dezelfde boodschap als in die brief van Billy's moeder aan hem: "Ik hou van je." En: "Ik zal altijd bij je zijn." Daar komt het eigenlijk op neer. Dat zegt Jezus ook tegen elk van ons en vandaag heel in het bijzonder tegen jullie: onze eerste communicantjes.

 

Jezus heeft gezegd, ik heb het net voorgelezen: "Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. (...) Mijn dood brengt redding." Ja, lieve kleine en grote mensen, zo is het: Door het brood en de wijn houden we contact met Jezus, met God. Jezus is gestorven en toch leeft Hij. Hij leeft vóór ons. Hij leeft voor óns. Hij leeft ín ons. Hij leeft dóór ons.

 

Bokshandschoenen en gouden sieraden raak je kwijt, gaan kapot of moet je verkopen.

Maar brood en wijn, Jézus' afscheidsgeschenk, is stééds nieuw en vers. "Dit is mijn Lichaam." "Dit is mijn bloed." In de kerk klinken die woorden iedere dag. En zo laat Jezus ons weten: "Ik hou van je." En: "Ik ben altijd bij je." Je moet die woorden goed in je oren knopen.

Het is goed om ze steeds opnieuw te horen. Dus daarom is het ook goed om vaak naar de kerk te gaan, zeker op zondag. Do it again, ópnieuw! zei de balletjuf tegen Billy en tegen al haar balletleerlingen. Ik zeg het vandaag ook tegen jullie: Do it again, ópnieuw! Ballet moet je oefenen. Boksen moet je oefenen. En Jezus moet je ook oefenen. Want 'oefening baart kunst' zeggen we: Wat je steeds opnieuw oefent, daar word je goed in.

 

In de kerk krijgen we het Lichaam van Christus - en Zijn Bloed. En daardoor wórden wij zelf Jezus' Lichaam. We krijgen Jezus. En we worden samen Jezus. Dat is de bedoeling. Samen laten we Hem zien, hopelijk. Als het goed is, als we het góed doen, als we Jezus' woorden góed horen en Zijn Lichaaam en Bloed góed ontvangen, dán laat Jezus écht Zichzelf zien, in jullie en in mij. Jaja... Dat is niet niks. Oefenen dus. Do it again. Opnieuw!

 

Achter in ons misboekje staan foto's van onze communicantjes en wat ze er zelf over denken en hebben gezegd.

 

Eén kind (Christie) zei: "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik (...) in Jezus en God vertrouw." Zo is dat.

 

Een ander kind (Thomas): "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik God wil laten weten dat ik in Hem geloof." Dat is ook een héle mooie.

 

En weer een ander kind (ook Thomas): "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat God mij dan nog beter kan beschermen."

 

Ja! Zo is dat!

 

"Vergeet de Heer jullie God niet! Want Hij (...) heeft jullie geleid door die grote, verschrikkelijke woestijn, vol slangen en schorpioenen." Dat hebben we horen voorlezen in onze eerste lezing vandaag, uit het bijbelboek Deuteronomium. En het is wáár lieve kleine en grote mensen: Soms kan je eigen leven een woestijn zijn: kaal, leeg, dor, eenzaam. En je leven kan vol

slangen en schorpioenen zitten. Dat zijn de mensen. Ze kunnen aardig en lief zijn. Maar helaas ook héél vals en gemeen, zelfs in de kerk! En zelfs kinderen kunnen het zijn. We kunnen er over meepraten. We hebben dus bescherming nodig! En God wíl je beschermen door het ware hemelse brood, door het Lichaam van Jezus, door de communie. Dus ik hoop niet dat dit vandaag voor jullie de eerste en ook de laatste communie is. Maar dat er voor jullie ook een tweede communie komt. En een derde. En een tiende. En een honderste. En misschien wel een duizendste. Denk aan de woorden van Billy's moeder. Denk aan Jezus' woorden. En denk aan de woorden van Billy's balletjuf: Do it again. Doe 't opnieuw! Óefen Jezus. Kom terug!

 

Valentina zei: "Ik wil mijn Eerste Heilige Communie doen omdat ik van God wil leren en om arme kinderen te helpen.

 

En Jan: "(...) Omdat ik naar Jezus wil gaan en ik wil dat Jezus in mijn hart komt."

 

Ja! 

 

Amen

 

Verkondiging

  

 

11 juni   (Ton van Hal)

 

Beste medeparochianen

Als u op dit Hoogfeest van de Drievuldigheid naar de kerk bent gekomen om eens een goed doorwrochte theologische verhandeling te horen over dit geloofspunt, de drie-eenheid,  dan moet ik u helaas teleurstellen. Ik kreeg gisteravond pas de vraag of ik wilde preken; er was een misverstand. Mijn naam is ook niet Wilmer, zoals op het boekje staat, maar eenvoudigweg Ton.

 

U moet het vandaag doen met een paar losse gedachten die ik op u zal loslaten en (zoals gewoonlijk) : u hoeft het er gelukkig weer niet mee eens te zijn.

Laten we de drie lezingen nog even bekijken. Waarom zijn juist deze lezingen gekozen op deze dag? Zit er een bepaalde lijn in ?

 

Eerst de lezing uit Exodus.  De Israëlieten trekken tientallen jaren door de woestijn op weg naar het beloofde land Kanaän. Mozes, hun leider, heeft van Jahweh de Tien Geboden ontvangen, gegrift op grote stenen tabletten. Wie herinnert zich niet (als je tenminste mijn leeftijd hebt of nog ouder bent) hoe Charlton Heston  in de film de Tien Geboden uit1956 van de berg Sinai afdaalde , die stenen tafelen hoog boven zich verheffend. Maar hij zag hoe de mensen inmiddels van al hun gouden sieraden een kalf hadden gemaakt dat ze aan het vereren waren met zang en dans. Ik zie nog hoe Moses in de film die enorme stenen aan gruzelementen gooide. De mensen hadden zich uit ongeduld en ongeloof een nieuwe God gemaakt van goud.  Je kunt je wel eens afvragen of er eigenlijk veel veranderd is in de eeuwen.

Maar in het stukje dat we vandaag hoorden  zien we Moses opnieuw de berg op gaan  met nieuwe stenen tafelen en weer ontmoet hij God die opnieuw een verbond aanbiedt met de mensen. 

 

Even naar de brief van Paulus aan de Korintiërs.  Jammer dat de lezing begint bij vers 11 want in het vers daaraan vooraf staat het volgende:  Daarom schrijf ik uit de verte (zegt Paulus) om bij mijn komst niet streng te moeten optreden, want ik wil komen om op te bouwen, niet om af te breken. En dan komen de vriendelijke aansporingen en de hartelijke afscheidsgroet.

 

Johannes 3, 16-18. Ik herinner me dat je dat vroeger vaak zag staan op een spandoek in de stadions van voetbal WK’s, Olympische Spelen, Touretappes enzovoort, een man met een spandoek, heel strategisch opgesteld bij de finish, achter het doel, bij de meet, zodat hij altijd wel prominent in beeld kwam: Joh. 3. 16-18. Wat daar staat, we hebben het net gehoord. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat hij zijn enig geboren zoon gegeven heeft opdat eenieder die in hem gelooft  niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.”

 

Beste mensen, wat heeft dit alles met Drievuldigheid te maken?

Wat ik kan bedenken is dit: De God van het Oude Testament , van Moses,  wil een verbond met ons mensen sluiten. Steeds opnieuw, ook als wij het weer eens verknald hebben. Dat is God de Vader. Over God de Zoon spreekt Jezus met Nikodemus. God heeft zijn zoon naar ons gezonden: het is Jezus zelf in wie wij God kunnen herkennen. God zelf kunnen wij niet zien (ook Moses kon hem niet echt zien). En Paulus, net zoals al die andere mannen van God uit het begin, in hem is God ook komen wonen: hij is vervuld van Heilige Geest.

Van God zelf via zijn Zoon Jezus tot een gewone mens als Paulus, als u en ik. God wil bij ons, wil in ons wonen. Is Hij (of Zij als je wil) welkom bij jou ?  Is dat niet eng? Word je dan een soort halve heilige? Persoonlijk geloof ik dat dat wel mee kan vallen. Want wat is die God, wat doet die God dan in jou?

 

Ik hoor in de lezingen van vandaag  van een God die het keer op keer opnieuw met ons wil proberen. Ik hoor van een Man van God die ons wil opbouwen, niet afbreken. Ik hoor van een God  die ons zelfs eeuwig leven in het vooruitzicht stelt.  Zo’n gast is toch zeker altijd welkom?

Kortom: we kunnen gerust spreken van een blijde boodschap op een mooie dag.

 

Amen

 

Verkondiging

 

5 juni 2017 2e pinksterdag 

Een vlam die niet verbrandt maar inspireert. 

Ik denk hierbij direct aan Frans Horsthuis.

Frans schreef een boek “De Koninklijke Weg”.

Ik ben gegrepen door wat hij schreef over zijn ervaringen met Jezus die tot hem spreekt. Hoe Frans zijn hele leven in handen van Jezus heeft gelegd.

Zijn contact met Jezus werd heel persoonlijk.

Ik kan bijna niet geloven dat je zo direct met Jezus zou kunnen praten.

Aanvankelijk wantrouwde Frans die stem.

Hij vroeg In belangrijke beslissingen om een teken en dat kreeg hij ondubbelzinnig.

Eens werd hij gevraagd voor een hele grote groep (OF een groep van 120)  studenten een retraite van enkele dagen te leiden. Daar zag Frans tegenop.

Hij vroeg aan Jezus: geef me er tenminste een voor wie ik iets mag betekenen.

Prompt antwoordde Jezus hem : het gaat me in deze retraite in het bijzonder om een jongeman met een lichtblauw overhemd aan. Hem moet je vragen over zijn persoonlijke relatie met mij.

Op de vierde en laatste dag van die retraite loopt Frans de trap op. Een student komt net naar  beneden en vraagt hem : zou ik een gesprek met u kunnen hebben over mijn beleving van het geloof.

Deze jongeman droeg een lichtblauw overhemd.

Net zoals de apostelen aangeraakt werden door de Heilige Geest en de wereld ingingen om het geloof te verkondigen. Zo werd Frans er ook op uit gestuurd.

Jezus droeg hem op naar Oost Europa te gaan om daar gelovigen in kleine groepen te gaan inspireren.

Hier zie ik een duidelijke verbinding met Pinksteren. 

Zoals de apostelen werden aangeraakt en geďnspireerd door de Heilige Geest om het geloof te gaan verkondigen. Zo zouden ook wij ons geloof vurig met anderen kunnen delen.

Dat kan ieder van ons op zijn eigen manier invullen.

Na lezing van zijn boek was ik zo onder de indruk dat ik probeerde Frans Horsthuis op internet te vinden. Hij moest als hij nog leefde over de 90 zijn. Ik vond een oud email adres,  mailde hem en kreeg direct een bericht terug.

Toen wilde ik hem ook spreken. Hij bleek een levendige man aan wie je de 90 plus niet af zag. Heel gewoon vertelde hij hoe hij met Jezus sprak en antwoorden kreeg.

Ik vertelde hem dat ik nooit gedurfd had zo direct met Jezus te spreken. Met Maria was dat anders voor mij. Frans noemde dat een misverstand dat hij vaker hoorde.

Waar het om gaat, dat is je persoonlijke verhouding tot Jezus. 

Op het eind van ons gesprek stelde hij voor samen te bidden. Daarbij zei hij, terwijl hij deed alsof hij een gordijn voor zijn ogen wegtrok, als wij de sluier voor onze ogen wegtrekken zien we dat Hij bij ons is.

Hier en nu is die kracht aanwezig voor ieder van ons als je hem wilt voelen.

Het is een onvoorwaardelijke overgave en vertrouwen en ook spannend om met Jezus zo in contact proberen te komen.

Die inspiratie geeft de heilige geest ons vandaag. Dat wens ik ons allen toe.

Het is heerlijk om zo te mogen geloven. 

Amen 

Verkondiging

 

 

op 28 mei 2017, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (1, 12-14), de eerste brief van Petrus (4, 13-16) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (17, 1-11).

 

Overwinteren.

 

Het is misschien vreemd, dierbare gasten en parochianen, om op deze zevende zondag van Pasen terwijl wij, eind mei, een heuse hittegolf beleven, deze verkondiging met dát woord, overwinteren, te beginnen, maar toch... Ik zal u vertellen hoe ik op het woord kom en waarom het voor mij goed samenvat waar wij op deze zondag in dit tijdsgewricht mee te maken hebben.

 

Afgelopen woensdag werd vanuit onze Bavo-kathedraal in Haarlem Frans Geels uitgevaren,

priester van ons bisdom, 67 jaar oud. De viering werd geleid, coram episcopo, 'voor het aangezicht van de bisschop', door mijn dierbare vriend en ambtsbroeder pastor Nico van der Peet, wonend en werkend in Amsterdam-Noord. In zijn preek herinnerde Nico aan de preek bij zijn eigen eerste mis, in 1990, in dezelfde kathedraal gehouden. Het was de nu gestorven Frans die destijds gesproken had. Hij had het gehad, ik citeer, "over de religieuze winter waarin wij leven" en dat wij "in deze tijd geroepen waren (om) de religieuze winter te doorstaan". Frans Geels had met die woorden gedoeld op het voor geloven en kerk-zijn 'moeilijke klimaat' van die dagen, anno 1990. Wij zijn nu zevenentwintig jaar verder maar liefst. Maar is die "religieuze winter" nu voorbij? Hoe is uw aanvoelen wat dit betreft? Ik persoonlijk waag het te betwijfelen. Erg lenteachtig laat staan zomers is het klimaat voor en binnen onze Roomse kerk in Nederland en binnen het Bisdom Haarlem-Amsterdan in mijn perceptie inmiddels nog niet geworden. Of vergis ik mij?

 

Ja natuurlijk, we hebben inmiddels paus Franciscus. Een betere paus is moeilijk voorstelbaar. Laten wij hopen en bidden dat hij nog lang leeft en gezond blijft. Paus Franciscus is zonder meer een zomerse figuur. Hij doet de harten smelten, mondiaal - al zal ook hij afgelopen week aan Trump wel een harde dobber gehad hebben. Maar... wat doet de paus vóór en met ons als Roomse kerk in Nederland? Is er ook bij ons sprake van een pausfranciscuseffect? Hoe zit het wat dit betreft met de bisschoppen, kardinaal Eijk voorop? Hoe zit het met de priesters? Wat betekent de paus voor u, de kerkgaande gelovigen? Wat betekent hij voor de niet-kerkgaande gelovigen? Wat betekent hij voor de ongelovigen en voor de andersgelovigen in Nederland?

 

Of zijn dit soort vragen niet goed veelgeliefden? Het gaat toch niet om de paus! kunt u tegenwerpen. Het gaat toch om Jezus? Zeker. Natuurlijk. Maar zoals Jezus in het evangelie van deze dag zelf zegt: "Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij, zij blijven in de wereld achter." Alles wat Hij heeft en is, Jezus, dat heeft Hij aan óns gegeven. Dus nu is het aan óns om Hem te laten zien en om te doen wat Híj deed. De paus doet het voorbeeldig. Beter is voor een paus bijna niet mogelijk lijkt mij. Maar ja... dat is paus. Hoe zit het met ons?

Hoe doen wij het: u, ik, de priesters, de Nederlandse bisschoppen?

 

Frans Geels had, zevenentwintig jaar terug, in zijn preek bij de eerste mis van Nico van der Peet ook "de jonge Samuël" ter sprake gebracht, "die", ik citeer, "in de vroege ochtend een stem hoorde en tegen de mode van de tijd in, dienstbaar was aan de tempel, de aanwezigheid van God verwachtte en bewaakte, de tempellamp brandend hield, in een tijd waarin de tempel van Silo amper open te houden was, de lamp ternauwernood brandde en zelfs de zonen van de priester Eli het wel geloofden of beter: niet meer geloofden." Einde citaat. De woorden houden ons een spiegel voor en stellen indringende vragen aan ons, aan u, aan mij:

 

Hoe zit het met die stem van God in jou? Hoor je iets, of nauwelijks iets, of helemaal niets?  

 

Ben jij dienstbaar aan de tempel?

 

Verwacht jij God?

 

Bewaak jij Zijn aanwezigheid?

 

Houd jij de tempellamp brandend?

 

Geloof jij?

 

Of geloof jij het wel?

 

Of geloof ook jij eigenlijk niet meer?

 

De afgelopen week heb ik gelezen een boek getiteld Brief aan de paus. De schrijver ervan is Mark Vangheluwe, de neef van Roger Vangheluwe die gedurende bijna vijfentwintig jaar de geziene en gevierde bisschop was van Brugge, de schone stad in West-Vlaanderen. Maar hij heeft, deze oom-bisschop Roger, vanaf nota bene zijn vijfde tot in zijn achttiende levensjaar zijn neef Mark seksueel misbruikt. Dertien jaar lang heeft hij hem voortdurend verkracht. Mark is erdoor voor het leven getekend. Schaamteloos heeft oom-bisschop over zijn leven beschikt, hem geëxploiteerd en gechanteerd. Dat geloven in God, laat staan geloven in de kerk, tegen de achtergrond van zulke ervaringen niet zo gemakkelijk is, dat kan een kind bedenken.

 

Een paar citaten uit zijn boek:

 

"Ik kreeg Je maar niet aan de lijn. Nooit heb ik iets van je gehoord, geen teken van leven kreeg ik en geen enkele blijk van medeleven ontving ik. Niets. Alles bleef stil."[7]

 

"In ieder geval, en dat ben ik ondertussen redelijk zeker, ik heb geen vertrouwen meer in wat Zijn Zoon, Jezus Christus, ons hier heeft nagelaten. In de voortvloeisels van Zijn doen en laten kan ik niet meer geloven. Ze hebben er een zooitje van gemaakt. Niet te schatten. Pausen en bisschoppen, priesters en diakens, broeders en zusters, paters en nonnen, kerken, kathedralen, abdijen, basilieken en doe maar voort... met die hele handel heb ik het gehad. Ik heb genoeg gevoeld, gezien en gehoord. Ze kunnen me allemaal gestolen worden. Kotsmisselijk wordt een mens van een dergelijke onorthodoxe bende."[8]

 

Ik kan mij die weerzin in de situatie van deze Mark Vangheluwe goed voorstellen veelgeliefden. Ik denk: vele mensen kunnen het. De weerzin van vele van onze land- en tijdgenoten is als de zijne. En is misschien ook de onze. En is in elk geval de mijne. Ik moet u bekennen, dierbare gasten en parochianen, dat wat ikzelf het afgelopen half jaar heb moeten meemaken in mijn persoonlijke omstandigheden in kerkelijk verband; ik moet u zeggen dat het mij meer dan eens het sentiment en de gedachte heeft ingegeven: Zak toch in de stront met die hele kerk van je.

 

Maar ja... ik ben priester van de Roomse kerk. Ik heb mij er aan gecommiteerd, aan 'de zaak van Jezus' en in dat verband ook aan het gebed. U kunt zich misschien echter voorstellen, dierbare parochianen en gasten, dat de lust om te bidden en de animo om voor het gebed in de kerk om zes uur (de lezingendienst) en om half acht (het morgengebed) uit je nest te komen in zulke omstandigheden soms niet groot kan zijn en dat je de ervaring kunt hebben dat het werkelijk uit je tenen moet komen.

 

Ja.

 

Maar in onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen lezen wij en daaruit hoorden wij: "Zij bleven allen trouw en eensgezind in gebed, samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers."

 

Zij, trouw en eensgezind in gebed. En dat na alles wat zij meegemaakt hadden: de gruwelijke dood van Jezus in wie God zelf werd vermoord zoals Hij geschonden werd en wordt in elk mensenkind dat werd en wordt misbruikt.

 

Trouw en eensgezind in gebed. In het gebed kom je jezelf tegen. In het gebed kom je anderen tegen, mede-gelovigen. Of je komt ze daarin natuurlijk niet tegen. In het gebed kom je God tegen. En daarom kan bidden zo moeilijk zijn. Bidden kan een probleem zijn. Voor veel mensen is het dat. Ze hebben de moed er niet voor. Het is bij ze in de benen gezakt. Ze kunnen zich er niet toe zetten. Ze weten niet hoe het moet. Of: hoe het kan.

 

Bidden, veelgeliefden, kan een probleem zijn. Maar ik denk: het kan ook een oplossing zijn, of minstens: een deel van de oplossing, het begin daarvan misschien. Als je bidt, als je met de hulp van Gods genade en wellicht ook de hulp en de aanmoediging van de je mede-gelovigen over de hobbel om te bidden heenkomt, steeds weer heenkomt eventueel, dan kun je daarin ook ervaren: Hij heeft geduld met mij. En steeds wacht Hij op mij. Hij draagt mij. En ook mijn mede-gelovigen dragen mij en wachten op mij en hebben geduld met mij.  

 

Mark Vangheluwe vertelt in zijn boek dat hij vaak 's nachts wandelt, met de hond. In het Vlaamde land, komt hij dan ook de nodige kapellen tegen. Hij schrijft: "Er moeten toch nog gelovigen zijn die hier langskomen. Je zou denken dat ze niet meer van deze tijd zijn, dat niemand er nog komt en iedereen in de streek ongelovig is, in sommige gevallen is dat ook zo, maar toch brandt er haast altijd een pas aangestoken kaars en staan er verse bloemen, zijn het Mariabeeld en de gekruisigde Christus afgestoft. Het is net of ze zichzelf proper houden en geen onderhoud nodig hebben."

 

Ooit, ergens in zijn jeugd, stond hij in de kerk en, ik citeer opnieuw: "Het grote kruis vooraan, boven het tabernakel, met een houten Christus erop gespijkerd die me aankeek, de kop iets scheefgezakt en met een blik van: 'Jongen, wat maken ze je eigenlijk wijs, trek het je niet aan, het leven is een klucht, een verhaal dat je zelf moet schrijven, het gaat er niet om hoe lang het is, maar hoe goed het is, profiteer ervan', dat stelde me enigzins gerust" -  aldus Mark.[9]

 

Hij hééft overwinterd. Hij is door de hel gegaan en in een uiterst langdurig en pijnlijk proces heeft hij met en in zijn boek de werkelijkheid en de waarheid zoals hij die heeft ervaren volledig uit kunnen drukken. "Soms moet men alles omver durven stampen om te zien wat recht blijft staan, om dan terug op te bouwen wat op te bouwen valt."[10] Bewonderenswaardig.

 

Dat elk van ons er toe in staat mag zijn, dierbare gasten en parochianen: tot overwinteren of tot overzomeren desnoods. Dat ook elk van ons in staat mag zijn om de eigen werkelijkheid en waarheid, om die te leven en uit te drukken. Jezus zegt: "Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat U Mij te doen hebt gegeven." Wij weten wat het heeft ingehouden, waartoe het geleid heeft, wat het voor Jezus heeft betekend en wat het Hem heeft  gekost. Moge Hij ons moed geven voor de weg die elk van ons te gaan heeft.  Amen.

 

Verkondiging

op 14 mei 2017, 5e zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand 6, 1-7; 1 Petrus, 2,4-9; Joh. 14, 1-12

 

Ooit woonde ik een aantal jaren in Utrecht. In Oudwijk staat een prachtige kerk. Gebouwd in de twintiger jaren en eind jaren negentig omgebouwd tot appartementen. Ging als huis van God niet eens een mensenleven mee. In de hal is een gedenksteen aangebracht met de tekst: “In het huis van mijn vader zijn vele woningen”. Deze tekst is ontleend aan het evangelie van vandaag. Waar ooit werd gebeden en van waaruit goede werken werden gedaan, zijn nu woningen. Omdat God altijd onderdak biedt aan mensen.

 

De eerste lezing van vandaag brengt een tweedeling aan tussen ons. Sommigen moeten zich wijden aan het gebed en aan de verkondiging van het woord. Anderen moeten ervoor zorgen dat het woord van God niet wordt verwaarloosd. Hier wordt de taak van de Caritas bedoeld. De een gaat bidden, de ander gaat goede werken doen. Bij het caritaswerk mogen we ons niet beperken tot de eigen groep. Niet eigen volk eerst. We moeten de boodschap van het evangelie tot naastenliefde oppakken, ook al weten we dat taal en culturele verschillen kunnen leiden tot misverstanden, tot spanningen, tot tweedracht en misschien zelfs tot discriminatie.

 

Er is niets nieuws onder de zon. In de eerste jaren van de kerk, zo lazen we zojuist, waren er spanningen tussen Grieks sprekende en Aramees sprekende Christenen. De ene groep zorgde niet voor de andere. Dat werd hen verweten. Vreemd natuurlijk, want ze hadden hetzelfde geloof. Ze spraken alleen een andere taal. Misschien verstonden ze elkaar niet of hebben ze elkaar verkeerd begrepen. We moeten over taalverschillen heen stappen, maar ook over religieuze verschillen. We zullen, zoals paus Franciscus onlangs in Egypte deed, niet alleen bij de aan ons verwante Kopten op bezoek moeten gaan, maar ook bij andersdenkenden zoals Joden en Moslims. Ik denk dat wij de eerste stap moeten zetten om de verstandhouding in de wereld tussen de religies te verbeteren. Het zal niet van bovenaf komen, maar moet vanuit ons beginnen. De wereld is gediend met een dialoog en met wederzijds begrip tussen Moslims en christenen en tussen Joden en Moslims. Dat is de enige weg naar vrede in de wereld. Als er wederzijds begrip is, wederzijdse tolerantie, dan is er ruimte voor velen, niet alleen in dit huis, maar op heel de aarde. Hier schort het nog al aan. Begrip en tolerantie zijn ver te zoeken. Komt dit voort uit onze angst? Angst om iets te verliezen? Wat staat er dan op het spel? Ons eigen geloof, onze eigen cultuur, onze eigen gewoontes? Laat je niet bang maken door populisten, doemdenkers, egoďsten en angsthazen. Denkt u nou echt dat zonder de komst van vreemdelingen en andersdenkenden naar ons land, onze gewoonten niet zouden zijn veranderd in de afgelopen decennia? Ik loop toch al een flink tijdje mee. Niets is meer zoals het was en dat is maar goed ook, want stilstand is achteruitgang.

 

Ik had juist altijd het gevoel dat de ontmoeting met andersdenkenden me verrijkt. Daarmee hoef je jezelf niet te verloochenen of je te bekeren. Door de ander te leren kennen leer je ook heel veel over jezelf. Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik op achttienjarige leeftijd van Tilburg naar Leiden verhuisde om te gaan studeren. Toen, in de jaren zestig, een ware cultuurschok. Van een voor katholieken open katholieke stad naar een voor katholieken gesloten protestantse. Van een katholieke school naar de universiteit die het bolwerk was van de reformatie. Van katholieke verenigingen naar een religieus-neutrale of bijna religieus-vijandige studentenvereniging. Maar ik ben er volgens mij niet slechter van geworden en ik heb ook de kerk niet verlaten. Ik heb er van geleerd. Je moest jezelf altijd verdedigen in de zin van “Maar gij bent ook een van Hem”. Eigenlijk was je een eenling, een buitenstaander, een roomse zuiderling, misschien wel een roomse zonderling in hun protestantse ogen. Maar zij namen mij op in hun huis, waar plaats was voor velen. Ik kreeg er waardevolle vriendschappen onder andersdenkenden: hervormden, doopsgezinden, vrijmetselaars en antroposofen. Vriendschappen die met behoud van ieders eigene, zijn blijven bestaan tot op de dag van vandaag.

 

Ik was vele malen in Istanbul. Dan genoot ik van een bezoek aan een prachtige moskee zoals bijv. De blauwe moskee. In het centrum van Amsterdam kan ik werkelijk stil worden in een van de grote synagogen van onze stad. Ook in deze huizen van God is plaats voor velen. Ik genoot, waarschijnlijk net als andersdenkenden die een bezoek brengen aan de Sint Pieter of aan een van de vele kerken in Rome. Daarmee hoeven zij nog niet katholiek te worden en ik niet moslim of jood. De ontmoeting met de ander kan je kracht en sterkte, begrip en vertrouwen geven. Je treedt andere mensen met open hart tegemoet. Laat je niet uit het veld slaan en zeker niet afschrikken door enge populisten en tirannen of door terreurdaden van zwaar gestoorde individuen en groepen.

 

De boodschap van vandaag is dat in het huis van God plaats is voor velen. Voer dus een ruimhartig vreemdelingenbeleid. Geef ze kost en inwoning en neem ze op in ons midden. Laten we niet beknibbelen op ontwikkelingshulp, op caritas, op vreemdelingenhulp en ook niet op een bed-bad-en-broodregeling. Neem de boodschap van Laudato Si’ ter harte. Paus Franciscus roept daarin op om de schepping te behouden en de levensomstandigheden van de zwaksten te verbeteren. Hij roept op om het welzijn te behartigen van de generaties die na ons komen. De aarde is ons huis. Daar moeten we zuinig op zijn, zodat er plaats is voor de vele mensen die de aarde bewonen en nog gaan bewonen.

 

Ik wil graag deze verkondiging samen met Laudato Si’ aanbieden aan de onderhandelaars van de kabinetsformatie. Dan zijn geen partijprogramma’s en geen moeizame gesprekken meer nodig. Deze richtlijnen zullen het leven van iedereen op Gods aarde verbeteren.

Opdat er plaats is voor velen!

 

Amen

 

Verkondiging

 

 

op de 4e zondag van Pasen, 7 mei 2017, “Roepingenzondag”, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Johannes 10,1-10

                              Handelingen 2,14a.36-41. Psalm 23. 1Petrus 2,20b-25

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Het wordt een traditie: elk jaar dat Bevrijdingsdag geen nationale vrije dag is, klinkt de roep om 5 mei ieder jaar voor iedereen vrij te laten zijn. “Wij willen vrij,” riepen wij, kinderen, al op de basisschool. Want als je vrij bent, leef je pas čcht – in zoveel ellendige situaties in de wereld verlangen mensen ernaar.

               Vrijheid is aantrekkelijk; je kunt ademen, lachen, genieten van elkaar en van al het goede. Wanneer Jezus zegt dat het doel van Zijn komst in de wereld ons leven in overvloed is, kunnen wij ons dat niet voorstellen zonder vrijheid. Terecht [cf. Paulus in Ga 5,1].

               Maar hoe die overvloed aan leven, die vrijheid, er dan uitziet, daarover lopen de ideeën nogal uiteen. Menige bevrijdingsbeweging is uitgelopen op een gewelddadige onder-drukking. Bij politieke partijen betekent de vrijheid van de één vaak de onvrijheid van een ander – zoals de Franse Revolutie ons geleerd heeft: vrijheid, gelijkheid en broederschap golden niet voor slaven en de armen [i.t.t. Paulus in 1Kor 12,13. Ga 3,28].

               Het leven in overvloed dat Jezus bewerkstelligt voor wie in Hem geloven en Hem navolgen, is (1) het meest vrije leven op aarde en is (2) bedoeld voor iedereen.

               (ad 1) Dit overvloedige vrije leven wordt gemakkelijk verward met onafhankelijkheid. Onafhankelijkheid klinkt aantrekkelijk, maar blijkt een illusie: mensen hebben (God en) elkaar nodig; landen hebben elkaar nodig. Dat kan zo beklemmend voelen, dat partners uit elkaar gaan – “het is geen leven zo” – en dat volken “breken” (Brexit) met elkaar en (opnieuw) muren bouwen om zich te beschermen. Maar wie los van anderen zijn plan trekt, verdwaalt, eindigt eenzaam en berooid. Denk maar aan de verloren zoon, die de levensader doorsneed en deed waar hij zin in had. Dat is geen leven [Lk 15,11-16].

               Leven in overvloed ervaren we daarentegen juist als wij samen zijn: genieten van het eten, van goede muziek, de natuur, een voetbalwedstrijd – als we het zonder anderen doen, is er niet veel aan. Ook bij arbeid: samenwerken betekent dikwijls inspanning, maar ook het hebben/krijgen van een band, solidariteit, voldoening.

               Jezus in het Evangelie benadrukt dat de band met Hem zaligmakend is, voor iedere mens [cf. Joh 10,16]. Het beeld van een goede herder spreekt voor zich: die kent al zijn schapen, geeft om hen – en geeft zelfs Zijn leven, – zal hen brengen waar voedsel is en hij beschermt hen tegen gevaar. Verbondenheid met Hem leidt tot vrede onderling en vrede van binnen. We worden bevrijd van de drang tot zelfbehoud, angst en jaloezie. Dŕt is pas leven!

               (ad 2) De Herder Die al Zijn schapen bij name kent, roept hen ook bij hun naam. Ieder van ons laat Hij delen in het meebeleven en het meewerken aan de komst van Gods Rijk [cf. 2Tim 1,8]. Als wij “op onze plek” zijn, word onze vrijheid groter, ons leven overvloediger/ gelukkiger. 

               Iedere mens wordt dus geroepen om te leven. Maar niet wordt iedereen tot hetzelfde geroepen. Onze gaven en talenten wijzen ons al de weg en door onze intuďtie, in gebed en in onderlinge ontmoetingen proberen wij Zijn stem te verstaan: wat is de vervulling van mijn leven?

               Bovendien wordt niet iedereen op dezelfde wijze geroepen. Denk maar aan David, Samuël en Ruth. Als ik terugkijk naar mijn eigen leven, is het verstaan van mijn roeping vooral een innerlijk proces geweest: toen ik op mijn 16e serieuzer ging nadenken over mijn levenskeuzes, las ik ‘toevallig’ het Marcusevangelie dat mij diep raakte en ontmoette ik ‘toevallig’ voor het eerst een Passionist die mij inspireerde. Dat zette mij op een weg waar ik nog steeds gelukkiger van word.
               De stem van God Zelf, ja, die heb ik één keer gehoord. Ik woonde en werkte toen als diaken in Londen. Op een zaterdagmorgen liep ik mee in een Memorial Walk: een voettocht van de historische vereniging langs plekken die in de jaren 1930 en ’40 het toneel waren van het opkomende fascisme in Engeland. Onderweg raakte ik aan de praat met een joodse man. Hij noemde zich agnost: niet antigelovig, maar er was gewoon teveel gebeurd in zijn leven om nog te kunnen geloven. We spraken over van alles, ik weet al niet meer wat. Opeens – zo voelde het voor mij tenminste – vroeg hij mij: “Heb je er weleens over gedacht om priester te worden?” Deze man had ik dus niet eens verteld dat ik katholiek was! Hoe hij eruit zag, weet ik niet meer. Maar achteraf herkende ik de Stem [Joh 10,3v cf. Lk 24,15v]. Dáár heeft de Eeuwige mij aangesproken, zeg ik, bij monde van een niet-gelovige joodse man nota bene! Zo weet ik mij bevestigd in de weg die ik aan het gaan ben. En hoewel die niet altijd eenvoudig is, tot op vandaag vervult deze ontmoeting mij met grote dankbaarheid, met kracht en vreugde, om op deze weg verder te gaan.

               Zo kan het gaan bij levenskeuzes, óók op latere leeftijd; Abraham was al 75 [Gn 12,1-5]: “Levensvervulling: hoe dan”?  Levenshouding, beroep, partner (of niet) en vrienden, je geld en je tijd... De vraag “Wat is Gods bedoeling met mijn leven?” is dezelfde als: “Hoe vind ik het ware geluk?” en: “Welke plaats geeft Hij mij in de geloofsgemeenschap die de Kerk is?” Want als een ieder geroepen is om in verbondenheid met Hem te leven, heeft een ieder hier ook van Godswege een welkome plaats!

               In deze dagen vieren wij onze vrijheid. In het licht van de woorden van de Goede Herder en verzameld rondom Zijn tafel realiseren wij ons dat onze vrijheid en ons geluk uiteindelijk liggen in ons verbonden zijn met Hem. Laten we daarom het lawaai om ons heen tot zwijgen brengen in ons. Dan kunnen wij Zijn stem horen en verstaan. Een goede herder zal elk van zijn schapen immers leiden naar datgene wat goed is voor hen [Ps 23]. In dit ver-trouwen kunnen wij van harte en elke dag antwoord op geven op Zijn stem – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil, nu en hierna [Hnd 2,38-40. 1Pe 2,25]. Amen.

 

Verkondiging

in de Kerk van Onze Lieve Vrouwe Koningin van de Vrede.            30 april 2017.

 

Gelezen uit : Handelingen van de apostelen 2, 14+22-32 en 1 Petrus 1, 17-21 en Lucas 24, 13-35.

Suzette van Balen

 

Hoe zit het ook alweer met  die stokken ?

Een vraag van mijn jongste dochter een paar weken geleden,  hoe zit het ook alweer met die twee stokken die ik moet kopen voor Palmpasen?

Hun oudste zoon Thijmen is  4 jaar en zit op een katholieke school. De ouders is gevraagd twee stokken mee te geven aan de kinderen.  Mijn dochter wist nog wel dat ze de beide stokken als een kruis moest vastspijkeren en dat de kinderen de stokken zouden gaan versieren maar wat was ook alweer het verhaal dat erbij hoort? Ik heb haar het geloofsverhaal verteld vanaf de intocht in Jeruzalem, Palmpasen, tot en met de opstanding van Jezus maar dacht tegelijkertijd: zou ze het geloven of twijfelt ze aan het gebeuren? Ik heb mijn dochters katholiek opgevoed. Ze hebben catechese gehad, eerste communie gedaan en het vormsel  toegediend gekregen. En dan na 20 jaar, wat weten ze er nog van of beter gezegd: willen ze er nog iets van weten?

 In het evangelie hebben we gelezen dat twee mannen, op weg naar Emmaus, zich afvragen wat ze nu wel of niet moeten geloven in wat er de afgelopen dagen in Jeruzalem is gebeurd. Inmiddels loopt Jezus met ze mee maar ze herkennen Hem niet. Het gesprek tussen die twee gaat als volgt: ” Jezus van Nazareth, Hij was een profeet, machtig in woord en daad in de ogen van God en van heel het volk. Onze leiders hebben Hem gekruisigd. Wij hoopten dat Hij het was die Israël zou verlossen, maar er is nog niets gebeurd. En dan nog het verhaal van die  vrouwen. Een engel hebben ze gezien en de engel zei dat Jezus leeft”. Waar is Jezus dan?

Alom verwarring, teleurstelling en ongeloof. U kunt zich voorstellen dat het gebeuren van de afgelopen dagen bij de mannen niet in de koude kleren is gaan zitten. Ze begrijpen er niets van. Zij en vele anderen hebben zo in Jezus geloofd. Jezus zou de Verlosser zijn maar dat geloof is verdwenen.  Het gevoel overheerst dat hij vertrokken is en hen met lege handen heeft achtergelaten. In hun diepste gevoelens en in hun liefde voor Jezus wisselen zekerheid en onzekerheid, geloof en ongeloof elkaar af.

Als de drie mannen op de plaats van bestemming zijn aangekomen  gaan ze naar binnen en Jezus breekt het brood, spreekt de zegen uit  en geeft het hun. Nu gaan de ogen open en ze herkennen Jezus in het breken en delen van het brood maar meteen daarna is Jezus verdwenen.”

Meer dan 2000 jaar later wordt dit ritueel, het breken van het brood, het uitspreken van de zegen en het delen van het brood tijdens de H. Eucharistie herhaald. De Transsubstantiatie, de verandering van het brood in het Lichaam van Christus is en blijft het belangrijkste moment van de viering van de Heilige Eucharistie. In deze handeling zit de kern van ons geloof.  Het geloof  in de opgestane Heer, de aanwezigheid van Christus in ons midden. Ik kan Hem niet zien, Hem niet voelen maar kan ik Hem misschien in geloof denken ?  

In de lezing van de Handelingen van de Apostelen horen we hoe de opstanding van Jezus nogmaals wordt bevestigd. Ik citeer: “ God heeft Hem laten opstaan door een einde te maken aan de weeën van de dood, want het was onmogelijk dat Hij door de dood werd vastgehouden. God heeft deze Jezus laten opstaan. Daarvan zijn wij allen de getuigen”.

Nog niet zolang geleden las ik een essay, geschreven door Gianni Vattimo, met de titel: ik geloof dat ik geloof.  Gianni Vattimo is geboren in Turijn in 1936 , studeerde  literatuurwetenschap en filosofie. Naast zijn werkzaamheden als Hoogleraar wijsbegeerte in Turijn was hij ook actief als gemeenteraadslid en afgevaardigde in het Europees parlement. In zijn essay beschrijft hij hoe hij als kleine jongen vaak naar de Katholieke Kerk ging en daar vreugde aan beleefde. Maar in zijn studententijd liet hij de Kerk los, zonder wrok zoals hij zegt, enerzijds om  filosofische redenen maar anderzijds ook vanwege zijn homoseksualiteit  en de houding van de kerk omtrent dit gegeven. Hij keert niet meer terug binnen de Kerk. Maar toch zegt hij: Ik geloof dat ik geloof.

Vijf woorden!  Ik geloof dat ik geloof! In die zin voel ik een zekere mate van twijfel maar in de zin zit ook een bevestiging. Gelooft hij wel of niet?

Geloven gaat niet vanzelf, het is een leerproces.  Wij weten dat geloven in datgene wat in de Bijbel staat  moeilijk is. We willen altijd alles bewezen zien. Leven vanuit het geloof in God is niet leven vanuit bewezen kennis maar leven in vertrouwen dat Hij het beste met ons voor heeft. Geloven heeft alles te maken met vertrouwen. Ik geloof in jou, ik heb vertrouwen in jou. Als er geen vertrouwen is tussen twee personen dan is, denk ik, vriendschap niet mogelijk. Vertrouwen heeft ook iets met gevoel te maken. Als we met mensen vertrouwd raken, voelen we elkaar aan. Zonder woorden weten we wat er in de ander omgaat. Je wordt gezien en gewaardeerd zoals je bent.

Onze relatie met God is gebaseerd op geloof, op vertrouwen. We vertrouwen erop dat wij door God gekend en gezien worden. Vertrouwen geeft kracht aan de mens om in moeilijke tijden het uit te houden. Ik denk dat Gianni Vattimo die kracht van God heeft ervaren, dat hij zich door Hem gekend en gezien voelde. Hij schrijft:  “Ik ben nooit alleen, nooit totaal verlaten. God is degene die ik ontmoet als ik aan niets anders denk”.  Dit is geloven zonder een vraagteken. Het vertrouwen heeft de twijfel overwonnen.

Zo ook uiteindelijk bij de Emmaüsgangers. Zo ook hopelijk bij mijn dochter. Moge het ook zo zijn voor U.

 

Verkondiging

 

 

 

op 17 april 2017, paasmaandag of Tweede Paasdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam, door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand 2, 14+22-32; Mt. 28, 8-15

 

Je zult maar een leeg graf aantreffen. Is me dat schrikken zeg. Je eerste reactie is: gestolen! Terwijl hij zo goed was weggelegd, zo goed opgeborgen; het graf was zo goed afgesloten. Dat moet een plofkraak van jewelste zijn geweest en de dader zal wel op het kerkhof liggen. Natuurlijk denk je niet aan zelf weggelopen, aan zelf vertrokken. Hoe kom je er bij. Dood is dood. Klaar is klaar.

 

Ik denk dat ik u over Pasen, over Kerstmis en Pinksteren niets nieuws meer kan vertellen. U als vaste klant hier, als doorgewinterde kerkganger. U als de harde kern van deze parochie, die zelfs op deze paasmaandag, op sommige plaatsen al afgeschaft, hier aanwezig is. U weet er alles van. We vierden hier de verrijzenis van Christus, zaterdag in de paaswake en gisteren op het hoogfeest van Pasen. Maar weten we er ook werkelijk alles van? Ik wil de gevoelens rond Pasen voor u nog wel een keer opsommen. De ontzetting, de angst, de verbijstering, maar ook de opgetogenheid, de vreugde en vooral de hoop. Aan de ene kant: Dit kan toch niet waar zijn? Maar vooral, aan de andere kant: God, laat het waar zijn! Want zonder die Verrijzenis is alles voor niets geweest. Ons geloof staat of valt hiermee. In Kor. 1 lezen we: “Als Christus niet verrezen is, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof zonder grond. Dan is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in zonden.” Wie wil dat nou? Als de verrijzenis er niet was geweest, hadden we geen Kerstmis en, straks, ook geen Pinksteren hoeven vieren. Trouwens, voor je het weet zijn die feestdagen in dit ontkerstenende land afgeschaft. Pasen is het feest van de hoop en van de toekomst. Daar is Kerstmis niks bij. Kerstmis is een leuk romantisch feest en de extra vrije dagen zijn mooi meegenomen. Iedereen geniet daarvan, ook al weten de meesten niet meer wat we vieren. Wij vieren Kerstmis omdat het over die ene geboorte gaat. Zo op het eerste gezicht ook nog een tragische geboorte, want er was geen plaats voor Hem in de herberg. Dat wil zeggen, er was geen plaats onder ons. We wilden Hem niet en we keken liever de andere kant op. Zoals ook nu nog velen liever de andere kant opkijken bij vluchtelingen, bij daklozen, bij voedselbankklanten en bij andere minder gewenste personen en maatschappelijke vraagstukken.  Het kerstfeest was ook nog bijna het begin van het einde, omdat aan het geboortefeest van Christus onlosmakelijk Zijn dood op Goede Vrijdag vast zit. Ik zei bijna het begin van het einde. Dat zou het zijn geweest als Goede Vrijdag het einde was. Als dood, dood zou zijn. Maar dan is er de hoop en de vreugde van het Paasfeest. We zouden beter met Pasen aan vrienden en bekenden een kaart sturen dan met Kerstmis.


 

Laten we terug gaan naar de gebeurtenissen van de paasmorgen. Een columnist in dagblad Trouw vroeg zich af wat een bewakingscamera daar in alle vroegte heeft gezien en heeft vastgelegd. Niets. Hooguit een engel, zittend op een steen. Dat zou al heel geweldig zijn. Verder niets! Hiermee zeg ik niet dat de verrijzenis niet bestaat. Maar de verrijzenis is niet de reanimatie van een lijk. Het is dus niet zo dat hetzelfde lichaam dat in dat graf lag, eruit is weggewandeld. Als dat wel zo was, dan had iedereen Hem meteen herkend. Nu herkent niemand Hem. Zijn vrienden niet, de vrouwen niet, de Emmaüsgangers niet. Wij niet. Pasen betekent de dood van de oude manier van leven. Pasen is een sprong naar een radicaal nieuw leven. Bij Pasen gaat het niet om een ánder leven. Het gaat bij Pasen om dít leven maar dan anders.

 

Jezus herhaalt In het evangelie van vandaag de boodschap van gisteren: “Weest niet bevreesd. Ga aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze Mij zien.”

 

Die broeders, dat zijn wij. De boodschap is dus aan ons gericht. Met “Ga naar Galilea” wordt niet bedoeld dat we ons een vakantiereis naar het Heilig Land moeten verschaffen. Het is de bedoeling dat wij ons verdiepen in Zijn boodschap, de boodschap die Hij ons tijdens zijn leven in Galilea heeft gegeven. Die boodschap is verwoord in het Evangelie. Als je Hem wilt zien, moet je Hem gaan zoeken, niet bij de doden, dus niet op de kerkhoven. Je moet ook niet gaan zoeken naar een gereanimeerd lijk. Je moet zoeken onder de levenden, dus onder ons. Want midden onder ons staat Hij die gij niet kent. De boodschap van Pasen is dat niet de dood, maar het leven het laatste woord heeft. Als we dat geloven, zullen we Hem zien.

 

Pasen verdient onze hoogste aandacht. Jammer genoeg denken velen in dit geseculariseerde land dat hun geluk meer afhangt van de komst van twee reuzenpanda’s, dan van de wederkomst van Christus.

 

Amen

 

Verkondiging

 

 

op 16 april 2017, Eerste Paasdag, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (10, 34-43), Psalm 118 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3, 1-4) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (20, 1-9).

 

"De kerken stromen echt niet meer vol. Pasen zal onvermijdelijk veranderen in het commercieel-seculiere lentefeestje dat het voor het gros van ons allang is. Persoonlijk vind ik de stap van morbide mythen naar vrolijk gekleurde haasjes er eentje voorwaarts. Ik juich het 'afzwakken' van de religieuze symboliek dan ook toe."

 

Aldus Christiaan Weijts, columnist van de NRC, in de krant van afgelopen vrijdag. Hij schreef naar aanleiding van de commotie in verband met een katholieke school in Rotterdam waar ze vanwege de islamitische leerlingen de palmpaasstokken maar niet langer in de vorm van een kruis maken - tot grote verontrusting én verontwaardiging van allerlei mensen voor wie de islam zo ongeveer de duivel betekent.

 

"Lentelol krentenbol" - een term van professor Ben Hemelsoet zaliger gedachtenis. Ook volgens hem was het paasfeest voor niet-gelovige, buitenkerkelijke mensen meestal niet meer dan dát: lentelol-krentenbol. Maar volgens die Christiaan Weijts is dat dus béter dan het joodse en het joods-christelijke Paasfeest dat gebaseerd zou zijn op wat hij nota bene noemt 'morbide mythen'.

 

Is het waar veelgeliefden? Zouden de verhalen over de doortocht door de Rode Zee en die over Jezus' dood en verrijzenis, zouden dat inderdaad 'morbide mythen' zijn? 'Morbide', dat is: 'ziekelijk', 'pervers' volgens het woordenboek. Is het Jezus-verhaal dat? Dat mensen er zo over denken dierbare gasten en parochianen, dat kan ik mij wél voorstellen. Want wordt van Jezus' kruisdood niet gezegd dat Hij die ondergaat in gehoorzaamheid aan God, Zijn Vader, om op die manier de zonden van de mensheid op zich te nemen en goed te maken? En is dat niet wreed? Is dat niet inderdaad morbide? Welke vader zou zijn kind zoiets laten overkomen, ja áándoen zelfs?

 

Christiaan Weijts oppert in dit verband nog een interessante gedachte. Zou het niet kunnen zijn dat in al die kritiek op moslims, dat daarin ook een bepaalde jaloezie een rol zou kunnen spelen zo vraagt hij zich af. Want, ik citeer nu Weijts: "Zij lijken nog levende rituelen te hebben, een spirituele traditie, met bijbehorende hechte familiebanden, bruiloften en uitvaarten die langer duren dan wat haastige uurtjes, (en) vrouwen die dagenlang in de keuken exotische lekkernijen staan te bereiden." Ik herken dat beeld, óók van onze eigen Filippino's: van de El Shaddai-gemeenschap die samen met ons gebruik maakt van deze Vredeskerk. Ik herken het ook van de Afrikaanse All Saints-parochie waar we destijds altijd de Maria-processie mee samendeden. En ik herken het van geloofsgenoten afkomstig uit het Midden-Oosten die tegenwoordig deel uit maken van onze eigen gemeenschap. Zij koken overvloedig en graag. En op tijd wordt niet gelet. Wij steken daar als Hollandse katholieken maar mager bij af, dat wil zeggen: ook wij proberen er wat van te maken. Ook onder ons zijn er allerlei mensen die zich in dit verband ontzettend inspannen. Zo hebben we de hele afgelopen nacht Paaswake gehad, en na afloop daarvan was er een fijn paasontbijt dat met vereende krachten op tafel werd gebracht.

 

 

 

 

Christiaan Weijts zegt: "Onze (...) frustratie is dat wij (de niet-gelovigen) geen werkende alternatieven hebben gevonden voor (...) primitieve maar bezielde riten" - die van de gelovigen dus.

 

Tja.

 

Maar... zo vraag ik mij af: Zou het niet kunnen zijn dat die zogenaamde 'primitieve riten' van ons, die van de gelovigen, dáárom bezield zijn en werkelijk verbindend zijn voor mensen, omdát die riten en die zogenaamde 'morbide mythen' waar ze mee samenhangen, - dat die toch minder primitief en morbide zijn dan Christiaan Weijts en mensen zoals hij denken? Zou de verbindende en bezielende kracht die onze mythen en riten naar wij ervaren inderdaad hebben, zou dat niet te maken kunnen hebben ook met een waarheid die van die riten en mythen inderdaad hart en ziel is? Eenvoudiger gezegd: Werkt het Paasverhaal niet gewoon omdat het waar is? Die hele kerk van ons, die nu al tweeduizend jaar bestaat, die over de hele wereld verspreid is en zichtbaar is in vaak indrukwekkende gebouwencomplexen zoals onze eigen kerk: zou zoiets kunnen blijven voortbestaan als het in wezen allemaal onzin en lariekoek is? - dat Paasverhaal. Zouden wij ernaar toegaan, naar de kerk en zouden wij ons ervoor inzetten, er aan werken, als de kern ervan, het evangelie van Pasen, als dat gebakken lucht zou zijn? Ik geloof dat eerlijk gezegd niet.

 

Maar in Holland denken en beweren allerlei mensen: het christelijk geloof en de kerk, dat is hier een aflopende zaak. Christiaan Weijts schrijft: "Binnen twintig of dertig jaar is Pasen een seculier eierfeest voor iedereen onder de lentezon." Ja, maar werd dertig of twintig jaar geleden niet reeds precies hetzelfde voorspeld? En zie vandaag: Wij zíjn er als kerk, en hoe.

 

Zou dat niet ermee kunnen samenhangen ook dat de kern van de zaak: het evangelie, gewoon waar is en klopt?

 

In onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen wordt steeds gesproken over 'getuigen':

 

"Wij zijn de getuigen van alles wat Hij (Jezus) gedaan heeft in het land van de joden en in Jeruzalem."

 

"God heeft Hem opgewekt op de derde dag en Hem laten verschijnen, aan (...) getuigen (...), aan ons die met Hem gegeten en gedronken hebben na Zijn opstanding uit de doden."

 

Oef! Dat is niet niks, dat laatste.

 

Zouden Petrus, die daar spreekt in de Handelingen, en Lucas die het opgeschreven heeft, zouden zij of één van beiden ons willens en wetens gewoon wat op de mouw spelden? Ik kan mij dat eerlijk gezegd niet voorstellen. Nee. Er moeten indrukwekkende, overweldigende ervaringen ten grondslag liggen aan wat wij nog altijd kunnen lezen.

 

Ook Johannes, in de evangelietekst die wij hoorden, rapporteert nauwkeurig, bijna als in een proces-verbaal, dat in het graf, "de linnen doeken (waarin Jezus' lijk gewikkeld was geweest, dat die) er nog lagen".

 

"Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook dat de doek die Zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag; hij was opgerold en lag helemaal apart."

 

Het is raadselachtig. Is het materiaal voor een detective? Kan inspector Morse of Sarah Lund zoiets oplossen? Petrus "zag" zo staat er. De andere, niet met name genoemde leerling, maar het was degene "van wie Jezus hield" - zo staat er wél heel expliciet bij, die twééde "zag en kwam tot geloof". En dat is dus van een andere orde: geloven. Zien is één ding. Geloven is een ander ding. Je kunt het niet pakken. Je kunt het niet bewijzen. Maar waar is het wél. Zó kan iemand, zo kunnen ménsen het wel degelijk ervaren.

 

In de tweede lezing uit Paulus' brief aan de Kolossenzen ging het over een afstand van twintig eeuwen maar toch réchtsreeks óók over ons. "Als u nu met Christus ten leven bent gewekt" schrijft Paulus. En: "U bent (...) gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God".

 

Is dat zo? Geldt dat voor ons? Leven wij, levend op deze aarde, ook ergens als gelovigen in een soort stormvrije zone? Zijn wij op een bepaalde manier al gestorven, maar ook opgewekt, verrezen - zoals Christus? Waar gaat dit over?

 

Wie zal het zeggen veelgeliefden? Het idee lijkt mij in elk geval dat wijzelf, dat onze eigen levens, naar Paulus' idee een soort bevéstiging zouden kunnen betekenen van Jezus' dood en verrijzenis.

 

En waar moeten wij dan aan denken? Iemand die ik ken maakt een heel heftig ziekteproces door, van hemzelf en zijn partner tegelijkertijd. Het is een drama vol medische missers, onder andere als gevolg van haastwerk, en van volstrekt ontbrekende thuiszorg: een effect, dat laatste, zo krijg je de indruk, van hoe ons laatste VVD-PvdA effect met de zogenaamde 'zorg' is omgesprongen. Twee mensen die dringend thuiszorg behoeven, al tijdenlang. Er wordt uitvoerig door vele mensen over vergaderd. Maar adequate thuiszorg komt niet van de grond. Laatst schreef de zorgbehoevende mij: "Ik laat mij leiden naar beleving en confrontatie met God. Dat gaat heftig." "Ik sta op een verlaten strand en provoceer God dan. Het is zoeken naar een directe ontmoeting en meestal komt die. Het zijn die momenten van het erbarmen dat voelbare warmte biedt en ik zie tekenen, waaruit blijkt dat mijn wanhoop is verstaan, ergens, buiten deze wereld. Contemplatie is mijn redding."

 

Vage taal? Dat zal wel. Maar ik denk veelgeliefden: Wij spreken hier over een sfeer en een gebied waarbinnen en waarvoor woorden te kort schieten maar die sfeer maakt wel ons wezen uit. Daar, in dat wezen, zijn wij met Christus, verborgen in God. Met Jezus die ons door God in Zijn compassie met ons geschonken is. Jezus lijdt met ons mee. En Jezus gaat ons voor naar het Licht. Hij is verrezen. En tot verrijzenis nodigt Hij ons uit. Zoiets is het. Zoiets moet het zijn. Het werkt. Hij werkt. Amen. Ik wens u een Zallig Pasen.

 

Verkondiging

 

in de Paasnacht van 2017 (eerste deel) in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de boeken Genesis (1, 1-2, 2), Exodus (14, 1-15, 1) en van de profeet Ezechiël (37, 1-14) e n uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (6, 3-11).    

 

Vele, vele jaren geleden, wij waren nog studenten, bezocht een vriendin van mij voor het eerst Indonesië. Vol verhalen kwam zij terug. Zeker in afgelegen gebieden waren witte mensen daar nog echt iets bijzonders: vanwege hun huiskleur en omdat zij vergeleken met de Indische mensen relatief groot zijn. Mensen die hier in Holland kleín van stuk zijn, steken dáár met kop en schouders boven iedereen uit - een wonderlijke ervaring is dat. Indonesische mensen waren soms vol verwondering, gefascineerd naar die vriendin van mij toegekomen. Ze zeiden: "Belanda..., Belanda..." en dan wilden ze haar aanraken, die witte huid, om te zien of die wel echt was...

 

Het huidige Nederland is wat altijd zo fraai genoemd wordt 'een multi-culturele samenleving'. Hier, zeker in Amsterdam, wonen mensen uit alle delen van de wereld. Om allerlei redenen zijn ze hier naar toegekomen - nadat in eerdere fasen van de geschiedenis, 'wij' de Europeanen en Hollanders-van-oudsher, enthousiast de wijde wereld zijn ingetrokken om handel te drijven en om te koloniseren zelfs: om in verafgeleden gebieden de lakens te gaan uitdelen en soms zelfs de mensen tot slaven te maken; om ze vanuit Afrika met name op schepen als haringen in een ton naar Amerika te transporteren waar ze dan verkocht werden. Het was een gevaarlijke reis en vele van die Afrikaanse mensen overleefden die reis niet. Vol trots kunnen Hollanders-van-oudsher het hebben over de zogenaamde VOC-mentaliteit: die van de Verenigde Oostindische Compagnie. Maar aan die mentaliteit en aan de geschiedenis die ermee samenhangt, daaraan zitten, dierbare gasten en parochianen, daaraan zitten ook heel dubieuze, problematische, kwalijke kanten.

 

In deze paasnacht van 2017 is in ons midden de familie Atem. Wij kennen jullie al sinds lang: voorál Beatrix, die geboren werd op 30 april 2002, én Angela, geboren in 2000 - en die op dit moment nog altijd jarig is. Zij twee zijn hier geruime tijd misdienaressen geweest. Wij herinneren ons nog de dramatische gebeurtenis dat één van jullie beiden (was het Beatrix of was het Angela?) tijdens de hoogmis met stoel en al van de verhoging op het priesterkoor achterover kukelde en náár terecht kwam, met een hersenschudding als gevolg. Jullie zijn daar zo van geschrokken dat jullie meteen gestopt zijn met het misdienaressenschap. Het is daar niet pluis in die kerk! moeten jullie hebben gedacht.

 

Maar nu belde een paar maanden geleden moeder Rose mij op om te zeggen: Ik heb nog twee kinderen, Maria Atong, elf jaar oud, en Timothy, van negen, en die zijn nog niet gedoopt! Vandaar dat ik op een avond jullie thuis aan de Govert Flinckstraat heb bezocht om erover te praten: over jullie, over jullie leven, over school en over de doop. En toen hebben we afgesproken om het in deze paasnacht te laten gebeuren.

 

 

Iets prachtigs is dat. Want Pasen is ons grootste, belangrijkste christelijke feest. In deze nacht vieren we om te beginnen dat God alles geschapen heeft, dat Hij het begin en het hart is van alles wat leeft, dat wij van Hem zijn. En ten tweede vieren we in deze nacht dat Hij het joodse volk verlost heeft uit de slavernij in Egypte. En we vieren ten derde maar voor ons als christenen is dát het allerbelangrijkste; we vieren dat God Jezus die door mensen aan het kruis werd gespijkerd en de marteldood stierf; we vieren dat God Jezus uit de dóód heeft laten opstaan.

 

Dus gedoopt worden betekent: (1) dat je weet, dat je erkent, dat je een kind van God bent, dat Hij je Vader is. En het betekent (2) dat je een vrij mens bent, wórdt, dat je geen slaaf bent, niet meer, van niemand.

 

In de krant van dit weekend staat een interview met een jongen van zeventien, Imani Ram. Hij vertelt in dat interview: "In mijn jaar is iedereen erg met merkkleding bezig, met hoe duur het is. Dat heeft dan status. Ik vind het vooral belangrijk dat kleren bij je passen, bij jouw identiteit horen. Op een gegeven moment ging ik me wat meer aanpassen. Ik had een vriendje dat op mijn school best wel populair was. Als zijn vrienden erbij waren, had ik toch het gevoel dat hij liever had dat ik eruitzag zoals zijn vrienden mooi vonden. Ik merkte wel dat het dan minder comfortabel werd voor mezelf. Dat vond ik zonde. Ik wil niet veranderen voor iemand."[11] Tot zover Imani Ram.

 

Over zulke dingen gaat het dus: geen slaaf zijn. Niet van merkkleding en niet van de smaak van een ander. 

 

Gedoopt worden was dus (1) - kind van God zijn, (2) - Vrij zijn. En (3) - dat je daardoor één wordt met Jezus Christus. Gedoopt worden, dat is: samen met Hem, met Jezus sterven en begraven worden - ten onder gaan, kopje onder gaan in het doopwater. Maar je kopje komt ook weer boven want met Jezus word je door God tegelijk ook opgewekt uit de dood.

 

Zojuist hebben we horen voorlezen uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome. Paulus schreef: "Indien wij als het ware vergroeid zijn met zijn (met Jezus') dood, (dan) moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding." Zó, dat is niet niks. Wie gedoopt is, die leidt met Jezus een nieuw leven. De dood heeft dan geen macht meer over je. Paulus schrijft: "Het leven dat hij (zij) leeft, heeft alleen met God van doen."

 

Toen ik bij de familie Atem op bezoek was, toen moest ik denken aan het sprookje van Sneeuwwitje. Dat meisje was "zo wit als sneeuw, zo rood als bloed, en haar haar (was) zo zwart als ebbenhout."[12] Wat is ebbenhout? Nou, geen idee eigenlijk, behalve: het moet wel héél zwart zijn. En dat zíjn jullie, de familie Atem, óók: niet alleen van haar, maar ook van huid. Jullie zijn een Hollands gezin. Alle vier de kinderen zijn in Holland geboren. Maar vader en moeder zijn geboren in Zuid-Soedan, het land waar we regelmatig over horen omdat er, God betere het en sta de mensen bij; - we horen daarover omdat er strijd is en omdat daar honger is. In Zuid-Soedan, daar zíjn de mensen dus zo heel zwart, zo zwart als ebbenhout. Ik vind het prachtig. Ik voelde me bij jullie thuis precies als die mensen in Indonesië toen ze die vriendin van mij zagen en vol bewondering "Belanda..., Belanda..." zeiden.  In het Hooglied in de bijbel gaat het over een jongen en een meisje, een man en een vrouw die verliefd op elkaar zijn. Het meisje, de vrouw is zwart. Er staat: "Zwart ben ik en prachtig"[13] - precies zoals jullie dus!     

 

In het scheppingsverhaal dat we hebben horen voorlezen, daarin hoorden we hoe God wilde dat alles er was: alle levende wezens, gras, bomen, met vruchten "met zaad erin". En ook de dieren: "tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten", "gevleugelde dieren", "krioelende dieren waar het water van wemelt", zeemonsters. En, zo steeds staat er steeds bij: Hij maakte "allerlei soorten", "soort na soort". En zo is het bij de mensen ook. Er zijn mensen in allerlei soorten en maten, groot en klein, harig en kaal, wit en zwart, rood, geel en bruin. En iedereen mag er zijn en iedereen is welkom.

 

Ik vind het een eer dat ik Maria Atong en Timothy mag dopen. En ik hoop dat jullie allebei misdienaars worden en dat Beatrix en Angela het ook weer gaan doen. Dan kan iedereen van jullie genieten: van hoe mooi jullie zijn, mooi van buiten en mooi van binnen. Misdienaar-zijn is mooi om te doen. Ik ben het zelf ook ooit geweest, vele jaren. Misdienaars zijn belangrijk en nodig. Want: Wie gedoopt is, die hoort bij God en die hoort bij de kerk. Als je gedoopt bent, dan is de kerk van jou. Van alles wat God ons in en door de kerk geeft, daar mag je van meegenieten. En je mag zelf ook iets voor de kerk doen. Dat hoort er dan ook bij. En dit geldt voor ons allemaal: voor alle gedoopten. Samen zijn we verantwoordelijk voor de kerk en ook voor de wereld. Van harte hoop ik dat iedereen die verantwoordelijkheid neemt en waarmaakt. Dat is de bedoeling. Amen. 

 

Verkondiging

 

op 13 april 2017, Witte Donderdag, in de kerk van Onze Lieve Vrouw koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (12, 1-14), psalm 116 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenenvan Korinthe (11, 23-26) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Chrstus volgens Johannes (13, 1-15).

 

Wat zou u doen - als u, als jou gevraagd zou worden: Wil jij, wilt u meedoen dit jaar aan de voetwassing op Witte Donderdag? In de kerk wast de priester op die dag, in de avond, de voeten van twaalf mensen - zoals Jezus het deed bij Zijn twaalf apostelen. Wil jij meedoen? Wil jij daarvoor je voeten lenen?

 

Wat zou jij, wat zou u antwoorden?

 

Destijds, in Jezus' dagen, in het hete, stoffige Midden-Oosten, liepen de mensen in sandalen en was men aan het verschijnsel gewend. Men waste z'n eigen voeten. Of een vrouw waste de voeten van haar man. Of de kinderen die van hun vader. Of een gastheer liet zijn slaven de voeten van zijn gasten wassen. En bij de joden waren het dan geen joodse slaven die dat deden, maar niet-joodse, heidense slaven. Want men beschouwde het als ordinair werk, laag-bij-de gronds, ver-neder-end.[14] Joodse slaven waren daarvoor nog te goed.

 

Binnen onze West-Europese, Hollandse cultuur is dit gebruik echt een Fremdkörper, een zeer ongewoon verschijnsel. Wie zít er nu ooit aan jouw voeten? Ja de pedicure. Maar ja, dan moet je daar dus 'bij lopen'. En wie doet dat? Lang niet iedereen... Ouders en kinderen en geliefden raken elkaar natuurlijk ook aan. Maar de voeten? Vermoedelijk niet zo vaak... 

 

Heel bijzonder dus dat nota bene de priester het dan wel doet, in de kerk, op Witte Donderdag. Ik moet u zeggen: enige weerstand ertegen overwinnen moet ik altijd wél. Want het is nogal iets intiems. En tegelijk heeft het ook iets gęnants: omdat die intieme actie in de volle openbaarheid, op het priesterkoor van de kerk zich afspeelt. Je bent er toch even druk mee bezig. Het vergt enige werkelijke inspanning. Ik voel me altijd even een werkster en een sloof. Maar tegelijk ervaar ik het ook als iets moois, iets groots, iets eervols: zomaar de voeten van mensen mogen áánraken, wassen en afdrogen. Ik probeer het altijd met zo groot mogelijke aandacht en gevoelvol te doen, dus niet te haastig. Daartoe dwing ik mijzelf min of meer - omdat ik er dus mijn eigen gęne, en die van u in mijn beleving, voor moet overwinnen.

 

De Roomse liturgie voorziet daarbij ook nog in de mogelijkheid om de voeten, nadat ze gewassen en gedroogd zijn, te kussen. Dat heb ik nog nooit gedaan. Dat is voor mij tot op heden een brug te ver geweest, too much, te erg. Dat gaat te ver, denk je. Dat kan ik niet aan.

 

Ja, de liturgie kan ons echt uitnodigen, uitdágen zelfs, om onze grenzen te verkennen en eventueel ook te verleggen. De paus, Franciscus, doet het, sans gęne. Hij kúst de voeten, bij voorkeur die van criminelen, mannen en vrouwen, christenen en niet-christenen, gelovigen, andersgelovigen, niet-gelovigen... niemand wordt bij voorbaat uitgesloten.

 

 

 

Op deze avond gedenken wij de uittocht van het joodse volk uit Egypte en die van Jezus uit dit aardse bestaan met een maaltijd. In Egypte waren de joden zelf slaven. Maar ze waren aan dat slavenbestaan gewend. Ze waren ermee vertrouwd. En hoe bitter, hoe vernederend dat bestaan ook was, het loslaten, het achter zich laten, er uit weggaan, dat viel toch ook niet mee. Want wat zou de toekomst brengen? Het was een waagstuk. Vandaar dat er met het paaslam en het ongedesemde brood bittere kruiden werden en door joden nog altijd wórden gegeten. En Jezus legt voordat Hij de voeten van Zijn apostelen wast Zijn bovenkleed af. Dat bovenkleed is een beeld van Zijn aardse leven dat Hij loslaat in die bittere kruisdood die wij morgen op Goede Vrijdag gedenken. Jezus geeft Zijn leven. En in brood en wijn maakt Hij er Zijn geschenk van, een eeuwig, onuitputtelijk geschenk, voor ons en voor iedereen in alle tijden - totdat Hij komt.

 

Die maaltijd en die voetwassing. Wat zou jij doen? Doe je mee? Leen jij je ervoor? - je voeten voor die wassing?

 

Je voelt misschien weerstand, zoals Petrus. Die wil niet. Maar... "als ik je voeten niet mag wassen, dan hoor je niet bij mij" zegt Jezus. Zo extreem is het dus. Het is bepaald niet niks, die voeten. Het is iets essentieels.            

 

Waar is het goed voor? Ik denk: Het verschil tussen mensen die zogenaamd meer of minder waard zouden zijn, tussen 'hoger' en 'lager' heft Hij op. Ik ben niet beter dan de werkster. Nee, zeker niet. Maar zij staat ook niet boven mij. We zijn allemaal gelijk, allemaal even veel waard. We zijn broeders en zusters, allemaal kinderen van één Vader. We hoeven voor elkaar geen schroom te hebben. En als je goed bent, al is het maar voor één mens, dan doe je al iets belangrijks, dan red je in zekere zin de hele wereld, dan blijft er hoop en dan doe je goed aan het geheel.

 

"Als ik jullie voeten heb gewassen, dan behoren jullie ook elkaar de voeten te wassen" zegt Jezus. 'We benne in de wereld om mekaar, om mekaar te helpen niewaar'. 1969, 't Schaep met de 5 Pooten, Adčle Bloemendaal, Leen Jongewaard. We benne in de wereld om mekaar te helpen niewaar. Ja, dát is de zin van het leven! Zo banaal is het. En zo verheven is dat tegelijkertijd. Afgelopen middag had ik bezoek van een meisje van zeven jaar met haar moeder en dat was de vraag van dat meisje: Wat is de zin van het leven? Toemaar. In de voetwassing laat Jezus het zien: De zin van het leven is dat we elkaar dienen, voor elkaar zorgen. Waar het gebeurt, daar gebeurt God, daar verschijnt Jezus zelf: in ons. Laat ieder het dan op eigen wijze doen: zorgen en dienen. Amen. 

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                   

op 2 april 2017, de vijfde zondag van de veertigdagentijd, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Ezechiël (37, 12-14), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (8, 8-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (11, 1-45).

 

Is 't 'm nu wel?

 

Of is 't 'm nu niet?

 

- zo vroeg ik mij van de week af, zittend in de zon, op een bankje in het Sarphatipark.

 

Is 't 'm nu wel of is 't 'm nu niet? - Wim Kieft, die voetballer. Die van dat boek. Die achttien jaar lang verslaafd was. Aan de dope en aan de drank.

 

Was 't 'm nu wel of was 't 'm nu niet?

Ik was te bleu om 't hem te vragen.

Je wilt zo iemand natuurlijk ook niet lastig vallen.

 

Maar... gisteren heb ik toch even gegoogled op Wim Kieft en mijn conclusie was dat hij het toch heel goed geweest kan zijn.

 

Ik stuitte op een interview van Jeroen Pauw met hem uit 2014. Jeroen leest daarin een stukje voor uit het boek over zijn leven, over een episode waarin het voor hem zoals dat wordt genoemd rock-bottom was: waarin hij op de bodem van de put terecht kwam, met z'n achterwerk op de hard grond, op de rots.

 

Zijn vader was gestorven. Op de dag van de begrafenis vertelde zijn vriendin hem dat ze genoeg van hem had "en intussen ook regelmatig op de koffie ging bij iemand anders". Het was allemaal te veel geweest voor hem. Hij is naar Best gegaan, naar een kliniek waar hij al twee keer eerder was geweest. Hij deed het uit voorzorg. Hij dacht: Dit gaat fout. Toen hij er aankwam was hij emotioneel geknakt. Het overlijden van zijn vader, zijn vriendin die weg was, zijn eigen lichamelijke en geestelijke toestand en financiële zorgen. Hij dacht dat hij gek werd, krankzinnig. Verslaving vlakt gevoelens af. Wie clean wordt krijgt ze terug. Verdriet, pijn, schuld, schaamte, paniek... het kwam allemaal tegelijk bij hem binnen. De controle over zichzelf raakte hij totaal kwijt. In de kliniek hield hij het niet uit. En toen is hij verschrikkelijk teruggevallen. In een hotelkamer bereikte hij de bodem... En... er kwam licht, ínzicht: Zo ga ik er echt áán.   

 

Aldus Wim Kieft.

 

Maar wat heeft het, wat heeft híj met Lazarus te maken?

 

Nou ja, als ik het goed begrepen heb, dan is hij het vaak genoeg geweest: lazarus - aangeschoten, dronken, van de wereld, ook door de dope. En wie weet, veelgeliefden, zijn er wel meer raakvlakken.

 

 

 

 

Slaapt Lazarus nou of is hij echt dood, morsdood? Het laatste... Als Jezus eindelijk, na allerlei getalm en getreuzel zo krijgen wij de indruk, als Hij eindelijk arriveert in het dorp waar Lazarus met zijn twee zussen woonde, als Jezus daar aankomt, dan ligt Lazarus nota bene al vier dagen in het graf.

 

Vier dagen terug was ik toevallig zelf ook op het kerkhof. We begroeven een meisje dat maar veertien jaar oud werd, Nikki. Op prachtige foto's heb ik haar dode lichaam gezien. En ook hoe haar ouders, beide zusjes en broertje liefdevol daarbij aanwezig waren en daarmee omgingen.

 

Een dood lichaam. Ontzield. Wat rest van een mens. De stoffelijke resten. Dat lichaam is oneindig kostbaar voor nabestaanden. Want het is het lichaam geweest van iemand die men liefheeft. Maar het dode lichaam doet ons ook huiveren, helemaal als wij ons voorstellen, wat je dus liever niet doet, hoe het er uit ziet na reeds vier dagen in het graf te hebben gelegen.  "Maar Heer, de stank!" zegt Marta vol afschuw. Maar Jezus gaf bevel om de steen van het graf weg te nemen. En hij riep Lazarus om naar buiten te komen. "En de dode kwám naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels, en zijn gezicht in een doek gewikkeld. 'Maak hem los,' beval Jezus, 'en laat hem gaan.' "

 

Oef! Dát is me nog eens een rock-bottomsituatie, veel extremer nog dan in het geval van Wim Kieft. Het gaat over een rock, een rotsgraf, en over iemand die daar in ligt en die daarmee dus helemaal de bottom, de bodem van het aardse bestaan bereikt heeft, letterlijk en figuurlijk. Dieper kan een mens niet vallen en niet zakken. Het gaat om het absolute nulpunt. Precies in en door dat talmen en treuzelen van Jezus en het gegeven dat Lazarus nota bene al vier dagen in dat graf lag is dat gegeven onderstreept - een beetje zoals een goochelaar de hoge hoed van alle kanten beklopt en laat zien om zijn publiek ervan te overtuigen dat die hoed echt leeg is en geen dubbele bodem heeft.

 

Lazarus was echt dood. En Wim Kieft was echt ook bijna dood. En beiden zijn uit de dood teruggeroepen en uit het graf gekomen.

 

In onze tweede lezing vandaag, uit Paulus' brief aan de christenen van Rome, ging het enerzijds over 'zonde' en anderzijds over de Geest van God, die van Christus. "Als Christus in u is", schrijft Paulus, "(als Christus in u is) blijft uw lichaam wel door de zonde aan de dood gewijd, maar uw geest leeft".

 

Veelgeliefden, wat is zonde?

 

Ik denk: het leven van Wim Kieft (laten we het over hem hebben, dat is lekker veilig, dan blijven we zelf buiten schot); het leven van Wim Kieft kan het rijkelijk illustreren - wat zonde is: misbruik van alcohol en verdovende middelen en vast ook een relatieleven dat niet beantwoordt aan hoe onze Roomse kerk dat idealiter gestalte ziet krijgen. Jaja: wat een zondaar die Wim. Zonde van zijn leven wat hij allemaal gedaan heeft, hoe hij het verknald heeft kun je denken. Zonde is: je eigen leven en dat van anderen ondergraven, beschadigen, er afbreuk aan doen en verdriet veroorzaken: bij anderen en bij jezelf.

 

Maar ja veelgeliefden: die Wim heeft zichzelf natuurlijk ook niet gemaakt. In wat voor omstandigheden is hij ter wereld gekomen? Wie waren zijn ouders? Wat heeft hij van huis uit meegekregen? En wat niet? En wat gebeurt er als zo'n doodgewone Amsterdamse jongen die lekker kan voetballen in de voetbalwéreld terecht komt, een wereld waarin zoals bekend geweldig veel geld omgaat en zoals dat heet 'grote belangen op het spel staan'. Wat doet dat met een mens? We kunnen het in Kieft allemaal nalezen.

 

 

Bij Paulus lezen we: "Als de Geest van Hem die Jezus heeft opgewekt van de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u woont". Woont die Geest waarover Paulus het heeft veelgeliefden, woont die Geest die uit de doden opwekt ook in Wim Kieft? Ik hoop het. En: Vast! Want ik denk: Wim heeft daarvan getuigd. Want zijn leven was geworden als een plas brak water dat stonk, onfris. Er kwam een graflucht vanaf. Hij was er helemaal in vastgelopen. Maar hij is er God-zij-gedankt-en-geprezen niet in gebleven. Hij is er uitgekomen.

 

Onze eerste lezing vandaag kwam uit het boek van de profeet Ezechiël. Van Godswege zegt Ezechiël: "Ik schenk u mijn geest, zodat u weer leeft, en laat u op uw eigen grond wonen." Je eigen grond. Wat is jouw eigen grond? Waar ligt die? Wie ben jij eigenlijk? Wie ben jij ten diepste? Ik denk: Zónde is vooral wat jou dáárvan vervreemdt. Gods Geest echter, die van Jezus, die van Christus, die zou je van die zonde moeten kunnen bevrijden, verlossen, die Geest zou jou moeten kunnen doen herleven.

 

"Kom naar buiten!" "Maak hem, maak haar, los!" "Laat hem, laat haar, gáán!" Mogen wij het allen meemaken veelgeliefden. Moge het, Zijn wil, aan ons geschieden. Amen. 

                                                                                                                                    

Verkondiging

 

op 5 maart 2017, de eerste zondag van de veertigdagentijd, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (2, 7-9; 3, 1-7), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (5, 12-19) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (4, 1-11).

 

Wat is er misgegaan dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk? Wannéér is het misgegaan? En wáár is het misgegaan? - met u, met jou, met mij, met ons in onze individuele levens en met ons samen als mensheid op aarde?

 

Ik denk: het is wáár; - een bewustzijn dát er iets is misgegaan, dát er iets of dingen fout zijn gelopen, zo'n bewustzijn kunnen wij in sterke mate hebben. En allerlei gedachten kunnen ons wat dit betreft sterk bezig houden: Hoe? Waar? Wanneer?

 

Al heel spoedig na het begin! wil de bijbel ons vandaag laten weten, in het tweede hoofdstuk van het boek Genesis waaruit wij in de eerste lezing hoorden voorlezen. Het leven op aarde was nog heel pril en paradijselijk. De mens was er nog maar pas. En meteen bedierf de mens, dat wil zeggen: om te beginnen de vrouw die haar man er in meenam, meteen bedierven zij het al - niet alleen voor zichzelf, maar ook voor alle mensen die nog zouden volgen, voor alle kinderen van Adam en Eva, voor alle geslachten na hen. Hoe stom. Hoe dom. Hoe jammer. En hoe onbenullig: Het eten van één enkele vrucht (was het een appel? of een banaan? een peer? of een mango?) - één enkele vrucht. Zo is het gekomen. Dat was de fout. Daarmee is het misgegaan.

 

Moeten we dat verhaal van Adam en Eva nu letterlijk nemen veelgeliefden? Is het "echt zó gebeurd"? Nee, natuurlijk niet. Juist als verklarende mythe, als voorstelling, als idee, als verhaal over 'hoe het allemaal gekomen is', zijn de beide scheppingsverhalen in de bijbel, Genesis 1 en 2, binnen het joodse volk ontstaan, precies zoals andere volken ook hún verklarende verhalen over de oorsprong, het begin van het leven én over het waar, hoe en wanneer het misging hebben.

 

Ooit... leefden we in een paradijs en waren we naďef, onnadenkend. We werden verleid. We waren dwaas. Door schade en schande wijs geworden weten we inmiddels beter. Na de zonde komt het berouw. Ik denk, veelgeliefden, deze bijbelpassage, kan ons helpen bij het ons bewustworden ván, het nadenken óver en het erkénnen van wanneer, waar en hoe dingen zijn misgegaan in ons persoonlijk leven. Politici liggen wat dit betreft onder een vergrootglas, zeker in verkiezingstijd. Bert Tichelaar, de commissaris van de koning in Drenthe, een PvdA'er, en François Fillon, de zeer katholieke, rechtse Franse presidentskandidaat, allebei zijn ze in de problemen gekomen omdat ze faciliteerden dat familieleden van hen, overheidsopdrachten kregen. Ja, je kunt je voorstellen hoe zoiets kan lopen, want het hemd is altijd nader dan de rok. Maar totaal correct en onkreukbaar was het niet en achteraf gezien was het ook niet slim. Want beiden, Tichelaar en Fillon, hebben zich erdoor in de nesten gewerkt, hebben er problemen door gekregen en kunnen zich er nu vast voor om hun kop slaan: dat ze destijds die vrucht van het bevoordelen van hun familie hebben geplukt hebben en die familieleden ervan hebben doen eten.

 

Verboden vruchten smaken het lekkerst. En mensen, wij, wij kunnen zwak en zot zijn en hebben onszelf ook niet gemaakt, maar zijn kinderen van Adam en Eva: mensen die zagen hoe goed het was om te eten van de verboden boom, dat hij een lust voor het oog was, mensen die plukten en aten.

 

In een zeldzaam en prachtig moment van ongevraagde publieke eerlijkheid konden wij verleden week zondagavond in zijn tv-serie Made in Europe de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst op een steigertje aan een Zweeds meer zien staan. Hij was daar eerder geweest. Want een tijdlang is hij met een Zweedse vrouw samen geweest en woonde hij daar. We hoorden hem zeggen: "Voor het eerst sinds lange tijd rijd ik terug naar de plek waar ook ik een deur achter me dicht trok. Verleden... het is iets wat je opstapelt. En mijn stukje leven in Zweden bevindt zich inmiddels op die stapel. Maar kijk, ik ben toevallig in de buurt en gaap mijn oude pijnen aan." En dan, staande op dat steigertje: "Ik heb al eens afscheid genomen van deze plek en had niet gedacht hier nog eens opnieuw te staan. (...) Een laatste blik, omdraaien en weggaan. Zoals ik afscheid neem van alles: mij gewoon omdraaien. Er zat teveel kut in m'n kop en te weinig verstand in m'n lul. Dat is een beetje een rode draad aan het worden. Het wordt tijd dat het renpaard op stal gaat. Ik ben zo iemand die een huis koopt en de dag erna tegen z'n vrouw gaat zeggen: Ik heb je bedrogen. Of die een trouwfeest geeft en die de week nadien zegt: Ik moet je iets zeggen... Ja... Ik ben toch een geweldige klootzak, ik. Maar ik meen het wel goed altijd. Ik ga er altijd voor, voor eeuwig. En een week nadien is het weer met iemand anders voor eeuwig. Verlaten, men kan er zich ook in bekwamen." 

 

Tot zover Dimitri Verhulst.

 

Tja veelgeliefden. De relatievorming in zijn leven is duidelijk niet conform hoe onze Roomse kerk het graag ziet en als Gods bedoeling voorhoudt. Maar Verhulst, die naar eigen zeggen een heel vroom jongetje was, is op zijn twaalfde het geloof in God kwijtgeraakt en heeft afstand genomen van de kerk. Nochtans moet ik zeggen dat de wijze waarop hij, heel eerlijk, vol humor, zelfspot maar ook met milde ogen zichzelf in zijn persoonlijk verlangen én onvermogen, in zijn mislukkingen, durft te laten zien, dat mij dat erg aanspreekt. En ik heb het duizendmaal liever dan de hypocrisie van, excusez le mot, allerlei katholieke en andere klootzakken.   

 

Het achter je dichttrekken van een deur. Dat deed Verhulst. En Adam en Eva werden er uitgegooid, uit het paradijs. Zij, wij, aten van de verboden vrucht en het gebeurde. En nu zitten we met de gebakken peren, met de brokstukken van ons leven. En hoe nu verder?

 

Afgelopen week heb ik een roman gelezen waar ik geweldig van onder de indruk ben, Mintijteer van de Duitse schrijfster Esther Maria Magnis. Het gaat in dat boek om verschrikkingen van het leven en hoe geloof in God daardoor beproefd en afgebroken wordt. Maar bij Esther Maria Magnis blijft God ten diepste wonderwel overeind en blijkt het geloof in Hem ook van geweldige betekenis te kunnen zijn. Ik citeer er een stukje uit:

 

"Ons geloof, het geloof van de christenen, daar zit schrik in. Het heeft weet van de complete rotzooi die de wereld is. Daar schrik je van. Van de drek en het afval en het puin. Dat eerst. En dan pas komt de blijde boodschap. Eerder is er geen enkele reden om dom grijnzend op de preekstoel te gaan staan en de mensen voor je met hun echte nood, met hun kapotte huwelijken en zieke kinderen, mensen die hun broers en zussen verliezen en van wie de ouders dementeren, mensen met gebroken harten en gekrenkte trots, om die met slap en gemoedelijk geleuter en sociale kitsch in slaap te sussen."

 

Einde citaat. Aldus schrijft Esther Maria Magnis in Mintijteer. Wat zij in deze woorden als norm stelt, dat herken ik en ik hoop er aan te beantwoorden. Ik hoop dat ik als pastor en predikant inderdaad níet slap en gemoedelijk leuter en u niet met sociale kitsch in slaap sus.

 

Complete rotzooi de wereld, drek en puin, die wij naast al het goede óók van onze voorvaderen en -moeders hebben overgeërfd en -gedragen hebben gekregen. Dat eerst. En dan nu, veelgeliefden: de blijde boodschap.

 

Ook Jezus maakte, net zoals wij het kunnen meemaken, een woestijntijd in Zijn leven mee: een tijd waarin het in Zijn leven dor, schraal, leeg en kaal was. Hoe, waar, waarin moet je het zoeken? Wat geeft aan je leven nog inhoud en zin? Kun je die inhoud en die zin maar beter vergeten en je beperken tot en genoegen nemen met het natje en het droogje? Dat was en is de eerste duivelse beproeving. Kun je als een desperado in een kamikazeactie maar beter alle remmen losgooien en je in het avontuur, de leegte, de diepte, de afgrond storten? Dat was en is de tweede duivelse verleiding. Of moet je gaan voor de macht en het heersen en ja zeggen tegen alle duivelse bekoringen, mores en methodes die er vaak bij horen als je wilt winnen, als je aan de top wilt komen en wilt blijven? Zie Fillon en Tiggelaar en het hele verkiezingscircus dat we momenteel meemaken. Geworteld in Zijn God is Jezus er níet in mee gegaan en hopelijk laten wij, in diezelfde God, in Hem, in Jezus, geworteld ons ook níet gek maken: gaan ook wij níet alleen voor de materie, doen we niet aan kamikazeacties en houden wij ons ook niet bezig met slinkse, laagbijdegrondse, gemene methodes om andere mensen te beheersen, niet in werkverhoudingen niet in de privé-sfeer. Daar nee tegen zeggen, vanwege God en vanwege jezelf. Jezus kon het en heeft het gedaan. En daarmee bracht hij "vrijspraak en leven voor allen" schrijft Paulus in de Romeinenbrief. Wat fundamenteel mis ging én gaat op aarde, onder de mensen, dat is en wordt door Jezus hersteld. Want Hij hield en houdt nog altijd stand in de beproevingen en Hij gaf en geeft zichzelf nog altijd, áán ons en ook in ons hopelijk.

 

Aan het eind van Mintijteer van Esther Maria Magnis sterft Johannes, de 23jarige broer van de hoofdpersoon aan kanker zoals eerder hun vader gestorven is aan dezelfde ziekte. Nogmaals citeer ik en daarmee eindig ik dan:

 

"(En) het was op deze ogenblikken, als Johannes weer een pijnaanval had, dat ik begon mijn God ervoor te danken dat hij zich door de mensen had laten folteren. Dat hij zelf geschreeuwd had. Want als dat niet zo was geweest, dan had ik niet meer met hem kunnen spreken. Dan had ik misschien op een of andere manier nog heel beleefd in hem geloofd. Maar ik zou dan ook gedacht hebben: 'Kom eerst eens uit de hemel hier naar beneden. Lijd eerst zelf maar eens, voordat je van ons verlangt dat we in je geloven' - maar dat kon ik nu niet meer zeggen.

               God had al geleden, en zoals Johannes nu met hem sprak, leek het alsof het juist op dat moment gebeurde, alsof hij geen centimeter week van het kind dat hij liefhad, alsof hij het geen seconde uit zijn ogen liet, alsof hij zich had voorgenomen de hele tijd ononderbroken niet een seconde eerder zijn marteling aan het kruis op te geven dan die bij de jonge man, die daar op dat bed lag, voortduurde. Hij bleef en bleef en bleef. En in de tussentijd wendde Johannes zijn gezicht en keek hem aan - en voor die momenten, voor die ontmoetingen heb ik geen woorden."[15]

 

Tot zover Ester Magnis en deze verkondiging. Jezus aankijken als je het moeilijk hebt, als je beproefd wordt, als je lijdt, als je sterft. Hij kijkt jou aan. Hij is onze rijkdom, Hij is onze kracht. Amen.

 

Verkondiging

op de 8e zondag door het jaar, 26 februari 2017, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Mattheüs 6,24-34

                              Jesaja 49,13-16. Psalm 62. 1Korinthiërs 4,1-5

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Passionist)

 

Is er iets nuttelozers dan vogelen: met een verrekijker op zoek naar vogels? “Je ziet ze gaan en je ziet ze komen;” “Je ziet ze vliegen”, zogezegd. Maar had deze nu een witte oogstreep of niet? Zat er wat oranje bij de vleugel of was het de schaduw?  Is er iets nuttelozers dan vogelen?

               Pas toen ik in het klooster leerde mediteren en ging studeren, merkte ik dat dat “nutteloze” turen naar vogels wel degelijk óók vruchten voortbracht. Het kostte mij nauwelijks moeite om aandachtig te zijn voor de details – vogels onderscheiden zich vaak van elkaar door minieme verschillen – čn tegelijkertijd aandachtig voor het grotere geheel, want vogels vind je niet zomaar, maar meestal in een bepaalde leefomgeving, waarin zij passen. Bovendien maakt het op zoek gaan naar vogels geduldig en gepassioneerd. Dat hoef ik hopelijk niet uit te leggen.

               Jezus in het evangelie wijst ons op de schoonheid van de schepping, het wonderlijke van- en in de natuur. Lang niet iedereen had en heeft daar oog voor. Want toen het leven veel langzamer ging dan nu, was die natuur zo vanzelfsprekend, dat menigeen de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan niet zag. Nu is ons leven misschien te druk, te stads, te commercieel of te digitaal om de schoonheid ervan waar te nemen.

               Toch was juist een populaire geleerde met de naam Einstein iemand die oprecht verwonderd was over het mooie dat hij vond in de natuur en in heel het universum. Het ging hem niet alleen over uiterlijke schoonheid, maar ook om de schoonheid van de natuurlijke processen en om de orde ervan: het past allemaal zó mooi in elkaar, dat hij het wel heel onwaarschijnlijk vond dat de dingen en de ordening ervan alléén maar toeval zouden zijn.[16]

               Het mooie en harmonieuze in de natuur verwijzen naar iets nog veel groters, zegt Jezus ons: niet alleen dat alles van oudsher door “God” gemaakt is en goed geordend [Ps 136,1-9: schepping], maar ook dat Deze als een goede vader en moeder ervoor zorgt [bevrijding: Ps 136,10-24, en voorzienigheid: Ps 136,25v cf. resp. Mt 6,26. Js 49,15]; alles is op elkaar afgestemd; Hij draagt en beschermt wat Hij gemaakt heeft, zodat het niet verloren gaat [W 1,14]. De natuur zoals we die nu kennen, is zo gegroeid, inderdaad. Maar zo is zij ook bedóéld.

               Als God al zo bezorgd is om de kleinste vogels, hoeveel te meer zal Hij dan niet bezorgd zijn voor de mens, die Hij in Zijn liefde een bijzondere plaats en verantwoordelijk-heid heeft gegeven in het geheel? [Mt 6,30 cf. Gn 1,26-29, vandaar: Ps 62]

               Maar dáár gaat het voor veel mensen mis. Want lang niet iedereen belééft dit zo. God

is voor menigeen juist ver weg. De wereld is vol lelijkheid, ellende... Die ervaring wordt door de profeet Jesaja verwoord in de Eerste Lezing: “De Heer heeft mij verlaten; mijn God heeft mij vergeten” [Js 49,14]. Deze woorden worden Sion in de mond gelegd, i.e. de stad Jeruzalem. Deze stad ligt compleet in puin na de oorlog. Wat er momenteel in Mosul (Syrië) en op zoveel andere plaatsen gebeurt, is niets nieuws. Maar het kan gelovigen (en niet-gelovigen) wel wanhopig maken, want de erváring van Gods afwezigheid is echt!

               De menselijke ervaring is nooit het hele verhaal. De verstoring van de harmonie van Godswege door de hebzucht [Mt 6,24 cf. 4,3v], eerzucht [Mt 4,5-7] en honger naar macht [Mt 4,8-10] van de mens is een feit. Zij is een realiteit náást die harmonieuze realiteit [cf. W 14,22-15,19]. De ervaring van het in de steek ge-laten zijn, van de teleurstelling speelt zich af op de vóórgrond. Op de ŕchtergrond blijft evenwel de herinnering, de belofte. En de ňndergrond die alles draagt, blijft de realiteit van de harmonie en de orde, ook al is die schoonheid voor ons oog soms onzichtbaar. Op het slagveld van gisteren, waar de lijken nog niet eens zijn weg-gehaald, begint vandaag een vogel zijn nest te bouwen... “Ik vergeet jou nooit!” [Js 49,15]

               Door het lawaai van oorlogsgeweld en rouwklachten, verkiezingsretoriek en reclame, het verkeer en de smartphone, door de stem in ons hart die ons oproept om snel, sexy en succesvol te zijn, horen we de zang van de vogels niet meer. Amsterdam zit vol merels: een van de mooiste zangvogels in Nederland. Nooit hebben zij zangles gehad. Niemand voedt hen. Zij léven – en zo getuigen zij van Gods goedheid, ŕls je het ziet en hoort.

               “Wat zullen wij eten, drinken, aantrekken? Door zulke vragen worden ongelovigen in beslag genomen” [Mt 6,31-32a]. Wij kunnen diezelfde vragen hebben, maar altijd vanuit het vertrouwen dat de Heer, Die de aarde vanaf het begin vormde en ordende, zorgt voor elk van Zijn mensen [Mt 6,32b] – óók als we dit zelf niet ervaren.

               Wie niet in beslag genomen wordt door het zoeken naar meer bezit, om te overleven en te genieten, kan zich realiseren vrij te zijn en gedragen te worden. In die vrije ruimte kunnen wij de stem verstaan die ons oproept om vóór alles het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken [Mt 6,33]. Of met de woorden van de apostel Paulus: “Men moet ons beschouwen” en wij moeten dus onszelf beschouwen “als helpers van Christus” [1Kor 4,1]. Ons vertrouwen maakt ons niet passief of gericht op ons eigen welzijn alleen; wij worden ons ervan bewust dat wij gedrágen worden in ons zoeken, voortdurend, dat wij geholpen worden in onze taak om het goede van Godswege te beheren en door te geven, en betrouwbaar te zijn [1Kor 4,2].

               Voor Jezus liep die weg uit op de veroordeling tot de kruisdood, zoals wij in het bijzonder in de komende 40-dagentijd in herinnering zullen roepen. Het eindoordeel echter ligt bij Degene Die ons het leven geeft, en een leefomgeving die bij ons past [Mt 6,32b]. Voor Hem is niets verborgen [1Kor 4,4v cf. Ps 139]. In de Eucharistie vieren wij dat Hij voor hen die met Hem de weg van de gerechtigheid gaan, de deur naar het léven opent: niet pas hierna, maar nú al [Mt 6,33]; zoals de merels in hun leefomgeving het voedsel vinden dat zij nodig hebben, zo voedt Hij ons op deze weg [cf. Lk 24: Emmaüs] met geloof, hoop en liefde, met kracht en geduld, wijsheid en inzicht. God-dank! Amen.

                                                                    

Verkondiging

 

op 29 januari 2017, de vierde zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Sefanja (2,3; 3, 12-13), Psalm 146, de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 26-31) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Mattheüs (5, 1-12a).

 

De grootste rijkdommen van onze kerk, dierbare gasten en parochianen, zijn ongetwijfeld de heiligen. Dat zijn: vrouwen en mannen in alle eeuwen die op een authentieke, overtuigende wijze gelovige mensen zijn geweest, mensen die er echt voor gingen voor dat geloof en die er alles voor over hebben gehad. Van de martelaren onder de heiligen geldt zelfs dat ze het er niet levend van af hebben gebracht. Ze stόnden ergens voor. En dat hebben ze met hun bloed moeten bekopen.

 

Voor wie zich in hun levens verdiept, kunnen zij echt gaan leven en gaan spreken, ook al zijn zij gestorven. Bepaalde heiligen kunnen zo echt met je méé gaan leven. Ze gaan deel uitmaken van 'je systeem' en in allerlei omstandigheden kunnen ze een voorbeeld voor je zijn, mede richting geven aan je leven en een bron van kracht en van troost voor je zijn.

 

Voor mij is de heilige Johannes Chrysostomus zo iemand. Hij is één van de vier Griekse kerkvaders, zoals er ook vier Latijnse zijn, van wie de kerkvader Augstinus de bekendste is. Johannes, geboren rond het midden van de vierde eeuw, was een ascetische figuur en een geweldige predikant. Zijn eretitel 'Chrysostomus' betekent 'mond van goud'. Hij werd bisschop van Constantinopel, de keizersstad aan de Bosporus. Hij schroomde niet om gevoelige onderwerpen aan de orde te stellen, zoals: losheid van zeden, luiheid van priesters en laksheid van bestuurders. Daar maak je niet per se vrienden mee natuurlijk. Keizerin Eudoxia kon zijn bloed wel drinken. Vier jaar na zijn aantreden wist men een groep bisschoppen zo ver te krijgen om te verklaren dat hij was afgezet. Johannes Chrysostomus moest in ballingschap gaan. Hij werd gedwongen tot slopende dagmarsen richting de Zwarte Zee. Ziet u hem lopen, dierbare gasten en parochianen: deze bisschop... ? Hij bezweek er aan, de arme man. Hij was nog maar begin vijftig.

 

Onze eigen Titus Brandsma was ook zo iemand. Hij was een Friese boerenzoon. In mijn eerste jaren in de Vredesparochie kwam daar dagelijks een oude dame, mevrouw Siemensma, όόk een Friezin. In de buurt werd ze wel 'rondje-om-de-kerk' genoemd, want inderdaad: voortdurend cirkelde ze er als het ware omheen, om het heilig geheim dat door het kerkgebouw wordt gesymboliseerd en omvat.

 

"Wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is" zo hoorden wij vandaag in onze tweede lezing uit Paulus' eerste Korinthenbrief. En zo iemand was die mevrouw Siemensma wel. Zij was een doodsimpele ziel. Maar ook: een mens zonder bedrog. Ze was een beetje van de wereld. Maar misschien was ze ook wel verslonden in God. Ze was een beetje de kluts kwijt, maar ze had ook haar heldere momenten. Toen ik een keer op de jaarlijkse gedenkdag van Titus Brandsma over hem sprák en in dat verband in de dagkapel rechtstreeks háár aansprak als afkomstig uit dezelfde provincie, toen zei ze: "Ik heb z'n sokken nog gewassen...".

 

Indrukwekkend was dat. De rillingen liepen mij over de rug. Titus Brandsma: kloosterling, karmeliet, priester. Hij werd professor in de wijsbegeerte en in 'de geschiedenis van de vroomheid' aan de pas opgerichte universiteit van Nijmegen. En hij was ook journalist. Hij verzette zich tegen het opkomend nazisme, kwam op voor de joden, en bleef dat doen, ook toen de nazi's aan de macht kwamen. Hij werd opgepakt, kwam in Dachau terecht, moest zich afbeulen op een akker en op 26 juli 1942 gaf een kamparts hem een spuitje. Hij was eenenzestig jaar oud.

 

Tenslotte, kort, nog éénmaal: pater Frans van der Lugt, zoon van deze parochie, jezuďet, het hart verpand aan Syrië. Zijn klooster in Homs was een oase van ontmoeting en vriendschap voor mensen van verschillend geloof. Hij verliet de mensen en de plek niet toen de stad werd belegerd, ook niet toen de honger door de straten gierde. Op 7 april 2014 schoot iemand hem een kogel door het hoofd. Hij was zesenzeventig jaar oud.

 

Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma, Frans van der Lugt: drie mannen van geloof, drie mannen die ergens voor stonden, drie mannen die zich niet lieten intimideren, drie martelaren die blijven spreken, net als mevrouw Siemensma trouwens, ook al zijn zij gestorven.

 

De vraag, veelgeliefden, die natuurlijk onontkoombaar op je afkomt als je stilstaat bij de levens van zulke heilige mensen, dat is de vraag: En waar sta jíj voor, ook als het moeilijk wordt? Waarvoor en voor wie kom jíj op, juist als christen? - áls jij jezelf tenminste zo wenst en durft te noemen, áls jij tenminste jezelf for better and  for worse gecommitéérd hebt aan de man uit Nazareth...

 

Het woord 'recht' loopt als een rode draad door de lezingen van deze zondag. Doe ik recht? En doe jij recht? Dat zijn de vragen die ons gesteld worden.

 

"Zoekt de gerechtigheid", zo klonk het in de eerste lezing uit het boek van de profeet Sefanja. De enige mensen die het redden, zo stelt hij van Godswege, dat zijn de mensen die "geen onwaarheid meer doen en geen onwaarheid meer spreken, in hun mond is geen tong die bedriegt." Zulke mensen redden het, bij en voor God, de anderen vallen af.

 

"De Heer verschaft recht" en "bemint de rechtvaardigen" zo klonk het in de 146ste psalm die wij baden.

 

En in de eerste Korinthenbrief schreef Paulus over "Christus Jezus, die van Godswege heel onze (...) gerechtigheid is geworden" - en onze wijsheid, heiliging en verlossing. In Hem, in Jezus, is het allemaal te vinden. Hij was, Hij is 'de gerechte'. Wil jij het ook zijn, kijk dan naar Hem, doe als Hij, laat Hij de bron zijn waaruit jij put.

 

In het evangelie hoorden wij de beroemde zogenaamde 'zaligsprekingen'. Jezus sprak ze uit op een berg, precies zoals Mozes ooit op een berg de wet van God ontvíng. De laatste van die zaligsprekingen begint met: "Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid..."

 

Dit en wat volgt wordt door de Bijbel in gewone taal als volgt vertaald:

 

"Het echte geluk is voor mensen die lijden omdat ze doen wat God wil. Want voor hen is de nieuwe wereld van God. Het echte geluk is voor jullie. Jullie zullen het moeilijk hebben omdat je bij mij hoort. Misschien schelden de mensen je uit, of willen ze je gevangen nemen. Misschien vertellen ze allerlei leugens over je. Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk. Want jullie krijgen een grote beloning in de hemel. De profeten van vroeger werden net zo slecht behandeld als jullie nu."

 

Tja...

 

Oef!       

 

Laten wij ons geen illusies maken veelgeliefden. Wie haar of zijn bestaan met dat van Jezus verbindt, met hem of haar kan dan gemakkelijk gebeuren wát met Jezus is gebeurd. Kijk maar naar Johannes Chrysostomus, Titus Brandsma en Frans van der Lugt. Wínnen in onze wereld, dat doen steeds weer degenen die bereid zijn om daarvoor eventueel alles uit de kast te halen: allerlei machts- en drukmiddelen, oneerlijke methodes en geweld, verbaal en ook fysiek als het moet. Degenen die daarvoor passen, zij die het kwade spel niet mee willen spelen, díe delven het onderspit - in deze wereld.

 

Maar gelukkig, veelgeliefden, is er ook nog een andere wereld, een wijder perspectief, dat van de hemel, de wereld waarin alleen God regeert zoals wij Hem in Jezus hebben leren kennen. Het echte geluk, zoals de Bijbel in gewone taal vertaalt, is alleen daar, in die andere wereld te vinden. En wáár is die andere wereld veelgeliefden? Ik denk: het is déze wereld ánders, het is deze wereld bezien in en vanuit het licht dat God, dat Jezus er op werpt. En díe wereld kan zonder lijden niet betreden worden, lijden dat aanvaard, omarmd en bemind zelfs wordt, omdat je kunt geloven en ervaren dat het ook ergens goed voor is.

 

Sinds enkele weken bezoek ik een dame, ergens in de zestig denk ik, die ongeneeslijk ziek is. Ze is bezig met het laatste stukje van haar aardse levensreis. Voor haar ramen strooit iemand af en toe wat brood voor de vogels. Daar geniet ze van: om naar de vogels te kijken. Ze begint ze al te herkennen. Eén winterkoninkje is altijd alleen. Daar maakt ze zich wat zorgen over. En ze herkent zichzelf er in. Afgelopen week is ze met de wensambulance in het Amsterdamse Bos geweest, ook in de geitenboerderij. Ze was er verwend. Iedereen was zo aardig geweest. Betaald hoefde er niet te worden. Het was 'van het huis'. De dagen erna heeft ze het wel moeten bezuren. Ze had veel pijn. Men begint dan al gauw over morfine. Want: je hoeft geen pijn te hebben. "Maar ja", zei ze, "dan dan ben je ook meteen wel 'van de wereld'. Je wordt verdoofd, maar je bent er ook eigenlijk al niet meer" - terwijl zij nog zo graag ziet, en vόelt. En een zekere mate van pijn, zolang die nog enigzins te dragen valt, heeft ze daar wel voor over.

 

Wat voor ons hét grote geneesmiddel is had ik bij mij. Ik steek een kaarsje aan. Ik open dit drieluikje met daarin een crucifix. We bidden. Ik lees voor uit het evangelie. En ik geef haar de communie, vrucht van Jezus' kruisdood en voorspijs van Gods nieuwe wereld, die van Jezus' verrezen leven en het echte geluk. In jouw lijden is Hij bij je. Hopelijk kun je voor jouw lijden kracht putten uit het zijne. Morfine verdooft. Hopelijk kan Hij je helpen om zo lang mogelijk te blijven voelen en de overgang naar het andere leven zo bewust mogelijk te ervaren.

 

Het is net een wip: de morfine en de verdoving aan de ene kant, het kruis en het voelen, maar ook lijden, aan de andere kant. Wat kies je? Wat is voor jou de juiste dosering, van het een en van het ander? Wat kun je aan? Kun je het nog aan? Heb je het er voor over?

 

Misschien wel het beste en mij dierbaarste gebed in ons getijdenboek, veelgeliefden, is dit: "Heer onze God, sterk ons door het lijden van uw Zoon om bereidwillig zoals Hij ons juk te dragen. Maak ons ontvankelijk voor zijn liefde die elke last verlicht."

 

Ja... zo is dat. Jezus heeft met zijn liefde de last van Johannes Chrysostomus, van Titus Brandsma en Frans van der Lugt verlicht. En Hij kan en Hij wil het ook voor jou, voor ons doen. Mogen wij het laten gebeuren. En laat mensen die jou eventueel geen warm hart toe dragen maar lekker in hun eigen sop gaarkoken. Bid maar voor ze en lach er maar om. Maar blijf jij lekker bij Hem, bij Jezus, daar zit je goed. En met Hem wordt alles anders. Amen.

 

Verkondiging

 

op 15 januari 2016, de tweede zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (49, 3-6), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinthe (1, 1-3) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (1, 29-34).

 

Er zijn dingen die mensen zeggen, die komen binnen, die blijven hangen...

 

Jaren geleden hoorde ik een oud-studiegenoot zeggen: Alle instellingen waar ik ooit leerling of student geweest ben, zijn inmiddels opgeheven: de lagere school waar ik op gezeten heb, de middelbare school waar ik op gezeten heb en ook het theologisch instituut waar hij en ik elkaar van kennen, hier in Amsterdam, ook dat is inmiddels opgeheven.

 

Een erg relativerende opmerking dierbare gasten en parochianen. Denk aan die verschillende scholen en denk aan die theologische faculteit. Denk aan al die mensen die er leerden, studeerden, werkten. Die school, dat was veelal het centrum van hun leven, daar draaide

alles om. Daar leerden ze hun vrienden kennen. Ze spraken er voortdurend over met elkaar. Ze wonden zich er over op. Ze deden er alles voor. Zoveel tijd, zoveel geld, zoveel idealisme, zoveel denkkracht en concrete inzet werd daar in geďnvesteerd. En zie nu eens... allemaal verdwenen, allemaal in lucht opgegaan of nou ja... όpgeheven en in ander verband voortgezet of opnieuw begonnen. Want onderwijs is er in Nederland natuurlijk nog altijd. Je kunt er zelfs nog theologie studeren.     

 

Ander voorbeeld: De kussens waar de mensen op zitten die zitten in de stoelen die staan vόόr onze voorste kerkbanken. Kussens gemaakt van prachtige stof. Ik heb die destijds, vele jaren geleden, zelf uitgezocht: stof in de stijl van de twintiger jaren waarin ook onze kerk gebouwd werd. De stoelen ben ik destijds samen met Elly Visser in Amstelveen gaan kopen. En de kussens werden gemaakt door Alie van Rijn en haar dochter Diny Faber, vrouwen die zich geweldig voor onze kerk hebben ingezet. Zo leidde Alie vele jaren lang de kerkschoonmaak op dinsdag. Later groeiden beiden naar mijn indruk enigzins weg van de kerk, in elk geval van de onze. Ze verhuisden trouwens allebei. En beiden zijn inmiddels gestorven. Gelukkig hoorden we er wel van, van beider overlijden en hebben we in elk geval bloemen kunnen sturen, maar toch... wat bleef er voor henzelf over van al hun inzet? Voor ons bleven dus in elk geval die kussens er van over. En hoe lang zullen die nog meegaan en nodig zijn? Ik kan ze niet zien, die kussens, zonder ook aan Alie en Diny te denken. Ik vind dat fijn. Maar zou het ook voor hen, voor Alie en Diny, iets betekenen - dat zij nog leven en mijn gedachten, dat ik vandaag hun namen noem en hun inzet ter sprake breng?

 

Laatst sprak ik iemand die vergeleek onze kerkelijke situatie met het langzaam leeglopen van een badkuip. Als de kuip bijna leeg is en het water naar het putje stroomt, dan treedt er een versnelling op. En dát is wat er in deze tijd kerkelijk gebeurt volgens de bewuste persoon - die het weten kan. Mensen en middelen verdwijnen in rap tempo, extra snel. Het is, dierbare gasten, het is geen opwekkend maar integendeel: het is een onheilspellend beeld. Maar het is misschien wel een reëel beeld, niet alleen wat onze situatie in Nederland betreft trouwens. Kerk en geloof verdampen en verdwijnen zegt men, hoezeer wij ook trachten om er in te blijven geloven en er ons voor inzetten, soms met grote persoonlijke offers. Nochtans gebeurt het zegt men. En waar is het dan allemaal goed voor geweest? En wat komt er voor in de plaats? We zien allerlei ontwikkelingen in deze tijd met lede ogen aan maar voelen ons vaak machteloos.

 

Vergeefs. "Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt". Zo hoorden wij vandaag in de eerste lezing de profeet Jesaja spreken en zijn woorden sluiten aan bij vele ervaringen van vergeefsheid en mislukking die wij zelf kunnen

hebben. Diederik Samson en Barack Obama zouden er ook een duit over in het zakje kunnen doen. En Jesaja's woorden kunnen we ook verbinden met het levenseinde van Jezus. Want dat leven lijkt, met Jezus' kruisiging, objectief te zijn uitgelopen op een totale mislukking. Nee, als beeld word je daar natuurlijk niet vrolijk van: van een kruisiging - precies zoals we niet vrolijk worden van allerlei krantenfoto's. Wat een ellende. Wat een mislukking. Wat een vergeefsheid. Zoveel liefde die wreed eindigt.

 

En toch veel geliefden... dit is niet hele verhaal. Jesaja zegt nog meer: " 'Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik vruchteloos en voor niets verbruikt'; maar de Heer zal mij recht brengen en mijn God zal mij belonen. Ik sta hoog in aanzien bij de Heer, en mijn God is mijn kracht."

 

Ja... Waar, aan wie kun je als mens jezelf optrekken als je verzeild en opgescheept bent geraakt met ervaringen van vergeefsheid? Ja natuurlijk, veelgeliefden, dan moet je het hebben van je eigen innerlijk ervaring. En voor ons als mensen die zichzelf graag beschouwen als gelovigen, als mensen die dat kleine vlammetje van geloof in ons proberen te bewaren en behoeden, voor ons is die innerlijke ervaring in tijden van rampspoed er hopelijk één van gezien, bemind, getroost en bekrachtigd worden door God zelf met Jezus als ons grote voorbeeld, Jezus die hopelijk ín ons leeft.

 

De apostel Paulus, in de tweede lezing vandaag uit de eerste Korinthenbrief, Paulus schrijft de gemeenschap van gelovigen in Korinthe aan als degenen die "geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus." Veelgeliefden, hoe wordt ons leven geheiligd? Wat is een heilig leven? Ik denk, waar het om gaat, dat is: zoáls Jezus en mét Jezus samen door de dood en door allerlei ervaringen van vergeefsheid en mislukking ook heen kunnen gaan. "He brought me (...) out of the horrible pit out of the mire and clay" zong het koor in de veertigste psalm die wij hoorden: "Hij trok mij omhoog uit het rampzalige graf, omhoog uit slijk en moeras" - zό klinkt dat in het Nederlands.[17]

 

Johannes de Doper noemt Jezus in het evangelie van deze dag "lam van God". "Daar is het lam van God" zegt hij. Dat woord, 'lam', en het beeld dat het oproept, herinneren ons meteen aan "het lam dat ter slachtbank wordt geleid" zoals Jesaja daar elders in zijn profetieën over spreekt.[18]  En het herinnert aan de bok die op symbolische wijze beladen met de zonde van het hele volk op de Grote Verzoendag de woestijn werd ingejaagd.[19] En het herinnert aan het lam dat haastig werd gegeten op de avond van het vertrek uit de slavernij in Egypte, voordat men de zee in zou gaan, daar doorheen zou gaan.[20] En die zeeërvaring komt dan weer terug in de doop die Johannes toedient om daarmee de Zoon van God te kunnen identificeren, om daardoor te kunnen vaststellen wie die Zoon is. Want: "Als je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten, dan weet je: Hij is degene die doopt in Heilige Geest." En

 

"Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken van de aarde" zegt Jesaja - en precies dat is wat er gebeurd is met, in en door Jezus wiens leven, gekruisigd, zo vergeefs en mislukt leek te zijn geëindigd. Maar zo was en zo is het niet veelgeliefden. Nee, integendeel. Juist in en door onze ervaringen van vergeefsheid, mislukking en kruis heen, kan God in ons leven, bij ons van binnen, in hart en geest, en zich des te sterker doen gelden. Juist dan steekt Hij in de gekruisigde Jezus Zijn hand naar ons uit. Mogen wij in staat zijn om het te geloven en het mogen ervaren. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                 

op 8 januari 2017, hoogfeest van de Openbaring des Heren ('Driekoningen') in de kerk van Onze Lieve vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (60, 1-6), Psalm 72 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze (3, 2-3a.5-6) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs (2, 1-12).

 

"Stralender dan stralend!" Zό karakteriseerde één van ons, dierbare parochianen en gasten, zό karakteriseerde een koorlid de kerstnachtviering hier in onze kerk. Ik was daar niet bij. Maar ik heb de tekst van de sublieme verkondiging door mijn ambtsbroeder pater Frans Vervooren gelezen. Lekker kort! En het koor heb ik de volgende dag gehoord, op Eerste Kerstdag. Geweldig! Dus inderdaad: Stralender dan stralend.

 

Vandaag, op dit hoogfeest van de Openbaring des Heren, Epifanie, dat vanouds ook Driekoningen wordt genoemd, vandaag wordt er in verband met al dat stralen nog een tandje bíjgezet. Want vandaag verschijnen de "wijzen uit het oosten" ten tonele, de drie koningen bereiken de stal of liever gezegd: "het huis" - want dát is wat er in de Mattheüs-tekst staat. Vandaag verschijnen die raadselachtige wijzen en vandaag verschijnt om te beginnen die ster waardoor zij magisch worden aangetrokken. En de vraag is natuurlijk: Kunnen wij ervaren wat zij hebben ervaren? 

 

We asked for signs. The signs were sent. In de kerstnacht citeerde pater Frans Vervooren de pasgestorven Leonard Cohen: "We vroegen om tekens. (En) tekens werden ons gezonden." En dat teken waar we naar verlangden en dat we kregen was dus en is dus vandaag die stér.

 

                                   Ik zag vanavond voor het eerst een ster.

                                   Hij stond alleen, hij trilde niet.

                                   Ik was vanavond ineens van hem doordrongen,

                                   ik zag een ster, hij stond alleen,

                                   hij was van licht, hij leek zo jong en

                                   van vόόr verdriet.

                                                                                   (Maria Vasalis)[21]

           

Waarom een ster? In die ontelbare kleine lichten aan de nachtelijke hemel herkennen wij wellicht het zuivere, oorspronkelijke licht, van inderdaad: vόόr verdriet, in elk van ons, in elk mensenkind. En temidden van al die sterren valt Jezus' licht speciaal op. Zijn ster wekt de interesse van de wijzen en houdt voor hen een belofte in. Zij herkennen in die ster iemand die ons geven kan wat niemand andersgeven kan. Jezus' ster springt er uit, letterlijk: hij gaat aan de wandel en de wijzen gaan er achteraan.

 

In één adem noemde pater Frans in de kerstnacht Bethlehem, Berlijn, Aleppo én Amsterdam. 'Nacht' is het symbool van alles wat jammer, wat slecht, wat verschrikkelijk is op aarde. "Niet voor niets", zei Frans, "staat er in het lijdensverhaal van Jezus volgens Johannes op het moment dat Judas van tafel opstaat: 'Het was nacht'. Iemand verraden is nacht. En terreur is nacht. "Duisternis bedekt de aarde, donker de volkeren" klonk het ook vandaag in de eerste lezing uit het boek van de profeet Jesaja. De nacht van Kerstmis staat voor de nachtzijde van het bestaan op aarde. En midden in die nacht is het Kind in de kribbe de grote bron van licht en hoop. En Zijn ster wijst daarheen de weg.

 

Intussen zijn wij nu bijeen in het volle licht. En vol van licht was met name ook onze eerste lezing vandaag, die van Jesaja: "Sta op, laat het licht u beschijnen, Jeruzalem, want de Zon gaat over u op en de glorie van de Heer begint over u te schijnen. (...) Volkeren komen af op uw licht, koningen op de luister van uw dageraad." Maar scherp daarmee in contrast staat wat we in het evangélie hoorden over datzelfde Jeruzalem. Jeruzalem láát zich niet zo gemakkelijk beschijnen blijkt daar. De wijzen komen er heel argeloos aan. Onbekommerd informeren ze naar de pasgeboren koning van de joden. Maar die vraag slaat in als een bom - al houdt misschien iedereen zijn en haar gezicht in de plooi. "Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem." Jeruzalem in last. Deskundigen worden er bijgehaald en die geven feilloos het goede antwoord op de vraag van de wijzen: In Bethlehem moeten ze zijn. Die deskundigen kennen de bijbel van buiten, maar ik ben bang, veelgeliefden, dat het slechts 'geloofskennis' is: kennis van het hoofd, maar niet van het hart. Het is kennis die niet echt is ingedaald en die de mensen in feite worst is en koud laat. Waar het om gaat, om Wie het gaat, houdt ze niet echt bezig. Waarover praten wij onderling, ook in kerkelijk verband? Hebben we het ooit over Hem, over de Heer? Nou ja, praatjes vullen geen gaatjes zult u zeggen. Als je maar een goed mens bent. En zijn wij dat dan, u en ik? Wat zijn onze manieren? Hoe gaan wij met elkaar en allerlei mensen om? Heeft die omgang de kwaliteit van de Heer? Het is maar een vraag...

 

Bij Jesaja was alles licht vandaag. Maar te Jeruzalem wil het maar moeilijk doordringen. En hoe is dat bij ons? Ja, het was hier stralend in de kerstnacht, stralender dan stralend, en ook nu. Maar... veelgeliefden, is dat stralende alleen iets van de buitenkant? Of zit het ook bij ons van binnen? Bij die mevrouw, die van dat "stralender dan stralend" denk ik wel. Ik meende het in en bij haar te zien. Hoe zit dat met het licht bij u, bij jou, bij mij van binnen?

 

Een érg duistere figuur vandaag is koning Herodes. Hij is de baas, zit op het pluche en dat wil hij graag zo houden. Zulke figuren kennen wij. Krampachtig houdt Herodes vast aan zijn macht. Maar hij voelt zich gauw bedreigd - nu door een zuigeling nota bene. Het is om te lachen en het is om te huilen. Herodes "ontbood in het geheim de wijzen" hoorden wij. En dat "in het geheim", daar is iets mee. We komen daarmee in de sfeer van het stiekeme, in de sfeer van het 'niet verder vertellen hoor', in de sfeer van achterbaks gedoe en onfris geregel. Nacht! Uit de mond van Herodes, veelgeliefden, komt dan vervolgens een werkelijk bloedstollende zin, een zin waarbij je de rillingen over de rug lopen. "Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan opdat ook ik het hulde kan gaan brengen." Hij spreekt poeslief, Herodes, maar onderhand... zéér onwaarachtig. Ook wij kunnen dat meemaken: dat mensen waar je bij bent, in je gezicht, vriendelijk en aardig zijn, maar intussen... Hoe wordt er over je gesproken zodra je je hielen gelicht hebt? In bepaalde situaties, bij bepaalde mensen kun je soms aan je theewater voelen dat het niet klopt en dat men heel andere gevoelens, gedachten en intenties heeft, die jíj niet te horen krijgt. Voelen de wijzen het ook aan hun theewater? Het zou zomaar kunnen. Er staat: "Na de koning aangehoord te hebben vertrokken zij." Dat "aangehoord" - Je ziet ze verstrakken, de wijzen.

 

"En zie", we hienee in het Hebreeuws, "de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het kind zich bevond stil bleef staan." Opnieuw de vraag: Door welke ster, door welk licht, word jij als door een magneet getrokken? Waar en hoe komen jij en dat licht bij elkaar? Kun jij rusten in dat licht? En kan dat licht rusten in jou? Heb jij zo'n ster, zo'n licht in je leven? Wat is het? Wie is het? Is het Jezus of iemand of iets anders? Heeft jouw passie 'Jezus-kwaliteit'? Zit Híj er in? "Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde". Hoe vreugdevol kun jij zijn? Geeft waar jij 'het' in probeert te vinden in jouw leven, geeft dat jou vreugde? Opnieuw: Heeft het Jezus-kwaliteit? Zit Hij er in?

 

"In een droom van godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij", de wijzen, "langs een andere weg naar hun land." Dat laatste! Waar is jouw land? Waar ben jij thuis? Wat is jouw basis? Daar doe je het toch voor? De ontmoeting met de pasgeboren Jezus heeft de wijzen verrijkt. In materiële zin zijn ze een stuk lichter geworden. Hun goud, wierook en mirre hebben ze achtergelaten. "Veel kun je niet menemen op reis en veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren. Goud van de liefde, wierook van het verlangen, mirre van de pijn heb je altijd bij je. Hij zal het aanvaarden" - woorden van de grote theoloog Karl Rahner die pastor Martin Schneeberger dit jaar op zijn kerst- en nieuwjaarswens liet drukken. "Veel raak je onderweg kwijt. Laat het gebeuren." En zo is het. De Nederlandse worstverkoper op de kerstmarkt in Berlijn hield het na de aanslag daar voor gezien vertelde pater Frans in de kerstnacht. "Zo hoeft het voor mij niet meer" had hij gezegd. En zo is het veelgeliefden. Als je hart, als God, het je ingeeft, door een droom of anderzins, dan mag je rustig, of dan moet je wel, afstand nemen van waar en bij wie het niet pluis is en het niet deugt. Maar laat Hem, Jezus, Zijn licht, in je zijn, altijd, overal. Volg Zijn ster. Ga er achteraan, ook in 2017. Word zélf: strálender dan stralend. Amen. Zalig Nieuwjaar.

 

Verkondiging

 

Op de Tweede Kerstdag 2016   -Ton van Hal

 

Dat zijn allemaal behoorlijk nare dingen die Jezus zijn leerlingen in het vooruitzicht stelt. Zij zullen zijn leer gaan verkondigen maar dat zal niet zonder slag of stoot gaan. Dat zien we al meteen met Stefanus die dus uiteindelijk gestenigd werd. “Maar wie stand houdt tot het einde zal worden gered”. Dat zegt Jezus er ook bij.  In vers 55 van Mt (dat we vandaag niet hoorden) staat het: Maar hij (Stefanus), vol van de heilige geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Gods rechterhand. Stefanus zag de hemel open.

Jezus, die we gisteren nog als weerloos baby’tje in het kribje zagen liggen is volwassen geworden.   De romantiek van gisteren tegenover de harde realiteit van wat Jezus kwam doen in de wereld.

Het gaat vandaag over weerstand. Jezus voorzegt de grote weerstand die de apostelen zullen gaan ondervinden, Hij spreekt over weerstand tussen ouders en kinderen. Weerstand die zich zal gaan vertalen in rechtszaken en ernstige agressie. Maar ook horen we vandaag dus over “de hemel open zien” als je niet buigt voor de weerstand. Het gaat daarbij  over hoofd- en bijzaken.

Ik zal het hebben over Stefanus, Maarten Luther, Paus Franciscus en Steffi de Pous.

We hoorden van Stefanus die ernstige weerstand opriep door de mensen erop aan te spreken hoe verkeerd ze bezig waren met hun geloof. Dat ze de profeten niet eerden en ze zelfs gedood hadden (Jezus ook). Dat ze teveel met uiterlijkheden bezig waren, met allerlei bijzaken.   Dat hoorden de mensen niet graag, met name niet toen Stefanus de heilige tempel van Salomo relativeerde. “De allerhoogste rechter woont niet in wat men met mensenhanden maakt, want “De hemel is mij een troon en de aarde een voetbank voor mijn voeten”.  Ze stopten hun oren dicht om het verder maar niet meer te hoeven aanhoren.

Ik kom eerst even op iets anders. Volgende week is het 2017 en dus het jaar waarin Maarten Luther 500 jaar geleden zijn 95 stellingen publiceerde. Ook Luther had, net als Stefanus 1500 jaar daarvoor, ernstige kritiek op de wetten en gebruiken van de kerk in die dagen en ook hij ontmoette harde weerstand. Luthers belangrijkste theologische geschilpunt met de Kerk ging over de genadeleer (krijgen we die “om niet” van God geschonken of  kunnen wij die ook verdienen door goede werken?)  Maar Luther keerde zich ook fel tegen de praktijk van de zgn aflaatbrieven. Die konden mensen kopen bij wijze van penitentie na de biecht. Luister hoe dat ging daar in Sachsen.

Albrecht van Brandenburg was op 23-jarige leeftijd (1513) aartsbisschop van Maagdenburg en  Halberstadt. Een jaar later werd hij als keurvorst en aartsbisschop van Mainz voorgedragen, mede omdat Albrecht beloofd had de door Mainz te betalen kerkelijke belastingen  voor zijn rekening te nemen. Maar Albrecht bezat dus al de bisschoppelijke zetels van Maagdenburg en Halberstadt. Dit was in strijd met de kerkelijke wet Maar de curie was zo goed hem dispensatie te verlenen tegen 10.000 dukaten. Samen met de belastinggelden van Mainz (14.000 dukaten) moest Albrecht nog 24.000 dukaten hebben, waarvoor hij 29.000 Rijnlandse goudgulden leende bij de bank in Augsburg. Hij moest dit geld bij elkaar brengen door zich gedurende acht jaar te belasten met de prediking van de aflaat en de verzameling van de opbrengsten uit de verkoop ervan voor de Sint Pieterskerk, waarvan hij de helft mocht houden.

Ook Luther die zich hiertegen natuurlijk terecht verzette (daarover kunnen we het nu wel eens zijn denk ik) , ook Luther ontmoette weerstand : Hij moest zijn kritiek bekopen, wel niet met steniging, maar wel met excommunicatie en de zgn Rijksban. Hij moest onderduiken in de Wartburg in Eisenach.

De heilige tempel van Salomo, de Sint Pieter in Rome: dat zijn niet de hoofdzaken.

Ik denk (in alle bescheidenheid uiteraard) dat wat vandaag bedoeld wordt is:

Trouw zijn aan God is belangrijker dan trouw aan  al het andere, inclusief gebruiken in de kerk, ja, misschien wel dan de hele kerk. Trouw zijn aan God is uiteindelijk  belangrijker dan trouw zijn aan je familie, aan je vrienden. Wat is Hoofdzaak en wat zijn bijzaken ?

Hoe ben je dan trouw aan God?  Door trouw te zijn aan de onbaatzuchtige Liefde (met een hoofdletter) , aan de Waarheid (ook met een hoofdletter, maar ik bedoel niet de krant), en aan wat het Evangelie ons leert. Tel uit je winst? Ja, dat is pure winst. Dan kun je  de hemel open zien, als Stefanus (en Jezus aan het einde). Dan zie je de Hoofdzaak en niet al die talloze bijzaken die ons zo bezig houden. Dat is denk ik de eenvoudige, maar verrekte moeilijke boodschap vandaag.

Tot besluit nog twee teksten. Eentje van  onze Paus (met au) en een van Steffi de Pous (met ou).

De tekst van paus Franciscus vond ik opmerkelijk als je die legt naast het optreden  van Stefanus       In 2014 gaf de paus “tien tips om gelukkig te worden”. Een daarvan:

Probeer niet mensen te bekeren tot je eigen mening. We kunnen anderen inspireren door op zo’n manier te getuigen dat je samen groeit in onderlinge communicatie. Maar het ergste van alles is religieuze bekeringsdrang, die verlammend werkt. “Ik praat met jou om je te overtuigen”. Nee, de gesprekspartners moeten in dialoog zijn met elkaar, ieder vanuit zijn/haar eigen identiteit. De kerk groeit door haar aantrekkingskracht, niet door bekeringsdrang. (einde citaat).

Van de week zag ik op tv een reportage over Steffi de Pous (met ou dus) Een prachtige jonge vrouw die Amsterdam verruilde voor Lesbos om daar de vluchtelingen te helpen en op die manier (zo werd gezegd) haar grote geluk vond. “Dat is raar he”, zei ze, “dat je door mensen die het veel slechter hebben te helpen, dat je daar dan toch gelukkig van wordt.” 

Dat is helemaal niet zo raar, volgens Jezus: Wie tot het einde stand houdt zal gered worden. Die ziet de hemel open.

Ik dacht: nog maar de helft van de Nederlanders rekent zich tot een religieuze gemeenschap. Maar als die andere helft nou uit allemaal Steffies de Pous zou bestaan, zou dat dan erg zijn ?

En wij? Wij zijn wel de hard-core katholieken die zelfs op 2e kerstdag naar de mis komen, maar we zijn geen Stefanus, geen Maarten Luther en misschien ook geen Steffi de Pous.

Misschien kunnen we. Als we toch goede voornemens maken voor 2017, eens nagaan wat voor ons nou hoofdzaken en wat eigenlijk toch maar bijzaken zijn in het leven. Misschien leidt dat wel tot een paar pijnlijke ontdekkingen, maar het kan je ook helpen om de hemel een stukje open te zien gaan.

AMEN

                                                                                                                                    

Verkondiging

 

in de Kerstnacht van 2016 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit de profeet Jesaja (9, 1-6), uit de brief van de heilige apostel Paulus aan Titus (2, 11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (2, 1-14).

 

Ergens twee hoog in de Rivierenbuurt: oma, aan huis gebonden, haar dochter en haar kleindochter. Een paar weken voor Kerst, op een avond, bezoek ik hen. Zij hebben mij voor het eten gevraagd. In een hoek van de huiskamer staat de t.v. Die staat aan, gedurende heel mijn bezoek. De ontvangst van de Syrische televisie, midden in Amsterdam, is haarscherp. Wat een wonder is zoiets toch. Hoe is het mogelijk! Van wat er allemaal gezegd wordt versta ik natuurlijk niets. Maar de beelden spreken een eigen taal. Vooral zie ik met regelmaat rookpluimen opstijgen uit woonwijken. Weer een beschieting. Weer een bom...

 

Op een gegeven moment zie ik: juichende, uitzinnige mensen. Het is in Aleppo. Ik vraag: waarom is dat? De kleindochter, die spreekt al goed Nederlands, zegt: Ze zijn blij, want ze zijn bevrijd. Waarvan? Van wie? Van I.S? Van 'de rebellen'? Het wordt me niet helemaal

duidelijk. De kleindochter zegt: "Mensen gaan af op het kleinste beetje licht..." - Die woorden hakken er bij mij in. En ze blijven hangen. Ik denk: natuurlijk is dat zo. Mensen in nood klampen zich vast aan elke strohalm, aan elk sprankje hoop, aan elk licht - ook al is dat licht een vals licht eventueel. Want Assad die gesteund door Poetin de I.S. of de 'de rebellen' verdrijft of verslaat, dat is natuurlijk de duivel met beëlzebub uitdrijven - als u die uitdrukking nog kent en verstaat... 

 

Hoe is het gesteld, dierbare gasten en parochianen; hoe is het gesteld met het licht in ons, in uw, in jouw, in mijn leven? Wat, wie is licht voor jou? Op wat, op wie ga je af? Door wat, door wie laat jij je leiden? Waarop, op wie koers je en vaar je eventueel blind zelfs. Ik denk: ten diepste en uiteindelijk zijn het nooit dingen en denkbeelden die jouw licht zijn, maar wel: mensen, of: een mens. Wie vertrouw jij? Wie vertrouw je werkelijk? Wie is je vertrouwen waard? Wie beliegt, wie bedriegt je niet? In wie is werkelijk licht? - geen vals licht, maar: echt licht, het ware licht. Wie ís, wie zijn er werkelijk voor jou als je in nood bent, als je op reis bent, ver van huis, als je bezittingen achter je hebt moeten laten, je veilige huis, je geboortegrond, je eigen cultuur, je eigen taalgebied, je eigen middelen van bestaan, je beroep? Wie is er dan voor jou? Wie is dan licht?

 

Op 22 juni van dit aflopende jaar mocht ik op het Sint-Pietersplein in Rome aanwezig zijn bij de woensdagse audiëntie van paus Franciscus en heb ik hem na afloop daarvan ook enkele minuten persoonlijk gesproken - wat een prachtige, fantastische, onvergetelijke, dipe-bevredigende ervaring was. Want heel warm hield paus Franciscus mijn hand vast en legde hij zijn andere hand op mijn onderarm, temidden van al die duizenden mensen heeft hij heel aandachtig naar mij geluisterd en tenslotte sprak hij enkele heel goede woorden waaruit bleek dat hij mij heel goed begrepen had. De paus kwam die dag op in het gezelschap van een heel stel jonge zwarte mannen in T-shirts en slobberbroeken. "Ja", zei de paus: "jullie zien: ik heb vandaag die jongens bij me... Er zijn allerlei mensen die zeggen: Ze hadden beter kunnen blijven in hun eigen land, waar ze vandaan komen. Maar ja," zei de paus, "daar hadden ze zo te lijden. En daarom zijn ze nu hier. Zij zijn nu onze vluchtelingen." Hij zei: "Een christen heeft altijd voor iedereen plaats." "Per favore, siamo fratelli... Alsjeblieft mensen... we zijn broeders en zusters... !" Dat zei de paus.

 

Super-eenvoudige woorden die wat mij betreft allemaal midden in de roos waren. Ware woorden, van veertien karaats goud, gesproken vanuit de pure Geest van het Evangelie. Maar ja veelgeliefden: natuurlijk ook woorden die erg confronterend zijn, woorden die ons voor allerlei problemen kunnen stellen, woorden die binnen de concreetheid van ons samenleven in Nederland en Amsterdam niet zo gemakkelijk zijn om te leven, om er consequenties aan te verbinden, om er uitvoering aan te geven.

 

Een tijd lang al doolt er door onze stad een groep mannen die elkaar hebben gevonden in het kader van een groep die zichzelf We Are Here - 'Wij zijn hier' noemt. Het zijn wat de Vlamingen wel 'Zandafrikanen' noemen, uit Noord-Afrika, én 'Brousseafrikanen', van onder de Sahara, uit de oerwoudgebieden. Mensen in een verduiveld moeilijke positie zijn het. Ze hebben hier in Nederland geen verblijfsgrond en -status. Ze moeten weg van onze overheid, terug. Maar ze willen niet terug. Ze werken niet mee aan terugkeer. En ze zijn ook moeilijk of zelfs niet-uitzetbaar zoals dat heet. Dus ja, wat moet dat dan? Wat moeten we er mee, als Nederland, als Amsterdam? En wat moeten we ermee als christenen? - de woorden van paus Franciscus indachtig...

 

Ik denk, veelgeliefden: Het bewaken van de staatsgrenzen, de toegang tot Nederland, wie hier mogen zijn: over dat alles gaat onze overheid die wij met z'n allen hebben gekozen en gemandateerd. Wij kunnen er wel een mening over hebben, maar het is niet onze eigen directe verantwoordelijkheid. Als christenen hebben wij wel een andere, directe verantwoordelijkheid: die voor God. Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen - in de titel van dat liedje van Thé Lau, ik denk: daarin heeft Gods Geest, die van Jezus, zich behoorlijk goed uitgedrukt, - met dien verstande dat wij als christenen wel ín de wereld zijn, maar niet ván de wereld' zijn, want όns vaderland is in de hemel - zoals de apostel Paulus in zijn brief aan de Filippenzen schrijft (3, 20).

 

En toch veelgeliefden, in de alledaagse praktijk van het kerk-zijn is dit toch allemaal niet zo vanzelfsprekend en gemakkelijk, maar eerder: lastig. Vrijdagmiddag een week terug streek die 'Wij zijn hier'-groep neer op όns kerkplein. En toen maakten wij als kerkgemeenschap het not in my backyard-mechanisme ('niet in míjn achtertuin', voortuin dan in ons geval) toch even behoorlijk heftig mee zo moest ik constateren. Seinen gingen op rood, sommigen sloegen zelfs op tilt. Moet u zich voorstellen: die kleine troep arme sloebers, have-nots op het plein, drie ontzettende aardige politiemannen die de entree van de kerk bewaken - en boven hun hoofd: dat spandoek met een foto van de paus en de pastoor waar met grote letters 'welkom' onder staat. Het was even onze wereld in een notendop vond ik. Iemand schreef na afloop, bozig: "Dit heeft veel mensen binnen de kerk (...) zeer veel tijd gekost in een periode dat wij dat niet kunnen hebben." Nee, veelgeliefden: want er moest Kerstmis gevierd gaan worden en dat brengt veel drukte met zich mee, thuis en in de kerk.

 

Ja... maar waar wat vieren we dan eigenlijk met Kerstmis? Waar gaat het om? Om wie gaat het? De vraag hier en nu stellen, veelgeliefden, dat is een open deur intrappen, dat is die vraag ook beantwoorden. Iedereen weet het, maar iedereen kan ook de neiging hebben om er voor weg te duiken: voor Hem, voor hen voor wie geen plaats was en is in de herberg. Jezus is het ware licht, het licht der wereld. In Hem verschijnt de heerlijkheid van onze grote God en redder - om met de brief van Paulus aan Titus te spreken. Jezus, het kind in de kribbe, belijden wij. Wij beweren in Hem te geloven. Wij proberen dat te doen. Maar Hem en Zijn woorden echt dichtbij je laten komen, in je hart, dat is moeilijk, dat durven we vaak niet goed, want: Hij daagt ons uit. Hij vraagt wat van ons. Hij wil wat van ons. "Ik was vreemdeling en jullie hebben me opgenomen" zal Jezus als volwassen man zeggen.[22] "Hoezo dan?" vragen de mensen. "Alles wat je voor de armste van mijn broeders en zusters hebt gedaan, dat heb je voor mij gedaan...".

 

Maar... wij kunnen toch niet het leed van de hele wereld op ons nemen! Maar... wij kunnen toch niet iedereen opvangen! Zo is dat mensen. Inderdaad kunnen en hoeven wij niet de verantwoordelijkheid voor het leven van anderen niet van hen over te nemen. Dat kan niet. En zo werkt het niet. Het gáát echter niet om wat je niet kunt doen. Het gaat wél om wat jíj wél kunt doen. Wat heb ik zelf gedaan voor die mensen van 'Wij zijn hier'? Nou, ik heb ze allemaal een hand gegeven en in de ogen gekeken. Ik heb dat geprobeerd - om in hen Christus onder ogen te komen. Want in mensen zoals zij, in zulke omstandigheden wordt Hij zichtbaar, laat Hij zich zien. Ik moet u zeggen: toen en daar, in die omstandigheden, was het voor mij al genoeg en een hele ervaring. Meer was naar mijn aanvoelen op dat moment ook niet nodig. Meer werd niet gevraagd.

 

Wij leven, veelgeliefden, in een stroeve, een weerbarstige tijd die ons zeer op de proef stelt. Velen voelen zich bedreigd en zijn geneigd om in elke vreemdeling een potentiële terrorist te zien. En natuurlijk... terroristen bestaan, dat is wel duidelijk. Wat er afgelopen week weer in Berlijn is gebeurd, dat is verschrikkelijk. Maar voor ons mogen de belangrijkste vragen toch nooit zijn: Hoe houden we vreemdelingen buiten het land, buiten de deur, van 't ljjf. Voor ons zouden die belangrijkste vragen wel kunnen zijn: Hoe kunnen wij zelf voor mensen een licht zijn, Zijn licht? Hoe kunnen wij zelf ontwapenend en verbindend aanwezig zijn? Hoe winnen wij de harten? Hoe kunnen wij zό met mensen van andere culturen en godsdiensten omgaan dat wij hen inspireren en enthousiasmeren zodat men kan geen denken: dat christendom en die Jezus die er de bron van is, daar wil ik meer van weten, of zelfs: zo wil ook leven! Moge het vieren van Zijn geboorte geven dat Hij, Jezus, op zό'n manier in ons opnieuw geboren wordt. Amen. Zalig Kerstmis.

 

Verkondiging

 

Verkondiging op de 3e zondag van Advent, “Gaudete”, 11 december 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

Lezingen:            Mattheüs 11,2-11
                              Jesaja 35,1-6a.10. Psalm 146. Jakobus 5,7-10

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

Gaudete! Verheugt u! Want het duurt nog twee weken voordat het Kerstmis is. Is dat lang? Nou ja, lang; 336 uur. Zo’n getal zegt de meesten van ons helemaal niks. We leven in een tijd van de feiten, waarin bewijs en datgene wat we kunnen meten toonaangevend is. Maar als het gaat over ons eigen leven of over dingen waarop we betrokken zijn, blijkt dat onze interesse toch niet zozeer ligt in die feiten. Denk maar aan klimaatsverandering, verkiezingsuitslagen, de files, huiselijk geweld, werkloosheid, immigratie – noem maar op: de cijfers zijn voor-handen. Maar als we ermee geconfronteerd worden, laten we ons toch vooral leiden door ons gevoel. Verstandelijk wéten we hoeveel en hoe groot en hoe lang, maar wat dit in ons teweegbrengt, bepaalt veelal hoe we met deze gegevens omgaan. Feiten en ons gevoel erbij: de geleefde en de beleefde werkelijkheid. 336 uur duurt 336 uur. Maar sommigen vinden het lang, terwijl anderen vinden dat het snel gaat.

               In de Bijbel vinden we nog een derde manier van benaderen van de werkelijkheid: naast de feiten en ons gevoel erbij gaat het daar vooral om de betekenis. De tijd vóór de komst van de Heer mag nog uren weg zijn – God weet hoeveel – en in onze ogen is dat lang of kort, maar die tijd heeft ook betekenis en zij is ook ergens goed voor. Ik vind dit prachtig verwoord in een gedicht van T.S. Eliot. Hij kwam pas op zijn 32e tot geloof. Zeven jaar later, in 1934, verscheen zijn toneelstuk The Rock, De Rots. Een gedeelte hieruit (in eigen vertaling):

 

The endless cycle of idea and action,                                  De eindeloze kringloop van denken en doen,

Endless invention, endless experiment,                  eindeloos uitvinden, eindeloos onderzoek,

Brings knowledge of motion, but not of stillness;               brengt kennis van beweging, maar niet van het er zijn;

Knowledge of speech, but not of silence;                             kennis van het spreken, maar niet van de stilte;

Knowledge of words, and ignorance of the Word.             kennis van woorden en ňnwetendheid van het Woord.

All our knowledge brings us nearer to death,        Al onze kennis brengt ons dichter bij de dood,

But nearness to death no nearer to God.                              maar de nabijheid van de dood brengt ons niet dichter bij God.

Where is the Life we have lost in living?                Waar is het Leven dat we verloren door te leven?

Where is the wisdom we have lost in knowledge?              Waar is de wijsheid die wij verloren door onze kennis?

Where is the knowledge we have lost in information?      Waar is de kennis die wij verloren door informatie?

What life have you, if you have not life together?              Wat voor leven heb je, als je niet samen-leeft?

There is not life that is not in community,                             Er is geen leven dat niet in gemeenschap is,

And no community not lived in praise of GOD.      en er is geen gemeenschap zonder eer aan God.

And now you live dispersed on ribbon roads,        We wonen wijd verspreid langs bochtige wegen

And no man knows or cares who is his neighbor                 en niemand kent zijn buren of kan het schelen wie zij zijn,

Unless his neighbor makes too much disturbance,             tenzij zij te luidruchtig zijn.

But all dash to and fro in motor cars,                                   Allen scheuren wij maar wat heen en weer in onze auto,

Familiar with the roads and settled nowhere.       vertrouwd met de wegen en nergens thuis;

Much to cast down, much to build, much to restore          veel om af te breken, op te bouwen, te herstellen.

Oh my soul, be prepared for the coming of the Stranger.  O mijn ziel, bereid je voor op de komst van de Vreemdeling!

Be prepared for him who knows how to ask questions.    Bereid je voor op Degene die weet welke vragen gesteld

                                                                                         moeten worden.

There is one who remembers the way to your door:          Er is iemand die jouw deur weet te vinden.

Life you may evade, but Death you shall not.                     Je kunt ontkomen aan het leven, maar aan de dood niet.

You shall not deny the Stranger.                                            Gij zult de Vreemdeling niet tegenspreken.

 

In het Evangelie wordt ons aangezegd dat de tijd ons gegéven is: niet als een opeenvolging van seconden, niet als een lege huls, maar als een gelegenheid om ons voor te bereiden op de Ontmoeting met Degene Die komen zal [Mt 11,3]. Bekeer je! Keer je om en ga de beloofde Vreemdeling van Godswege tegemoet. T.S. Eliot schildert in 1934 al (!) het voor ons nog steeds herkenbare tafereel dat wij gewoon doorgaan met ons ‘eigen’ leven alsof er niks aan de hand is. “Ga aan Johannes vertellen over het goede dat je hoort en ziet” [Mt 11,4]. Maar ondertussen klampen ons vast aan de méétbare kennis, ook al weten we dat er veel meer is dan dat tussen hemel en aarde. We besteden onze tijd aan het zoeken naar een pil die ons geneest van de dood; we willen eeuwig leven. Maar in die razende zoektocht zijn wij onder-weg wel elkaar kwijtgeraakt; we leven in onze haastige drukte langs elkaar heen.

               Zo heeft menigeen zich ook van God vervreemd; wij herkennen Hem niet meer. Hij is te midden van ons een vreemdeling geworden [Joh 1,26 cf. Mt 25,40!]. Zó vreemd is Hij voor ons geworden, dat wij Hem zelfs niet herkennen als Hij naar ons toekomt [Adventus = komst: Lk 1,78] om ons te géven wat wij zoeken [Ap 3,20]. Want dŕt vieren we dadelijk met Kerstmis! Dat is wat wij in elke Eucharistie vieren! De vreugde en het geluk [Js 35,1-10] die wij menen zelf te moeten maken, hoeven we inderdaad alleen maar geduldig tegemoet te leven [Jak 5,7v], uit Zijn hand te ontvangen en door te geven aan onze buren, ook al kennen wij hen nog niet [Wie is mijn naaste: Lk 10,29]. Zo ontstaat gemeenschap en samen-leving.

               De ingezaaide akkers [Jak 5,7] liggen er op het eerste gezicht maar doods bij. De steppe zal bloeien, voorzegt de profeet Jesaja [Js 35,1]. Wie durft te vertrouwen op deze belofte van Godswege, zal nu al de tekenen zien die ons vandaag in het evangelie worden aangezegd: ogenschijnlijk zwakke mensen die van harte streven naar het goede leven op aarde, zijn niet te stoppen – tegen alle geweld en populisme in [Mt 11,5].

               Het gaat dus niet om de 336 uur, alsof we “alle tijd” hebben voor “de kerst”. Willen we de gegéven tijd aannemen om onze houding, gedachten, onze woorden en daden tegen het licht te houden, tegen het komende licht van Christus? Dan hoeven we onszelf niet langer voor de gek te houden en zullen wij de Vreemdeling herkennen Die in Gods Naam gekomen is. Net als Hij beseft dan ieder van ons welke vragen gesteld moeten worden.

               Op weg naar het Feest van de komst van de Vreemdeling realiseren wij ons dat feiten, gevoel en betekenis samenkomen in ons geloof, in onze hoop en in onze liefde: niet wereldvreemd, niet een ŕndere werkelijkheid, niet onredelijk, maar met hart en hoofd en handen – omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. God-dank! Amen.

 

Verkondiging

 

 

13 XI AD 2016

Lezingen: Mal.3: 19 t/m 20a, Ps.98, 2Tess.3: 7 t/m 12, Lc.21: 5 t/m 19

Jezus, dierbare parochianen, gasten en passanten  -  Jezus is overal en altijd. Misschien is dat de oorzaak dat het evangelie ook vanochtend weer helemaal van deze tijd is. Het klinkt in veel opzichten als een beschrijving van onze samenleving, zoals die er vandaag bij ligt. Hoewel Jezus ongetwijfeld ook de totale verwoesting van Jeruzalem voorspelt, enige tientallen jaren later na deze toespraak en inmiddels al weer bijna 2000 jaar geleden. De sporen daarvan zijn desondanks zelfs nu nog, onder de nieuwbouw, te zien. 

 

Voor te verwachten rampspoed waarschuwt Hij vaker. Vorig jaar op de derde zondag van advent, zondag Levavi, mocht ik ook al ingaan op zo’n aanzegging. Angst voor wat komen gaat is van alle tijden: ook vandaag zijn er doemdenkers onder ons.  Angst voor het ongewisse, of voor reële narigheid, allerlei onlustgevoelens hadden en hebben de samenleving in onrustbarende mate in hun greep.  Maar Jezus is geen doemdenker want Hij geeft een alternatief. Daar kom ik nog op terug.

 

Die tempel, waaraan de evangelist refereert  -  dat is de geest van onze tijd. Dat zijn wij zoals wij te vaak denken en handelen. Er wordt geklaagd en geroepen dat het zo slecht gaat   -   terwijl het nergens in de wereld zo goed is als in ons zwaar bevoorrechte noordwest Europa. O.-k.  -  wij leven niet in een paradijs, zoals Adam en Eva tot zij iets stoms deden en in de wereld van vandaag belandden. Veel mensen eten  bijvoorbeeld niet van de verboden boom maar van de voedselbank. Maar ik ben van 1935.

 

Ik heb nog weet van de terreur door de Duitse bezetters en de hongersnood in de winter van 1944. That was other cook, zou een Nederlandse voetbaltrainer zeggen. Inmiddels is dat ruim 70 jaar geleden, maar de oorlogen, waarvan de evangelist rept, vonden en vinden nog overal ter wereld plaats, zij het ver van ons bed. Wel komen zij steeds dichterbij. Vanaf het verre Oosten en Afrika is de  terreur inmiddels opgerukt tot Parijs en Brussel en Schiphol zou in the picture geweest zijn. 

 

En net als in de tijd van Jezus zijn er vele roeptoeters die ongehinderd door werkelijk inzicht beweren te weten wat zou moeten gebeuren. ‘’Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt’’ houdt Jezus ons voor.  Hoe actueel is dat vermaan in een tijd dat wij worden overspoeld door waarschuwingen door bijvoorbeeld politici die vooral bezig zijn zichzelf te profileren. ‘’Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.’’

 

Die taal, die wijsheid  -  dat is het evangelie, het Woord van Jezus. Leven vanuit dat Woord  -  het zal niet altijd gemakkelijk zijn; dat zegt Jezus duidelijk. Er kan ons een hoop ellende overkomen als wij handelen naar Zijn Woord.  Lijden zal ons deel zijn. Willen wij dat ?   ‘’Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.’’  Impliciet zegt Jezus eigenlijk ook wat onder anderen Angela Merkel ons voorhield: onze christelijke traditie moet sterk genoeg zijn om eventuele beproevingen, als die er al zijn, om zulk lijden aan te kunnen.

 

Hopelijk zal dat lijden geen lijden zijn zoals ons vorige week zondag in de 1e schriftlezing uit het boek Makkabeeën werd opgedist; dat was wel erg heftig.   En wij, nu, vandaag ?  Maken wij ons nu zorgen over de verkiezing van een typisch Amerikaanse patser tot president van die zieke schurkenstaat aan de verkeerde kant van de grote haringvijver ?   In plaats van te vertrouwen op Gods voorzienigheid ? 

 

 * * *

 

Dat alternatief van Jezus: toen ik deze schriftlezingen op mij liet inwerken  -  toen moest ik denken aan gesprekken, die ik een tijd geleden voerde met nonnen uit Sierra Leone, waar toen een hevige burgeroorlog woedde. Zij maken deel uit van een in de 19e eeuw in Frankrijk gestichte congregatie, de Filles de Jesus, de dochters van Jezus en ik ontmoette hen in het hoofdklooster van die congregatie in zuidwest Frankrijk.

 

Jonge vrouwen, iets ouder dan 20, bloedmooi en ondanks hun leeftijd al ongewoon vakbekwame verpleegkundigen. Ik vroeg hun of zij niet bang waren terug te gaan naar hun door de burgeroorlog geteisterde land, want ook in dat deel van de wereld gaat oorlog gepaard met moord, marteling, verkrachting, kortom gruwelen waarvan wij ons in dit gezegende deel van de wereld maar moeilijk een voorstelling kunnen maken.

 

De nonnen uit Sierra Leone gingen vol vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid terug naar dat levensgevaarlijke gebied. Een vertrouwen dat mij diep ontroerde, vervulde van bewondering maar mij ook aan het denken zette.  Hoe zit dat bij mijzelf ?  Evenaar ik dat gigantische vertrouwen in God de Vader ?  Twijfel ik daar nooit aan ?  Durf ik het risico aan, dat lijden mijn deel is ?  Hoewel : een beetje lijden, met een lange ij  -  hoort dat niet bij het leven ?

 

Je zou je zelfs kunnen afvragen of zelfs zulk lijden misschien een soort godsgeschenk is, dat Hij, dat God je meegeeft om scherp, om bij de les te blijven. Intussen is het ver van mij om dat lijden te zien als een straf van God voor menselijk falen, want God, de vader van Jezus Christus, is een God van liefde, niet van wraak.  Wraakzuchtige godsbeelden zijn voorbehouden aan andere religies.

 

Lijden kan geen straf zijn want zo veel onschuldige mensen lijden terwijl aan de schurken die dat lijden veroorzaken een comfortabel leven vergund is. Ik noem geen voorbeelden. Die kan u zelf bedenken en bovendien houdt Jezus ons voor: oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt*.  Met het opgeheven vingertje wijzen naar de ander  -  dat is te gemakkelijk.

 

Maar als dat vertrouwen in onze God nu niet gehonoreerd wordt  -  dat kan schuren. Een tijd geleden las ik in het weekblad Vrij Nederland een stukje waarin de vraag gesteld werd ‘’Wat gebeurt er als God in rampzalige tijden niet thuis geeft ?’’  Om vervolgens te schrijven:  ‘’Als het goed gaat is God     overbodig’’. En verder ‘’Zo ziet men God wel als de oorzaak van het slechte maar niet van het goede, waarvan (van dat laatste dus) men zichzelf als de oorzaak ziet’’. 

 

Kijk: dat is de zaak op zijn kop.  Wanneer je alleen met God bezig bent wanneer je in de merode zit  -  ik denk dat je dan op een verkeerd spoor bent beland. Neem dan een voorbeeld aan Job, die weigert zijn Godsvertrouwen opzij te zetten wanneer alles, maar ook werkelijk alles faliekant mis gaat. En als hij dan klaagt  -  dan geeft God hem er nog van langs ook. Maar toen het hem goed ging  -  toen heeft hij van zijn dankbaarheid optimaal laten blijken. Terecht.

 

Als ik uit eigen ervaring mag spreken: God ervaar ik meestal als heel dichtbij tijdens mijn gelukkigste momenten. Dat kan bij een prachtige zonsopgang in de vrije natuur zijn, of bij het beluisteren van de Mattheus Passie, of bij het ontvangen van het Lichaam van Christus, zo dadelijk  -  en zo kan ik nog wel even doorgaan. Vaak komt God langs in situaties die ik niet begrijp, of die ik nauwelijks kan bevatten. Dat zijn heerlijke ogenblikken.

 

Op zulke momenten zou ik die psalm van vanochtend uit volle borst willen zingen, maar heb ik de tekst niet bij de hand. Hoeft ook niet van Onze Lieve Heer. Ik sta dan wel stil bij die woordenvan de profeet Maleachi: ‘’gaat dan de zon van de gerechtigheid op, die met haar vleugels gerechtigheid brengt’’.  Jammer dat de regel, die er op volgt, vanochtend niet gelezen werd: ‘’Dan zult u dansend naar buiten komen, als kalveren, die op stal hebben gestaan.’’.

 

Op stal staan  -  ook mij overkomt dat, dat ik God even of zelfs langdurig uit mijn leven verban, of er overkomen mij rampen, waarbij alles helemaal mis gaat, meestal door mijn eigen stomme schuld, de paniek toeslaat, ik verval in schietgebedjes en ik hoop dat het goed komt. Want als het vertrouwen tekort schiet  -  wat dan overblijft is  hoop.  Hoop is gemakkelijker op te brengen dan blind vertrouwen. Hoop  -  dat wil zeggen: zal het morgen beter gaan ?  Eigenlijk valt het nu al mee.

 

Er is een gezegde: hoop doet leven.  Niet voor niets sluit de H.  apostel Paulus zijn loflied op de christelijke liefde, de aghape, in de brief aan de parochie in Korinthe af met de woorden geloof, hoop en liefde; maar de liefde is het voornaamste **.  O.-k, de liefde is het belangrijkst, maar op twee staat de hoop. Hopen dat het goed komt. Maar als ook dat geen uitkomst biedt ?

 

De H. apostel Paulus geeft in zijn 2e brief aan de parochie van Thessaloniki als recept hard werken: ‘’iemand die niet wil werken, zal ook niet eten’’.  Een wel heel simpele oplossing misschien, maar ergens sluit het toch wel aan bij het alternatief, dat Jezus geeft in Zijn homilie in de tempel: ‘’Als u volhardt, zult u uw leven winnen.’’.  Hoop doet leven. En volharden, al dan niet denkend aan die nonnen uit Sierra Leone  -  dat kan verdraaid moeilijk zijn, maar toch is het uiteindelijk de laatste mogelijkheid om uit de sores te komen: blijven hopen, lieve mensen, de hoop niet verliezen.  Zo zij het, amen.

 

Leo Jacobs ofs, 13 november AD 2016.                                                                   

 

*Mt 7: 1, Lc 6: 37, 1 Kor 4: 5

** 1Kor 13: 13b

 

Verkondiging

 

 

Vandaag moet ik bij jou zijn

Lucas 19: 1-10.

Zondag 30 oktober 2016. Door: Marco Voorhuis

‘Vandaag moet ik bij jou zijn.’ Met die woorden richt Jezus zich tot Zacheüs, de kleine oppertollenaar. Zacheüs was iemand die je naar onze maatstaven zou bestempelen als fout. Goed fout. Hij was chef van de belastingdienst, een instelling die destijds niet uit heel fijnzinnige types bestond. Het interesseerde de Romeinen niet hoe het geld van de Joodse bevolking binnenkwam, áls het maar binnenkwam. Daarvoor werden de tollenaars ingeschakeld. Bedreiging, corruptie en afpersing waren aan de orde van de dag. Zacheüs moet een harde man zijn geweest, die de wind er goed onderhad. De mensen zullen bang voor hem zijn geweest.

Jezus komt aan in Jericho. In plaats van zijn neus op te halen voor die timmermanszoon die de volksmassa op de been krijgt en lekker thuis te blijven, doet Zacheüs juist moeite om Jezus te zien. Er moet iets geweest zijn in de persoon van Jezus, wat de nieuwsgierigheid van Zacheüs wekte. Waarom? Was er bij Zacheüs iets van rusteloosheid? Iets knagends? Realiseerde hij zich dat er zaken in zijn leven niet klopten? Zacheüs wil Jezus zien. Zacheüs gaat zelfs zo ver dat hij – waarschijnlijk toch een van de rijkste en waardigste inwoners van die grote stad-  in een boom klimt. Iets wat hoogwaardigheidsbekleders niet snel deden in die dagen – en ook niet in de onze.

Dan gebeurt er iets wonderlijks. Jezus stopt en spreekt hem aan. Kent zelfs zijn naam. ‘Zacheüs, vandaag moet ik in jouw huis te gast zijn’. Wat er daarna precies gebeurt, is door de evangelist maar heel kernachtig omschreven: Zacheüs ontvangt Jezus met vreugde en verklaart dat hij afstand doet van een groot deel van zijn vermogen.

Zacheüs is veranderd. Er is iets in zijn innerlijk gebeurd. Hij heeft een nieuwe identiteit. Hij voelt zich bevrijd. Zo vrij zelfs, dat hij heel veel geld weggeeft. Laten we eerlijk zijn: je moet je wel heel erg bevrijd voelen om zoiets te doen.

Het verhaal van Zacheüs is een verhaal van bekering, van verandering, van een nieuwe stap zetten, zoals we die veel in de Bijbel kunnen vinden. En wat kunnen wij nu, voor onszelf, met dit verhaal?

Misschien zegt u: ‘Ja, die Zacheüs, dat was een slecht mens, die kon zo’n verandering heel goed gebruiken, want hij deugde echt niet.’  En zegt u: ‘Ik herken mezelf niet in die man. Ik ben weliswaar niet perfect, maar ik doe gewoon mijn best, zoals de meesten, en verder weet ik het ook niet.’ Dat kan een overweging zijn, toch denk ik dat we veel overeenkomsten hebben met Zacheüs. Net als hij voelen we soms de afkeuring van anderen, voelen we ons alleen staan, weten we diep van binnen dat we het vaak niet goed doen, dat we het laten afweten. Zoeken we naar verlichting van een innerlijke pijn. En wat deed Jezus daarmee? Die lette niet op de zonden van Zacheüs. Jezus vond die fouten niet belangrijk. Hij rekende Zacheüs er niet op af. Jezus strekte zijn arm uit en zei zonder voorbehoud: ik moet bij jou zijn. Het gaat erom dat wij ieder voor zich, ons realiseren dat wij, met al onze goede kanten en gebreken, net zo menselijk zijn als Zacheüs, en dat Jezus ongeacht al die vlekken en vlekjes, zonder voorbehoud bij ons wil zijn. Jezus wees zelfs de allergrootste zondaars niet af, dus Hij heeft geen enkele moeite om ons in zijn armen te sluiten.

Misschien zegt u: ‘Dat gebeurde tweeduizend jaar geleden, toen Jezus nog op aarde rondwandelde. Jezus sprak Zacheüs rechtstreeks aan. Keek hem in de ogen en praatte met hem. Van mens tot mens.’ En zegt u: ‘Jammer genoeg gebeurt dat nu niet meer.’ Dan zeg ik: verruim dan je blik. En verruim je hart. Want Jezus is nog wel degelijk te vinden in onze wereld. Misschien is hij wel die zwerver bij de supermarkt, die om een euro vraagt. Misschien is hij die stem in je innerlijk, die stem die je blijft wegdrukken maar die steeds weer naar boven komt. Jezus werkt ook door mensen. Je kunt Hem tegenkomen in een onverwachte ontmoeting met je medemens, of een schrijnende hulpvraag. Of een ogenschijnlijke vervelende gebeurtenis waarvan je je afvraagt waarom jou dat moest overkomen. Open je ogen, en open je hart, en wie weet op welke manieren Jezus zich aan jou laat zien.

Misschien zegt u: ‘Zo’n radicale bekering als Zacheüs, dat zie ik niet zitten. Ik ben niet iemand van grote veranderingen. Heb liever niet dat Jezus teveel in mijn comfortzone komt.’ Misschien voelt u zich eigenlijk best wat ongemakkelijk bij het Evangelie van vandaag. ‘Veel geld weggeven, poeh.’ Dan denk ik: dat kan ik mij goed voorstellen. Zo’n radicale ommekeer is niet iets dat velen meemaken. Uit onze eigen parochiegemeenschap kennen we misschien enkele gevallen. Maar dan denk ik ook: Jezus toelaten kan op vele manieren: groot én klein. Het kan een radicale bekering zijn, maar ook een kleine stap, een gebaar, een innerlijk besluit, dat al grensverleggend kan werken.

Prachtige voorbeelden hiervan zie je soms op tv. Neem nou dat programma Het Familiediner. Bert van Leeuwen belt ergens aan. De bewoner die opendoet herkent Bert, maar zegt desgevraagd geen idee te hebben waar Bert voor komt. Even later zitten ze aan de huiskamertafel: O ja, die oude kwestie, wordt er bedremmeld erkent. Nee, het heeft geen zin daar nog iets aan te veranderen. Dat komt nooit meer goed. Je ziet de wanhoop, het verdriet, de gekwetstheid in de ogen van die mensen. Het onvermogen om iets dat al jaren vastzit te veranderen. Maar dán, er komt iets los, als Bert hen vraagt om een stap te willen zetten. En je ziet in dat programma dat ze het aandurven, dat mensen een verandering willen ondergaan. Mensen die zich realiseren dat er iets fout is in hun leven en een stap zetten om dat te wijzigen. Soms stijgen die mensen in dat programma boven zichzelf uit. Omdat er iemand voor hun deur stond die zei: Vandaag moet ik bij jou zijn.

Wij hebben niet allemaal een Bert van Leeuwen bij de hand, helaas, dus misschien is het goed dat we vooral bij onszelf te rade gaan. Misschien is het een mooi idee om vanavond, voor het slapen gaan, als u in de spiegel kijkt naar uzelf, toch eens na te denken: welke verandering zou ik willen, wat kan er bij mij beter? Moet ik anders omgaan met mijn eigen donkere kanten, of met mijn naasten, met de buitenwereld? En realiseer je daarbij het volgende: Uiteindelijk is de kern van dit verhaal niet alleen maar dat Jezus zonder voorwaarden bij jou wil zijn, maar vooral de vraag aan jezelf: hoe welkom is Jezus in mijn leven? Hoe serieus neem ik hem? Wil ik eigenlijk wel dat hij een rol speelt? Wil ik verandering, of vind ik het wel goed zo?

Wij hebben geen Bert van Leeuwen, maar we hebben wel degelijk iemand die ons daarbij wil helpen. Dát mogen we ons realiseren. De uitnodiging van Jezus uit het verhaal van Zacheüs is zonneklaar en staat nog steeds. De vraag is: welke stappen zetten wij naar Hem toe? Grote of misschien hele kleintjes? Ik denk dat Hij immens blij is met elke stap, hoe klein ook.

Denk nog eens goed over na over die toegestoken hand van Jezus, en zijn boodschap die na tweeduizend jaar nog niets aan kracht heeft verloren: Vandaag moet ik bij jou zijn.

Verkondiging

                                                                                        

                                                                                                                                                   

op 30 oktober 2016,  de 31ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Wijsheid (11, 23-12, 2), Psalm 145 (ged.), de tweede brief van de heilige apostel Paulus een de christenen van Tessalonika (1, 11-2, 2) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (19, 1-10).

 

Nou, gezéllig was het daar níet, dierbare gasten en parochianen; gezellig was het daar niet - daar in dat Jericho met en rond en in verband met die Zacheüs. Een verkeerde figuur was hij - in de ogen, in de beleving, in de visie van 'de mensen'. Hij was 'een zondaar'. Men noemde hem 'een zondaar'. Hij was het geďdentificeerde probleemgeval. Hij was de bonte hond over wie iedereen zijn of haar afkeuring uitsprak.

 

Wat mankeerde er aan hem? Wat was er mis met hem? Wát deed hij verkeerd?

 

In elk geval had het te maken met zijn beroep, met wat hij deed. Dat werk maakte hem rijk. Maar met die rijkdom was duidelijk iets aan de hand. Daar was iets mis mee. Hij was een belastinginner. En hij was dat, hij deed dat, Zacheüs, vόόr en in opdracht van de bezetter van het land. Dus hij heulde met de vijand. Dat maakte hem onrein. En dat maakte hem fout. Hij was fout in de oorlog. Maar intussen legde dat werk hemzelf, Zacheüs, geen windeieren. Het maakte hem tot een rijk man. Maar die rijkdom klopte niet, die deugde niet. Hij kwam er niet eerlijk aan. Hij zoog zijn medebrugers uit. Hij zette ze extra onder druk om er zelf beter van te worden. Ach ja mensen, geldt stinkt. Mensen die veel met geld omgaan, die komen gemakkelijk in een kwade reuk te staan. Bankiers, directeuren van ziekenhuizen, zorgkoepels en woningbouwverenigingen, bestuurders van charitatieve fondsen enzovoort. We maken het vaak mee dat hun manier van doen aan de kaak wordt gesteld als zelfverrijking. Ze weten het zo te plooien dat ze er zelf goed uit springen en warmpjes bij komen te zitten. De thuishulp met haar hongerloontje wordt aan de dijk gezet maar de directeur krijgt bij zijn vertrek zes ton mee. En zo, veelgeliefden, op die manier, was Zacheüs dus ook een rijk man. Maar tegelijk was hij ook een arme eenzame man, een geďsoleerde figuur. Hij stond buiten de gemeenschap. Hij hoorde er niet bij. Men wendde zich van hem af en keek hem met de nek aan. Dus in die zin zat Zacheüs er níet warmpjes bij. Nee integendeel. Zijn leven was verder behoorlijk kaal en kil.

 

Maar... hoe kwam dat zo? Waarόm, dierbare gasten en parochianen, waarόm worden mensen wie ze zijn? Waarόm manifesteren zij zich op een bepaalde manier? Waarόm kiezen ze een bepaald beroep, een beroep bijvoorbeeld waardoor ze lekker binnenlopen? Hoe zat dat bij Zacheüs?

 

Behalve dat hij rijk was, was hij ook klein zo hoorden wij, opvállend klein, een onderdeurtje met van die korte, koddige beentjes wellicht. Ja, je probeert het je voor te stellen en er een beeld bij te krijgen. Hoe mensen er uitzien: of ze groot zijn of klein, mooi of lelijk, sterk of zwak, aardig of onaardig, leuk of minder leuk, wit, zwart, geel of bruin - wat doet dat met hen sociaal? Welke plek nemen  ze, ook daardoor, in binnen de gemeenschap? - in het gezin, op school, in de klas, op het werk en in de kerk ook...      

 

We weten allemaal: in welk nest je geboren wordt, hoe ouders met hun kinderen omgaan en wat er in hun schooltijd met kinderen gebeurt, hoe hun leerkrachten en hun klasgenoten met hen omgaan en op hen reageren - het heeft allemaal grote gevolgen voor de hele rest van het leven, voor hun beroepskeuze en voor het relationele leven. Ortho-pedagogiek, hoe je kinderen goed opvoedt, zodat het rechte en stevige bomen worden en geen zwakke en scheve, daarover nadenken en vooral: het in praktijk brengen, dat is dus een heel belangrijk vak.

 

Hoe zat dit allemaal in het leven van Zacheüs? Wie waren zijn ouders? Hoe zijn ze met dat kleine jochie omgegaan? En hoe was het op school? Was hij een gelukkig kind? Is hij nu als volwassene samen met iemand? Heeft hij zelf een gezin? Of is hij alleen? De evangelietekst zegt er verder niets over, over de relationele omstandigheden van de tollenaar, maar we zijn denk ik geneigd om te denken: het laatste. Zacheüs zal wel geen partner hebben. Hij is vrijgezel, ongehuwd, celibatair.

 

En was dat een keuze of was dat het lot in het geval van Zacheüs? En hoe leefde hij het alleen-zijn? Ging hem dat goed af of had hij er moeite mee, grote moeite eventueel? Voelde hij zich lekker of was hij gefrustreerd? Ik denk: het zijn allemaal zinvolle en belangrijke, wezenlijke vragen. Was Zacheüs gelukkig of ongelukkig? En hoe zit het met u wat dat betreft? En met mij? 

 

Wat je, veelgeliefden, vaak ziet, als 'het niet stroomt' in het leven van een mens, als er een onopgelost probleem is in de basis, in de diepte van zijn of haar leven; wat je dan vaak ziet, dat is dat een mens dat dan gaat 'compenseren' zoals dat heet. Mensen die zich unfair behandeld voelen door 'het leven' of door 'de mensen', hun medemensen, die kunnen de neiging hebben om zich min of meer te wreken. Men voelt zich onderbedeeld, of misdeeld, en men gaat het dan zelf nemen wat men tekort is gekomen. Ik zal jullie wel krijgen! En: Ik zal je pakken! Dát sentiment. Had Zacheüs daar last van? Speelde dat in zijn leven? Ach ja veelgeliefden, ik denk: Het zou zomaar kunnen...

 

Zacheüs zit klem. Hij zit muurvast. Er is sprake van een impasse. Hij kan niet vooruit. En hij kan niet achteruit. Maar dan hoort hij: Jezus is in de stad! Hij trekt er doorheen. Hetzelfde gebeurt vandaag, hier en nu in onze kerk. Jezus is er. Hij komt langs. Hij trekt aan ons voorbij. En wie weet kunnen wij Hem ook wérkelijk ontmoeten.

 

Zacheüs heeft het gehoord. En hij is ontwaakt uit zijn verdoving, uit zijn verstarring, uit zijn winterslaap die misschien wel al heel lang heeft geduurd. Hij wil zien wie Jezus is. En willen wíj dat ook? Wil jij het όόk? Ben je wérkelijk geďnteresseerd in wie Hij is en in wat Hij je geven kan en wil? Of ontbreekt feitelijk die interesse en heb je eerder iets van: Ach die Jezus - dat weten we wel...

 

Zacheüs klimt in de boom. Want hij is klein. En hij is slim. En dat is ook omdat hij er niet bij hoort, omdat hij er niet bij mág horen en misschien ook niet helemaal bij wíl horen. Niet in de kring maar er buiten. En er boven. Het is een verheven positie. Hij kijkt van daar uit op de mensen neer, letterlijk, maar ook figuurlijk. Hij kijkt zelfs op Jezus neer. Maar Jezus voelt zich niet te min om naar Zacheüs όp te kijken. Jezus ziet hem, Zacheüs. En Hij kijkt dwars door hem heen. Zoals Jezus door elk van ons dwars heenkijkt. Hij ziet wat er mis is met ons. Hij ziet wat we mankeren. Hij zie wat er niet goed is aan en in ons. Hij ziet wat er is scheefgegroeid in onze levens. Hij ziet wat we elkaar en onszelf aandoen. Hij ziet onze zonden. En zonden, veelgeliefden, zijn vormen, het zijn symptomen van ziekte - van het hart en van de geest die ziek kunnen zijn. Jezus ziet het. Hij ziet 'wat er achter zit': Hij ziet ons lijden. En hij ziet ons hunkeren. En Hij ziet onze onmacht.

 

"Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik bij jou zijn." Pats. Midden in de roos. De zeepbel wordt doorgeprikt. Er komt een eind aan de illusies van Zacheüs en aan die van de anderen - alsof híj 'de zondaar' zou zijn en zijzelf géén zondaars, maar 'de betere mensen', of dat hij Zacheüs dat zou zijn: een hogerstaand mens, tronend maar ook verschanst in zijn heilig gelijk in verband met wat hem allemaal is aangedaan in zijn jeugd en nadien. Jezus weet het allemaal. Hij ziet het. Hij ziet de effecten van het lijden. Maar Hij kijkt er ook doorheen. En Hij prikt er doorheen. "De Heer is vol liefde (...). De Heer is bezorgd voor iedere mens (...). De Heer ondersteunt die dreigen te vallen, richt al wie gebukt gaat weer op." Die woorden klonken vandaag in de 145ste psalm die wij samen gebeden hebben. En hoe Jezus omgaat met Zacheüs illustreert die woorden. In onze eerste lezing, uit het boek der Wijsheid, daarin hoorden wij: "Gij ontfermt u over allen (...) en Gij let niet op de zonden der mensen, opdat ze tot inkeer komen. Gij houdt immers van alles wat bestaat en verafschuwt niets van wat Gij geschapen hebt." Voor die woorden geldt hetzelfde als voor die van de psalm: Jezus maakt ze waar in zijn bejegening van, in zijn omgaan mét Zacheüs. Voor Jezus is Zacheüs geen onaanraakbare zondaar om wie je met een grote boog heen moet lopen maar een mens als alle anderen bij wie Hij nota bene zichzelf thuis uitnodigt. Geen chagrijnige, krampachtige, klein- en náárgeestige maar een liefderijke, royale houding. En die houding doet wonderen veelgeliefden. Jezus ráákt bij Zacheüs het hart van zijn hele bestaansproblematiek. Hij raakt het hart van zijn innerlijke verwonding. En Jezus geneest die. Het ijs in Zacheüs' hart smelt. Hij ontdooit. Het gaat weer stromen in hem. En Zacheüs wordt zélf royaal, uitbundig, vrijgevig.          

 

'Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn' zo luidt het gezegde. En daar heeft Jezus' houding iets van. Met dit verschil dat het bij en voor Hem geen 'trucje' is, maar Hij meent het. Hij heeft Zacheüs wérkelijk lief, zoals Gόd Zacheüs en elk van ons werkelijk liefheeft.

 

Proberen wij dan evenzo te doen veelgeliefden. Laten ook wij elkaar wérkelijk liefhebben. Geen pose graag. Maar écht. Van binnenuit. Met het hart. Dan wordt het vast gezellig. Amen.  

 

Verkondiging

 

op 23 oktober 2016, de dertigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Wijsheid van Jezus Sirach (35, 12-18), de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (4, 6-18) en, in afwijking van het lezingenrooster, het heilig evangelie volgens Lucas (???).

 

"Laten we de lieve vrede bewaren".

 

Typisch zo'n uitdrukking uit mijn kindertijd is dat. "Laten we de lieve vrede bewaren." Dat zei mijn moeder als er rumor in casa was - als het rommelde onder ons kinderen, als er spanning was en ruzie dreigde.

 

'Koor van de lieve vrede'. Zo heet ons koor dat vandaag jubileert, een jubileum dat het viert samen met het koor van van de Liturgische Werkgroep van de Martelaren van Gorcum, de kerk in de Watergraafsmeer, aan de Linnaeushof. Dat koor bestaat vijfenveertig jaar. En dat werd verleden week gevierd. Toen was ons koor daar, in de Martelaren. Nu zijn zij hier, bij ons. Wat goed als twee koren en twee parochies op zo'n manier contact met elkaar hebben en elkaar versterken.

 

Het Lieve Vredekoor bestaat twintig jaar. Wat een tijd! En ik heb dat koor hier zelf opgericht! Tjee... Ik word oud! En wie van de leden zijn erbij geweest vanaf het allereerste begin? (het blijken er twee te zijn) - U ziet, dierbare gasten en parochianen: Het koor heeft zich in de

loop van die twintig jaren behoorlijk vernieuwd. Nog altijd is Michiel Mirck, op het orgel (en af en toe mag hij ook nog altijd op piano spelen), de vaste begeleider ervan. Maar Mark Walter, 23 jaar oud, is na Wilfred Kemp en Bregje van Goudoever dus de derde dirigent van het koor.

 

Aan Bregje dankt het koor zijn naam. Bregje was/is niet van het houtje. Dus ook met Onze Lieve Vrouw was ze niet zo vertrouwd. Dus laat staan met Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede - aan wie onze kerk gewijd is. Dat is ook een hele mond vol. Bregje verhaspelde het. Ik moest lachen als ze dat deed. Wat maakte ze ervan? 'kerk van de lieve vrouw van de vrede' of zo... 'kerk van de lieve vrede'. Nou... zό is het Koor van de Lieve Vrede dus aan zijn naam gekomen. Door Bregje. En door mijzelf. Want ik heb zelf voorgesteld om het koor dan maar zo te noemen:

 

Koor van de Lieve Vrede. Ik dacht destijds: dat is dan meteen een mooi understatement. En een bezwering. Want laten we ons geen illusies maken veelgeliefden... En laten we niet te veel pretenties hebben... Met het koor komt zoals bekend de duivel de kerk binnen! 'Koor van de Lieve Vrede'. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!

 

Maar nee! Of juist: Ja! Het heeft geholpen! In al die twintig jaar heb ikzelf van extreme spanningen of van uit de hand lopende ruzies bij het koor echt helemaal niets gemerkt. Die zijn er dus niet geweest of ze hebben die voor mij goed verborgen gehouden. Dat kan natuurlijk ook. Maar... volgens mij heeft het koor zijn naam bést eer aan gedaan. Naar mijn indruk is die lieve vrede steeds goed bewaard, tamelijk ontspannen en gemakkelijk zelfs, twintig jaar lang. En daarbij is het koor gegroeid: in omvang, in kwaliteit van zang, in variëteit van mensen. - Onder de laatste aanwinsten van het koor zijn Roela en Majda... - uit Damascus. Met dat alles is het koor denk ik vooral gegroeid in vreugde. En hopelijk ook in diepgang. Ik denk, en ik zeg ook altijd als ik reclame maak voor het koor en mensen over de streep tracht te halen om mee te gaan zingen: Die prachtige diepzinnige bijbelse of door de bijbel geďnspireerde teksten van vooral Huub Oosterhuis zingen, de paus van Amsterdam,[23] liederen op melodiën van Bernard Huijbers, Tom Löwenthal en Antoine Oomen - die ik altijd in het zwembad tegenkom, die laatste; die teksten en melodiën zingen daarmee geef je jezelf toch een groot cadeau? Daarmee krijg je toch tegelijk een geweldige vorming in spiritualiteit? Daardoor vormt zich op de bodem van je ziel, op die van de koorleden maar hopelijk ook op die van de kerkgangers; daardoor komt er op de bodem van je ziel toch een sediment, een humuslaag van wijsheid die vreugde geeft en weerbaar maakt...? Ik stel mij voor dat koorleden en mensen die graag en aandachtig naar het koor luisteren en meezingen, dat er bij hen een heel reservoir van woorden, flarden van woorden en melodiën is ingedaald die nog wel eens van pas kunnen komen in bepaalde omstandigheden.

 

Een vriendin van mij moest begin afgelopen week naar het ziekenhuis in verband met een herbehandeling. Het gaat om kanker. Ik vroeg: Hoe is het gegaan? Antwoord: "De vensters van de ziel zijn tijdelijk gesloten."

 

Ja...

 

Ook die vriendin zingt - een heel ánder liturgisch genre overigens weer dan het Lieve Vrede-koor, maar toch. Zal zij iets hebben in deze omstandigheden waarin het er op aankomt; zal zij iets hebben aan alles wat zij gezongen heeft en wat in haar ziel is ingedaald? Ik hoop het!

 

"Geef met een blij gezicht en naar je vermogen, want Hij is een Heer die beloont. Hij geeft het je zevenvoudig terug" zo hoorden wij vandaag in de eerste lezing, uit het boek van de Wijsheid van Jezus Sirach. "Geef met een blij gezicht". Ik zie dat blijde gezicht vaak bij de koorleden. Wat géven zij ons veel met en in hun zingen. En wat geven zij zichzelf daar veel mee. "Hij geeft het je zevenvoudig terug" zegt Jezus Sirach.

 

In de tweede lezing, uit zijn tweede brief aan Timoteüs, doet Paulus zijn beklag: Iedereen heeft hem in de steek gelaten. "Maar de Heer heeft mij terzijde gestaan en mij kracht gegeven." "En de Heer zal mij blíjven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk."

 

Vijf vragen:

 

Hόe stáát de Heer een mens terzijde?

Hόe geeft Hij kracht?

Hόe beschermt Hij en brengt Hij een mens behouden over naar Zijn hemels koninkrijk?

Dat koninkrijk, wat is dat voor iets?

Waar is dat ergens?

 

"Die in ons hart zijn rijk begint, alleluia, alleluia" - Terwijl ik al die vragen stel gaat in mij dát lied klinken: "Zingt voor de Heer van liefde en trouw..." - een lied van Michel van der Plas op muziek van J. Huls uit 1958. En met dat het gebeurt veelgeliefden, mét dat lied dat in mij opkomt, krijgen al die gestelde vragen een antwoord:

 

In elk geval kan God ons helpen en kracht geven en beschermen in de woorden en klanken van teksten die over Hem spreken en zingen. Daarin spreekt Hij. En daarmee en daarin begint in ons Zijn rijk.

 

 "Jij bent (...) mijn veelgeliefde, in jou verheug ik mij" zo hoorden wij in de door het koor gezongen evangelietekst. De woorden hebben betrekking op Jezus, maar ik denk: Als je Jezus kent, als je met Hem leeft, als je deel uitmaakt van Zijn lichaam dat de kerk is, dat lichaam dat in de viering van de eucharistie door Hemzelf gevoed wordt, als je van Hem houdt en met Hem vergroeid bent, dan wéét je en dan kun je soms ook erváren, voelen: Hij houdt van míj. Die veelgeliefde, in wie Hij zich verheugt, dat ben ik zelf. Zijn zoon, Zijn dochter - dat ben jij.

 

"De tijd is vol, het koninkrijk van God dichtbij, keer je leven om." Zo spreekt de Heer. Zo zong het koor. "Keer je leven om." Geen lieve vrede maar werkelijke vrede... door Hem, in Hem. Misschien moeten we het koor toch omdopen... het 'koor van de echte vrede' gaan noemen - al is dat wel veel riskanter, ja vrágen om moeilijker misschien. 'Koor van de lieve vrede' is veel veiliger...

 

Échte vrede. Dat elk van ons die nochtans zoeken, dat elk van ons die vinden, dat elk van ons die hebben, dat elk van ons die ontvangen mag. Van Hem, in Hem. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                                                                   

op 16 oktober 2016, de 29ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Exodus (17, 8-13), Psalm 121, de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (3, 14-4, 2) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas  (18, 1-8).

 

Cobie Baas! Zo'n vrouw, zo'n type als Cobie Baas... - daar denk ik aan in verband met die weduwe uit de evangelielezing van deze zondag. Cobie, een boerendochter, de vrouw van de melkzaak die vroeger aan de Van Hilligaertstraat zat - waar nu een kapsalon is. Zij was een grote, stevige vrouw die altijd hard had gewerkt. Het korte blonde, altijd keurig gekapte haar droeg zij op haar hoofd - bijna als een helm. De helm van een strijder, van amazone die op oorlogspad kon zijn. Want zo was Cobie. Haar beide kinderen zaten nog op de middelbare school  toen hun vader, Theo, Cobies man, aan kanker stierf. Cobie was met hem vergroeid. En zij bleef hem missen en naar hem verlangen, iedere dag, tot haar eígen laatste snik, vorig jaar mei. Je kreeg dat ook van haar te horen. Want Cobie had haar hart op haar tong. En zij maakte van haar hart geen moordkuil. Geregeld gaf zij lucht aan haar verdriet en voor haar tranen schaamde zij zich niet. Luid kon zij haar nood klagen en allerlei figuren (mensen uit haar omgeving, hulpverleners en autoriteiten) die het in haar ogen niet goed deden, die te kort schoten en door wie zij zich benadeeld voelde, kon zij met haar woorden striemen. Buren, dokters, ambtenaren, wethouders, de huisbaas, de pastoor... die konden het voorwerp zijn van haar toorn en die kon zij ervan langs geven. Je kon je maar beter bérgen als Cobie van wal stak met haar tirades. "Dring aan, te pas en te onpas, weerleg, berisp" - zo schrijft de apostel Paulus in zijn tweede brief aan Timoteüs waaruit wij hoorden voorlezen. En het zijn woorden, veelgeliefden, die een mens als Cobie op het grote lijf geschreven hadden kunnen staan: "Dring aan, te pas en te onpas, weerleg, berisp".

 

Die rechter met wie de weduwe in het evangelie te maken heeft, die rechter is duidelijk een dubieuze figuur. Hij "vreesde God niet en liet zich aan geen mens iets gelegen liggen", zo hoorden wij over hem. En dat is natuurlijk een ervaring veelgeliefden die je met machthebbers, met mensen op sleutelposities, die de lakens uitdelen, nogal eens kunt hebben: Je kunt dingen tegen hen zeggen of aan hen schrijven tot je een ons weegt... - maar ze doen toch waar ze zelf zin in hebben. Ze gaan hun eigen goddelijke of goddelόze gang en trekken zich van niets of niemand iets aan... tenzij van 'hogere machten' ofwel hun eigen superieuren eventueel. Maar van de mensen die van hen afhankelijk zijn? de mensen die hen nodig hebben? - vergeet het maar... Vaak hebben die de ervaring dat ze hoog of laag kunnen springen, maar geen gehoor vinden en dat men hen in de kou laat staan.

 

Dat wil zeggen... Nee, toch niet uiteindelijk! Nee hoor... Jezus verkondigt in het evangelie van deze zondag werkelijk goed nieuws! Goed nieuws op de eerste plaats voor de Cobies van deze wereld, voor de mensen die hun mond durven open te doen, voor hen die zonder ophouden "blíjven bidden en de moed níet opgeven".

 

Vandaag wordt iemand als Cobie Baas ons door Jezus ten voorbeeld gesteld. Geweldige achternaam trouwens in dit verband: Baas! Wie zich níet laat intimideren door allerhande autoriteiten die niet correct, zorgvuldig en dienstbaar opereren, die níet doen wat van hen verwacht mag worden, wie níet ophoudt om het όnrecht aan de kaak te stellen, díe kan hen aan - zulke autoriteiten.

 

Van de Poolse schrijver Ryszard Kapuściński zijn de woorden: "Alleen als de gewone man of vrouw ophoudt met bang zijn, dan begint de revolutie."[24] En zo is het veelgeliefden. Wij moeten niet bang zijn en níet schromen om onze mond open te doen als de gerechtigheid in het geding is.   

 

Die weduwe die niet ophoudt die lapzwans dan wel klootzak van een rechter aan z'n kop te zeuren, die krijgt tenslotte tόch wat ze nodig heeft. Hij gaat uiteindelijk toch όm, die rechter. Elke druppel die valt holt de rots verder uit en uiteindelijk breekt die. Met eetlepels, met messen, met vijlen en vooral: met eindeloos geduld, met vastberadenheid, een ijzeren doorzettingsvermogen, veel inventiviteit en boven alles een onwankelbaar geloof is het gevangenen in alle eeuwen gelukt om uit te breken uit allerlei naargeestige, afschuwelijke gevangenissen. En terwijl ik deze woorden uitspreek denk ik met grote deernis en pijn in het hart aan de mensen in Noord-Korea die opgesloten zitten in hun eigen land als in een collectieve gevangenis. En in hoeveel andere landen zijn de mensen niet vrij om te gaan en te staan waar zij zelf willen en om te lezen, te zeggen en te schrijven wat zij zelf willen? In hoeveel landen staan de mensen en staat hun vrijheid niet onder grote druk? Denk aan China, denk aan Rusland, denk aan allerlei moslimlanden. Maar denk nota bene ook binnen de EU aan een land als Hongarije.

 

Mensen kunnen trouwens ook opgesloten zitten in hun eigen hoofd. Ook dát kan een gevangenis zijn. En uit die gevangenis, veelgeliefden, is er maar één enkele uitweg, namelijk: je uitspreken, het gesprek of désnoods de confrontatie aangaan met iemand of met enkele of met een helebόel mensen. En samen kom je er dan hopelijk tόch uit, uit die gevangenis in je hoofd. Geef de moed niet op. Blijf bidden.

 

"We durven elkaar niet meer in de ogen te kijken" staat er boven een groot interview dit weekend in NRC-Handelsblad, een interview met de Vlaamse psychiater Dirk De Wachter die daar, in Vlaanderen, een bekende figuur is.[25] Hij raadt mensen aan, deze Dirk, om te práten, desnoods met de psychiater, maar op de eerste plaatst toch vooral met mensen die dichtbij staan, met familieleden en vrienden. Ik citeer:

 

"Als iemand zich slecht voelt moet hij bij hen aankloppen: 'Het gaat niet goed, ik heb je nodig.' In plaats daarvan verschuilen wij ons vaak achter nieuwe media, men zit voor dat scherm te hannesen en ziet elkaar niet meer. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?" De interviewer zegt dan: "Je hoort het niet vaak meer: ik heb je nodig." En Dirk De Wachter antwoordt dan: "Nee. Men is bang ge-defriend te worden. In plaats van een uitgestrekte hand volgt vaak afgrijzen: O jee, die zit in de knoei, brrr. Men moet elkaar vastpakken (...) bij het vel. Men moet elkaar in de ogen kijken. De oplossing voor ons verdriet is dat we het zien en durven leven. Dat we de angst durven zien en durven leven. Dat kan alleen samen met de ander." Tot zover Dirk De Wachter, de Vlaamse psychiater.

 

Eigen verdriet en angst dúrven zien en dúrven leven. Dát is de oplossing die hij mensen aanreikt en ik denk: die oplossing ligt in het verlengde van de oplossing die Jezus ons aanreikt in het evangelie van deze zondag. Die weduwe doet het. Cobie Baas deed het: eigen nood, angst, verdriet in elk geval durven uíten en durven léven en áánkloppen in elk geval daarmee bij anderen. En iedereen, veelgeliefden, kan dat uiteraard op eigen wijze doen. Het hoeft natuurlijk niet altijd per se op de onstuimige wijze van zo'n Cobie.

 

Aankloppen bij mensen. Aankloppen bij God. Is dat min of meer hetzelfde? Of is daartussen toch een verschil? Ik denk het toch wel. Want wat Jezus ons vandaag verhaalt en wil duidelijk maken impliceert dat namelijk. Die rechter waarover Hij het heeft zegt bij zichzelf: "Omdat ze zo lastig is, zal ik deze weduwe aan haar recht helpen; anders komt ze me uiteindelijk een klap in mijn gezicht geven." Denk maar weer aan Cobie Baas bij die woorden: Ik had haar ertoe in staat geacht, in uiterste nood, om welke bobo dan ook zo'n optater te géven. En natuurlijk is dit geen pleidooi voor fysiek geweld veelgeliefden. Wij moeten elkaar natuurlijk héél laten, op onze tellen passen en op onze impulsen letten. Wij moeten respectvol met elkaar omgaan en elkaar in principe niet te lijf gaan, máár... uiterste nood breekt uiteindelijk wel wet natuurlijk. Er zíjn misschien inderdáád soms omstandigheden waarin ons géén andere oplossing overblijft dán precies die klap - die je dan natuurlijk beter thuis tegen een kussen kunt geven. Maar Jezus zegt dan vervolgens: "Hόόr wat die onrechtvaardige rechter zegt. Zou Gόd dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen en naar wie Hij welwillend luistert?

 

Ik moet u zeggen veelgeliefden: Ik huiver gewoon bij die woorden. Want ze bevatten, ze impliceren een buitengewoon indrukwekkend en mooi, ja een prachtig en verlossend geheim, het geheim namelijk dat God werkelijk 'bestaat', dat Hij er is, dat Hij ons ziet, en hoort, dat Hij op ons betrokken is en dat Hij werkelijk in staat is en bereid is om ons, om jou en mij bij te staan en te helpen.

 

Maar... veelgeliefden, wát moeten wij ons dan voorstellen bij 'God' en bij het tot Hem bidden? Ik denk, wat Jezus zegt en wat Hij gelooft, dat impliceert dat God is als een machtig mens, máár daar toch boven uit gaat. Jazeker: God is machtig - maar als zodanig van een andere orde als machtige mensen het zijn. Want machtige ménsen zijn toch net als wijzelf: Zij én wijzelf kunnen het af laten weten, zijn feilbaar, kunnen onder de maat blijven enzovoort. Maar dat alles geldt niet voor God. Hij, God, is altijd en overal in alle omstandigheden - "welwillend" zegt Jezus; "welwillend voor zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen". Ik denk: dát is dus bidden. Dat is dus: om hulp roepen, God om hulp vragen. En hoe doe je dat dan?

 

Ach ja... Je moet dan natuurlijk in God kunnen gelόven. God is De Hoogste. God is De Diepste. God is Het Hart. God is Het Wezen. God is Liefde. God is mijn oorsprong. Ik kom van Hem. Ik ben van Hem. Hij is mijn basis. Hij wil mij. Hij houdt van mij. Naar Hem ben ik op weg. Hij staat voor mij klaar. Hij zal mij ontvangen. Hij vangt mij op. Volgens mij is dát: geloven in God. En bidden is dan: die relatie met God ervaren, onderhouden, léven - in groot vertrouwen.

 

Is bidden: woorden de ruímte in slingeren? Ja, veelgeliefden, ook dat is bidden, maar dan met dien verstande dat er voor die woorden die dan de ruimte in geslingerd worden, dat daarvoor ook een adres is. "Omhoog naar de bergen richt ik mijn ogen: Van waar kan ik hulp verwachten?" - zo hebben wij gebeden vandaag in de 121ste psalm. En de in die psalm gestelde vraag krijgt dan meteen een antwoord: ("Van waar kan ik hulp verwachten?") "Mijn hulp zal komen van God de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft." God is liefde. En ik bin vom Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt - van hoofd tot voeten ben ik op die liefde gericht. En niet alleen ik. Nee, hemel en aarde zijn het. Die liefde die God is, is alles. En buiten die liefde die God is gaat niets om.

 

Heb je dit geloof? Kun je het volhouden? Of als je het kwijt bent geraakt, korter of langer geleden, als dat geloof je eventueel totaal in de benen is gezakt, kun je het dan terugkrijgen, terugwínnen? Ach ja veelgeliefden: Waarom niet eventueel?

 

Dat geloven in God en bidden niet en nooit vanzelfsprekend is, dat je het en Hem nooit in je zak kunt steken en dat 'het' altijd een inspanning blijft vragen, dat maakte denk ik zeker ook onze eerste lezing vandaag duidelijk, uit het boek Exodus: in dat indrukwekkende beeld van Mozes die zijn armen in gebed ten hemel heft. "En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield, waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken, dan won Amalek" - en 'Amalek' is dan uiteraard een beeld van alles en iedereen door wie en waardoor ons leven en ons geloof worden bedreigd en aangetast. Mozes wordt moe. En dan gaan Aäron en Chur zijn armen ondersteunen. "En zo bleven zijn armen hooggeheven, tot zonsondergang toe." Oh veelgeliefden, wat een beeld... Dat gaat je toch gewoon door merg en been? En zo is het toch ook gewoon? Want: op eigen houtje lukt het toch niemand? - om te blijven leven en te blijven geloven, "tot zonsondergang", het eind van ons leven, toe? We hebben toch allemáál mensen nodig die bereid zijn om onze biddende armen te ondersteunen - opdat wij in de strijd van het leven niet versagen en ten voortijdig ten onder gaan?

 

Onlangs las ik een boek van een Poolse ambtsbroeder van mij, Krzysztof Charamsa heet hij. Afgelopen zomer was hij in Amsterdam en ontmoette ik hem ook. In dat boek stelt hij ook het thema suďcide, zelfmoord aan de orde. Hij schrijft, Charamsa - en hiermee zal ik deze verkondiging besluiten: "In elke zelfmoordpoging zit een drama besloten waar iemand niet meer tegen is opgewassen. Dit heeft niets te maken met verantwoordelijkheid, want het gaat om iets dat sterker is dan een mens. (...) Maar als God wint,  dan is een mens veilig en pleegt hij geen zelfmoord."[26]

 

Moge dus God, veelgeliefden, moge God zό dus in elk van ons blijven winnen. En laten we elkaar daarin ondersteunen. En vraag ook om die steun aan mij of aan iemand anders als je die steun nodig hebt. Hou moed. Blijf bidden. Denk maar aan Cobie Baas. Amen.      

 

Verkondiging

op de 28e zondag door het jaar, 9 oktober 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

Lezingen:            Lukas 17,11-19

2Koningen 5,14-17. Psalm 98. 2Timotheüs 2,8-13

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

Dankbaarheid. Dat is een lastige. Dankbaarheid was “vroeger”, in Jezus’ tijd blijkbaar al een lastige [cf. Kol 3,15].. Waren niet alle tien genezen van een ongeneselijke ziekte? Je kunt er natuurlijk een draai aan geven, bijvoorbeeld dat die andere negen zo blij waren, dat zij eerst naar hun geliefden gingen, om zich met hen te verenigen. Maar de vraag van Jezus blijft staan: Waar is de dankbaarheid van de anderen die genezen zijn?

               Nog een stapje verder is wat ik vorige week zaterdag vernam in een televisie-programma over Lourdes (Andere Tijden). Een van de geďnterviewden vertelde hoe hij daar skeptisch geworden was door wat hij zag: Sommigen worden – blijkbaar – genezen, maar zovele anderen daar en in de rest van de wereld niet. Al dat leed is zo overweldigend, dat het afstompt: deze man kon “door het lijden God niet meer zien”. Deze man zag door al het lijden ook de genezingen, de goede dingen niet meer. Zo verloor hij zijn geloof.

               Precies dezelfde manier van redeneren kun je horen in het EO-programma Adieu God. Zoals de titel van het programma al doet vermoeden, gaat de presentator daarin met zijn gast het gesprek aan over de manier waarop deze zijn/haar geloof en kerkbetrokkenheid heeft opgegeven. Soms hangt het direct samen met iets ergs wat er in het eigen leven is gebeurd, maar meestal geeft toch het overweldigende leed om ons heen of ver weg daarbij de doorslag. Er is zoveel leed; waar is God dan? [cf. Ps 42,7-12. Mt 27,46]

               Wat mij opvalt in zulke verhalen, is de volledige afwezigheid van dankbaarheid – of in ieder geval wordt dankbaarheid daar compleet overschaduwd door de realiteit van het lijden. Nog voordat er ruimte komt om dankbaar te zijn –voor het leven, de liefde, voor al het goede dat gebeurt – worden we meegesleurd door het volgende leed dat zich aandient. Hoe kun je dankbaar zijn in een wereld waarin het lijden een realiteit is?

               Eerlijk gezegd vind ik het een vreemde vraag; mijn vraag is het niet. Maar het is een vraag die lééft. Daarbij is God Zelf problematisch: bij almacht, Gods macht, stelt menigeen zich totále controle voor: “alles wat gebeurt, is Gods wil; anders is Hij niet almachtig, toch”? Dit idee van almacht is niet gebaseerd op ons geloof, maar op onze fantasie, ons voorstellingsvermogen [cf. Js 55,8v. W 11,21-26]. Als al het leed dat op aarde geschiedt, Gods wil zou zijn, waarom zouden we dan nog bidden om de komst van Zijn rijk: “Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel” [Onze Vader: Mt 6,10]. Wat almacht is, wordt ons echter door Jezus geopenbaard, in Zijn leven čn in Zijn sterven. Dan blijkt: Gods macht is de niet-te-stoppen macht van de liefde, die vergeeft, geneest en heel maakt, die leven geeft, juist in het menselijke bestaan met al zijn lijden en zelfs over de dood heen [2Tm 2,11]; als een grassprietje door het asfalt heen. Dit vieren wij telkens weer in de Eucharistie – en eucharistie betekent dankzegging! Kortom, Gods macht openbaart zich niet in dwang en overmacht, maar in het laatste Avondmaal en op het Kruis.

                Niet alleen ons beperkte voorstellingsvermogen m.b.t. God houdt ons ervan af om dankbaar te zijn, ook ons idee van dankbaarheid. Want dankbaarheid veronderstelt een relatie; je kunt niet dankbaar zijn jegens je computer of je stoel, maar alleen jegens iemand, een jij/u/gij, die je iets goeds geeft wat je zelf niet kunt doen/maken. Dankbaarheid betekent dat er een wederzijdse band is die je goed doet: gever en ontvanger, zoals je in het dagelijkse leven dankbaar kunt zijn voor alles wat je van je ouders, vriend en vreemdeling hebt gekregen.

               In die zin valt het mij op dat steeds vaker mensen zeggen dat ze “trots” zijn. Je kunt trots zijn op iets dat je zelf hebt gepresteerd. We zeggen wel dat wij trots zijn op onze Olympische en Paralympische sporters. Echter, deze sporters hebben er jaren lang voor getraind. Wij niet. Je hoort het niet vaak, maar toch kunnen zij naast trots óók dankbaar zijn: dankbaar voor de talenten (natuur) en de inspiratie (genade) die ze hebben gekregen. Zij hebben ermee gewerkt, maar daaraan vooraf gaat dat zij ontvangen hebben. Evenzo bij trotse ouders: hun opvoeding heeft vruchten afgeworpen. Maar tegelijkertijd kunnen zij dankbaar zijn dat zij überhaupt een prachtig kind hebben gekrégen. Gekregen.

               Dankbaarheid als houding vinden we in onze samenleving steeds minder. Dat heeft met het vele leed om ons heen te maken, maar eveneens omdat ons wordt geleerd om zelfstandig te zijn, in de zin van onafhankelijk – alsof wij individuen-zonder-relatie zouden zijn, maar wel met rechten. Dan is het moeilijk om te erkennen dat wij God en elkaar nodig hebben. Hulp vragen wordt dan al gauw beschamend. Bovendien kůnnen we zelf ook steeds meer en dat maakt vooral trots.

               Al enige jaren ben ik als pastor werkzaam in het bedevaartsoord van de heilige Pater Karel in Munstergeleen (bij Sittard). Daar gaat het er wat anders aan toe. Allerlei mensen komen daar, om te vragen om hulp čn om te bedanken. Tegeltjes, foto’s, intenties in het intentieboek “uit dankbaarheid”, kaarsen: het is net of je in een andere wereld bent. Het is opvallend dat ook vandaag zeer velen deze plek weten te vinden om uitdrukking te geven aan hun dankbaarheid. Zo vindt menigeen ook in de kerk, in gebed, in muziek enz. mogelijkheden om dankbaarheid te uiten – niet omdat er niks mis gaat, maar om niet te vergeten dat er steeds zoveel weer beter gaat, dankzij de Ander: dankbaar voor het goede dat je ten deel valt te midden van alles wat niet goed gaat!

               In het evangelie is het schokkend dat juist een Samaritaan, een niet-Jood en anders-gelovig, een voorbeeld wordt [Lk 17,16]. De aanwezigheid van diverse bevolkingsgroepen en religies in onze samenleving opent ons de ogen ervoor hoe het ook anders kan dan wat wij doen: in het licht van het evangelie soms beter, soms niet. Maar als het gaat over het aannemen van een dankbare houding, kunnen wij in “Holland”/West-Nederland zeker nog wel iets van anderen leren [zoas bijv van de Syriër in de Eerste lezing].

               Eucharistie betekent dankzegging. Wij zeggen dank voor het goede in een wereld waarin zoveel niet goed gaat. Hier ontvangen wij wat we nodig hebben en niet zelf kunnen maken. Door hiervoor dank te zeggen blijven wij ons hiervan bewust. Wij oefenen ons in dankbaarheid jegens de Eeuwige en zo ook jegens elkaar. Want, “is er iets wat je hebt dat je niet gekregen hebt?” [1Kor 4,7]. Mogen wij zo samen het geluk vinden dat “God (de Almachtige)” voor de mens heeft bedoeld. Amen.

 

 

Slotgebed

Almachtige, Barmhartige, God van alle mensen,

Wij danken U dat U ons te midden van alle ellende en onzekerheid
het goede blijft geven.
Wij vragen U:

Geef dat wij het van harte, met open armen willen ontvangen.
Maak dankbare mensen van ons,
zodat wij blijven groeien in geloof, hoop en liefde.

Dit vragen wij U in de Heilige Geest, door Christus, onze Heer. Amen.

 

Verkondiging

 

Verkondiging 25 september 2016 door Elsbeth Greven, Vredeskerk Amsterdam. Gelezen: Amos 6, 1-7, 1 Tim. 6, 11-16, Lucas 16, 19-31.

 Het gefeest en geluier is voorbij. Dat is nog eens klare taal. Gericht aan ons, als de zogenaamde rijken, degenen die lekker feesten. Het leven mag natuurlijk ook gevierd worden. Zolang we ons tegelijk ook bekommeren om de minderbedeelden, om de lazarussen, volgt er meteen achteraan. De lezingen van vandaag kunnen we zo op de huidige toestand in de wereld leggen. Nog steeds oorlog in het Midden-Oosten, vluchtelingen uit Syrië, ongerechtigheid,  vrouwenonderdrukking, zovéél oneerlijke verdeling op vele maatschappelijke terreinen …

Keer op keer benadrukt ook onze paus Franciscus deze zaken, helemaal in dit jaar van de barmhartigheid. En hij spoort ons voortdurend aan: doe er iets aan, verklein die kloof tussen arm en rijk, tussen oorlog en vrede, tussen recht en onrecht - en al die andere kloven tussen macht en onmacht, tussen normaal en anders, tussen nu en later, tussen bikini en boerkini, tussen jong en oud, tussen alleen en samen, tussen olympisch en paralympisch, tussen natuur en cultuur, tussen man en vrouw.

Om wie bekommeren wij ons? Voor wie komen wij op? Waar dichten wij de kloven? En waar halen wij onze inspiratie vandaan?

‘Het is gedaan met de feesten van hen die daar lui liggen uitgestrekt ’ oftewel het gefeest en geluier is voorbij - zo lezen we in de Nieuwe Bijbelvertaling, een dreigende maar ook wel vermakelijke zin die me is bijgebleven van de profeet Amos. Straks gaan wij als rijken in ballingschap als we niet oppassen… en eindigen wij als de naamloze rijke in het evangelieverhaal … Maar, zoals bij veel Bijbelverhalen, kunnen we deze gelijkenis beter niet al te letterlijk nemen.

‘Ze hebben Mozes en de profeten’, zei Abraham tegen de rijke man in het evangelie. ‘Laten ze naar hen luisteren’. Hebben we daar nog wat aan, tegenwoordig? Aan Mozes bijvoorbeeld?  Afgelopen zomer was ik twee weken met een groep studenten en wetenschappers in Rome, op studiereis waarvoor ik was uitgenodigd door een Nederlandse katholieke stichting. Iedereen had een eigen studieonderwerp uitgekozen waaraan je in Rome kon werken. Die van mij – hoe toevallig nu! - was Mozes en Sigmund Freud in Rome.

Mozes kriebel, wat moeten we nu nog met Mozes, en het Oude Testament, en al die wreedheden daarin? Het gaat toch eigenlijk alleen om het Nieuwe Testament, over het evangelie waar we iets aan hebben ’– aldus een van mijn Roomse studiegenoten die mij nogal eens met mijn onderwerp plaagde. De grote psycholoog Freud was zijn hele leven lang een groot bewonderaar van Mozes.  Mozes was als een vader voor hem. Hij droomde zelfs regelmatig over hem! Het gaf hem veel kracht en troost. Freud bestudeerde ook het indrukwekkende beeld van Mozes dat Michelangelo maakte. Het staat in de San Pietro in Vincoli - een kerk in Rome. Misschien bent u er geweest, en heeft u het beeld gezien.

Volgens Freud steeg Mozes boven zichzelf uit omdat hij zijn woede kon beheersen toen hij met de Stenen Tafels de berg Sinaď afdaalde. Dat drukt het beeld van Michelangelo volgens hem uit. Mozes die zich juist inhoudt, én zijn eigen verlangens opzij legt. Een andere, eigenzinnige kijk op het beeld. Freud ging elke dag wekenlang naar het beeld van Mozes toe. In Rome heb ik natuurlijk het beeld ook bezocht. Net als Freud raakte ik ervan onder de indruk. Mozes is nog jong en gespierd, heeft een grote volle baard en twee hoorns op zijn hoofd. Hij kijkt vol toorn en teleurstelling opzij en hij blijft je daarbij indringend nakijken. Dat was wel een zeer krachtige herinnering aan bijvoorbeeld de tien geboden, die ons vaak nog maar weinig zeggen omdat ze ons als moralistisch voorkomen. Maar de wereld zou er volgens deze oeroude raadgevingen al een stuk beter uitzien…

Ja, dus ook uit Mozes kun je inspiratie putten, het wordt zelfs aangeraden door de evangelist Lucas. Kunnen we ook inspiratie vinden bij de vrouwen in de Schriften? Gelukkig staan er in het evangelie vrouwen op. Maria, Magdalena, Elisabeth - zij en de vele heiligen en martelaressen die de rooms-katholieke kerk en de wereld rijk zijn. Zij hebben de goede boodschap heel goed verstaan en de weg vrijgemaakt om die ook te verwezenlijken. Zij bieden ons nog steeds volop inspiratie. ‘Het vrouwelijk genie’ volgens paus Franciscus. En, niet te vergeten, de hedendaagse geniale vrouwen: geestelijk begeleiders, theologen, lectoren, pastoraal werkenden, religieuzen, bestuurders, en: ook vrouwelijke dirigenten, zie het prachtige koor, het Canticum Anglicum, dat een groots jubileum vandaag met ons viert, onder leiding van Marga Schoutens.

‘Ik begrijp niet, zo zei een jonge priesterstudent onlangs tegen mij, waarom vrouwen ook vooraanstaande posities willen in de kerk. Ze kunnen toch non worden?’ Ja, dat is zeker zo, en dat is prachtig, maar is het niet zo dat vrouwen ook andere capaciteiten hebben, of misschien een priesterroeping? Zij zouden ons en de kerk verder kunnen helpen. Kan er ook naar hen omgekeken worden? Ook - en juist ook - door mannelijke geestelijken?  Het gefeest en geluier is voorbij … wij in de Vredesparochie doen in ieder geval ons best, maken al verschil.

Ik was blij te zien dat er in de studiegroep Rome zoveel vrouwelijk katholiek (geďnspireerd) talent was. De een bestudeerde het verschijnsel hoop, een ander literatuur en mystiek, en één studente werd de eerste vrouwelijke katholieke voorzitter van een christelijke studentenvereniging. Ook de wijze waarop de jonge katholieke mannen en vrouwen zo vanzelfsprekend gelijkwaardig en inspirerend met elkaar omgingen, raakte mij. Kan dit ook in onze katholieke kerk? Gelijke mogelijkheden voor vrouwen? Het lijkt mij dat er behoefte is aan katholieke vrouwelijke religieuze leiders. Zeker om goed op de toekomst voorbereid te zijn, en daar op tijd de juiste stappen voor te gaan nemen. ‘Bestendige vooruitgang’ heette dat pas nog in de Troonrede.

Toen paus Franciscus dit voorjaar een onderzoek heeft gestart naar de mogelijkheden om vrouwen toe te laten tot het ambt van diaken, een gewijde functie in onze kerk, was ik daar wel opgetogen over. Dat is al enige beweging tenminste. Het onderzoek wordt gedaan door twaalf internationale onderzoekers, zes vrouwen en zes mannen[i][ii]. Zou het niet mooi zijn wanneer er eens boven de ingang van onze kerk dan weer een mooi groot doek hangt, maar nu van een vrouw, bijvoorbeeld de eerste vrouwelijke katholieke diaken, vergezeld door Franciscus? 

Streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen’, zo zeiden en deden Timóteüs, Lucas, Magdalena, Franciscus , Maria, Mozes,  Amos en al die profeten. Ik zeg het ze graag na. Amen.

 

Verkondiging

 

                                                                                                      

op 18 september 2016, de vijfentwintigste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Amos (8, 4-7), Psalm 113 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan Timoteüs (2, 1-8) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (16, 1-13).

 

De Tsjechische hoofdstad Praag, aan de oevers van de Moldau, is een sprookjesachtig mooie stad. Die roep en roem van Praag is ook doorgedrongen in het Verre Oosten, want het wemelt in Praag van de Oost-Aziatische toeristen: Japanners, Chinezen, Koreanen, Maleisiërs, Indonesiërs, Filippino's. De jumbojets moeten af en aan vliegen. Samen met pater Mark-Robin Hoogland wás ik afgelopen week in Praag en onze indruk was dat tachtig procent van de toeristen die je er zag uit Azië kwam - ook vele bruidsparen die op en rond de beroemde Karelsbrug in hun mooie trouw-outfit romantische plaatjes laten maken.

 

Want u weet: dáár houden de Aziaten erg van, van fotograferen, nόg meer dan wij. Ik vond het af en toe maar moeilijk te verdragen, al dat gefotografeer. Eén van mijn leermeesters, de priester en professor Ruud Huysmans, ook hier geen onbekende, maakte in mijn studententijd ooit de opmerking: "Ik weet niet wat de mensen vast willen houden." Ik dacht: Hij heeft gelijk. En ik ben acuut gestopt met fotograferen. Maar dan ben je als toerist een uitzondering. De massa's toeristen die tegen betaling door de Sint-Vituskathedraal, binnen de Praagse burcht, worden geloodst fotograferen en kwekken alleen máár zo lijkt het. De terreur van de fotografie! Het stuitte mij érg tegen de borst. Zo wordt de kerk een museum. Zo wordt God een bijzaak en komen de ziel en het gebed in het nauw.

 

Heel confrontérend voor mij: al die Aziatische toeristen met hun camera's die Praag bijna lijken te hebben overgenomen. Van de andere kant: als Europeanen hebben we natuurlijk boter op ons hoofd. Wie ben ik eigenlijk dat ik die lieve ondernemende enthousiaste Aziatische mensen het reizen en het fotograferen zou willen en mogen ontzeggen? Ook pater Mark-Robin en ik liepen daar rond in pretpark Praag. En ook wíj hebben wel degelijk foto's genomen. Nou ja... vooral hij dan. Maar ik ga ze toch ook bekijken als hij ze me stuurt. En: waar is de fotografie trouwens uitgevonden? Juist, hier, in Europa, in Frankrijk. En wie zijn er begonnen met het ontdekken van de wereld en van vreemde volkeren, met het geweldig ontwrichten daarvan, met die aan zichzelf onderwerpen en genadeloos exploiteren tot het verschepen van slaven van het ene continent naar het andere toe? Juist: 'Wij', όnze voorvaderen, de Europeanen. En wij Nederlanders hebben daarin ons mannetje gestaan, zeker ook wat betreft die slavenhandel.

 

Al die Aziatische toeristen, in Amsterdam nog in mindere mate tot op heden, maar: wacht maar af... al die Aziatische toeristen houden ons daarom denk ik in die zin een spiegel voor: In hen krijgen wij een koekje van eigen deeg. In hen zien wij feitelijk versterkt onszelf terug. Zij zijn een karikatuur van onszelf die όόk maar overal heenvliegen en elders in de wereld de zaak overnemen met vaak weinig respect voor de cultuur van de landen waar wij neerstrijken.

 

Een spiegel die ons wordt voorgehouden: όόk in het evangelie van deze zondag. Die 'rentmeester'. Wat een schelm. Wat een schurk. Maar die schelm en die schurk zijn wijzelf veelgeliefden. U bent dat. En ik ben die. Want allemáál denken, praten en leven we in meer of mindere mate vanuit het perspectief van ons eigenbelang en vegen daarbij ons eigen straatje schoon. En allemáál zijn we geneigd om te denken dat de hele wereld van ons is en dat wij op van alles maar recht zouden hebben en de anderen niet. Dit land is toch "van ons"? En: "Wij hebben er toch voor gewerkt?" Ach ja mensen: het zal allemaal wel. Maar álles, of in elk geval: heel veel, het meeste in het leven voor de meeste mensen, dat is afhankelijk van waar je wiegje heeft gestaan. Toeval dus. En domme pech dus voor veel mensen. Je zult in deze tijd maar in Aléppo geboren worden. Dan ben je dus de sigaar. De mensen die zich vanuit moeilijke omstandigheden zogenaamd hebben 'opgewerkt', die hebben misschien grote talenten zomaar meegekregen én ze zijn misschien slim geweest of ook soms: gewiekst. Die kunnen όόk zijn opgeklommen door anderen te passeren en achter zich te laten, ook soms door allerlei gesmoes, gekonkel en ellebogenwerk. De wereld en zelfs de kerk zijn soms net een slangenkuil. "Hoor dit, u die strikken spant voor de armen" sprak de profeet Amos in onze eerste lezing vandaag. "U (...) redeneert: Wij kopen de misdeelde voor geld, de arme voor een paar schoenen."

 

Om een voorbeeld van dat laatste te geven:

 

Midden in Praag, op het centrale plein in de binnenstad, staat een groot monument voor Jan Hus. Hij werd omstreeks 1370 geboren. Zijn vader was voerman, vrachtrijder dus. Zelf werd hij priester, professor en zelfs rector van de universiteit van Praag. In de Bethlehemkapel, vlakbij waar Mark-Robin en ik logeerden kun je nόg de preekstoel zien van waaraf hij het woord voerde voor soms wel drieduizend mensen tegelijk. Hus moet een machtige stem hebben gehad en die kapel een goede akoestiek. Gezongen werd er in de landstaal. Toen al! Hus was een man van het volk. Hij klaagde de rijkdom van de kerk en de hebzucht van de geestelijkheid aan. En hij zei: Je hebt leden van de kerk, christenen, die het alleen in naam zijn. En je hebt christenen die het wérkelijk zijn en er dus ook wérkelijk bijhoren, bij de kerk. Alleen die laatsten zullen het redden als God de wereld zal oordelen. Hoe een mens geleefd heeft zal daarvoor bepalend zijn. Dat was kortgezegd zijn visie.

 

Maar vanwege die visie kreeg hij een spreekverbod. Hij moest de stad ontvluchten en in 1414 werd hij gedagvaard om voor het concilie, de algemene kerkvergadering, in Konstanz te verschijnen. De Duitse koning Sigismund beloofde hem daarvoor een vrijgeleide. Maar de koning gaf niet thuis toen het concilie, die kerkvergadering, Jan Hus op 6 juli 1415 veroordeelde om als ketter op de brandstapel te sterven. Mijn grote leermeester pater Van Kilsdonk wás ooit in Konstanz. "Ik heb de hele dag gehuild" zei hij. Want Jan Hus, die zijn visie trouw bleef en niet wilde herroepen, die werd als een arme voor een paar schoenen verkocht door de hoge, puissant rijke heren van de kerk. En koning Sigismund wilde behalve koning van Duitsland ook graag koning van Bohemen worden, dus dan kon hij zo'n ketter bij nader inzien toch maar beter niet beschermen. Een inktzwarte bladzijde in het geschiedenisboek van onze kerk zoals daarin helaas vele van zulke bladzijden zijn[27]

 

- precies als in het geschiedenisboek van ons land: Toen men in 1986 de Erasmusprijs aan de Tsjechische mensrechtenorganisatie Charta 77 wilde uitreiken, verzette toenmalig minister Hans van den Broek zich daartegen. Want het betrof hier "een politiek delicate zaak" zo zei hij. In plaats van aan Charta 77 werd de prijs uitgereikt aan de schrijver Vaclav Havel, prominent lid van de beweging, de latere president. Havel kon zijn land niet eens verlaten om de prijs in ontvangst te nemen. Nochtans had het kabinet Lubbers het er moeilijk mee dat in de rede die in Havels naam zou worden uitgesproken de mensenrechtensituatie in het toenmalige Tsjechoslowakije op kritsische wijze aan de orde zou worden gesteld.

 

Het schaamrood komt je op de wangen als je het allemaal terugleest... Vanwege economische en andere belangen stonden én staan in samenleving en kerk vrijheid en waarheid onder druk.

 

Jezus wijst een andere weg. Hij zegt: "Maak je vrienden met behulp van de geldduivel, als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten." Onze wereld is hoe dan ook onrechtvaardig. Wij hier in Nederland dénken dat we het allemaal zo goed weten en zo goed doen, maar ook ons land is gebouwd όp en ingebed ín een wereld vόl onrecht. Vuilen handen maakt een mens altijd. Zoals ook geld áltijd, per definitie stinkt. En altijd staat een mens in het krijt bij God. Alles wat je bent en hebt, dat heb je maar gekregen, geleend. En het laatste hemd, dat hééft geen zakken. Dus dan kun je maar beter bedacht zijn op mogelijkheden om met het geld en ander zogenaamd 'bezit' dat jij in beheer hebt, om daar mensen mee te steunen en blij mee te maken, om "machtelozen (...) uit het stof" te tillen en "van vuilnishopen de armen" weg te halen zoals we hebben gebeden in de 113e psalm. Die psalm is misschien al vijfentwintig eeuwen oud veelgeliefden, maar die vuilnishopen waarop die armen bivakkeren, die zijn er nog altijd. Ook in Amsterdamse bovenwoningen kun je ze aantreffen. Van Godswege worden we geroepen om onszelf en ons geld in te zetten om te proberen zulke puinhopen, όόk in de zogenaamde Derde Wereld; om te proberen die te helpen opruimen. Want: We zitten wereldwijd allemaal in hetzelfde schuitje. We zijn one world - één wereld.

 

Machtelozen uit het stof tillen, van vuilnishopen de armen weghalen. Het wordt in die psalm, gezegd, gezόngen van God. Maar die werkzaamheid van God, veelgeliefden, die kan en die mag door jou dus ook héén gaan, daar mag en daar kún jij het instrument van zijn. Werkzaamheid van Gods, van Jezus' Geest in jόu, van díe Geest het instrument zijn, dát is "het ware goed" en hopelijk behoort dat jou toe, zit het in je, ben je ermee vergroeid, is het deel van je wezen. Als dat zo is, veelgeliefden, dan zit jij zeker níet bovenop je geld, dan ben je niet op de penning, dan ben je géén centenbijter. Dat is het bewijs. Amen. 

 

Verkondiging

 

 

op 4 september 2016, de drieëntwintigste zondag door het jaar, in de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de Wijsheid (9, 13-15), de brief van de heilige apostel Paulus aan Filemon (9-17) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (14, 25-33).

 

Zeker als een mens ouder gaat worden, als het haar langzaam droger, grijzer en eventueel ook dunner wordt, als het lichaam minder soepel en krachtig wordt en gebreken begint te vertonen, als vrienden en familieleden of ook jijzelf getroffen gaan worden door ernstige of minder ernstige maar toch wel lastige aandoeningen en ziektes en als het leven vanwege dat alles minder vanzelfsprekend gemakkelijk en 'leuk' wordt, maar het meer menens wordt en verdrietiger, dan kan een mens zich in zijn of haar lichaam en in het leven op aarde überhaupt behoorlijk opgesloten gaan voelen dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk. Een mens kan dan eventueel zelfs last krijgen van claustrofobie, dat is: van engtevrees, de ziekelijke vrees om in een afgesloten ruimte te vertoeven. Zo is het soms voor mensen. Zij, wijzelf kunnen ons opgesloten voelen in ons eigen lichaam. En wij kunnen ons opgesloten voelen op die aarde van ons waarop het maar steeds voller, viezer en onrustiger lijkt te worden. Help!

 

Misschien, dierbare gasten en parochianen, misschien dat onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Wijsheid, misschien dat die eerste lezing wel van zo'n enigzins claustrofobisch bewustzijn getuigt: "De aardse tent is een last voor de geest met vele gedachten." En zo ook de psalm, de negentigste, die wij gezongen hebben: "Gij doet de mensen tot stof vergaan. Gij zegt: voorbij, ach kinderen van Adam; in uw ogen zijn duizend jaren als de dag van gisteren weg, als een uur van waken 's nachts. Gij vaagt ons uit als een droom in de morgen; wij zijn als het welig tierende gras: 's morgens komt het omhoog en bloeit, 's avonds is het gemaaid en dood. Een mensenleven duurt zeventig jaar of, als wij sterk zijn tachtig, het meeste daarvan is moeite en verdriet en opeens is het uit en vliegen wij heen."

 

Tja... veelgeliefden... zo is dat... Je zou er somber, mistroostig van kunnen worden. Je zou er in mineur van kunnen raken. En wat doet een mens in zulke omstandigheden? Ja... je zoekt naar houvast. En waar, bij wie vind je dat houvast? Ja natuurlijk: bij en in mensen, bepáálde mensen. Familie is belangrijk: je moeder, je vader, je kinderen, broers, zussen. Een partner is belangrijk: je man, je vrouw, vriend, vriendin, geliefde. Ja, dááraan klampt een mens zich vast. En hoe groot is die kring, of dat kringetje, van mensen die voor jou belangrijk zijn, die jou helpen om te leven, om het leven aan te kunnen, bij wie jij steun zoekt? Wie is er, wie zíjn er uiteindelijk voor jou als het er op aan komt?

 

Tja, dat is natuurlijk de vraag. Een vriend van mij is lang samengeweest met iemand bij wij bij een bevolkingsonderzoek sporen van darmkanker zijn aangetroffen. Mijn vriend zit daarover erg in de rats. Zelf lijdt hij aan de ziekte van Parkinson. Ook geen sinecure dus. Hij zei: "Ik kan hem niet missen."

 

Tja...

 

Wat zeg je dan?

 

In het evangelie horen we Jezus vandaag zeggen dat we vader, moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen, ja zelfs ons eigen leven moeten 'verfoeien'. Zό klonk het in de vertaling die wíj te horen kregen en dat is de Willibrordvertaling van 2012. De Nieuwe Bijbelvertaling, van 2005, vertaalt met: breken. "Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn." De Bijbel in Gewone Taal zegt: opgeven. "Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn." Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense Bijbel, vertaalt in de editie van 2014 met: haten. "Als iemand tot mij komt en niet zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen, ja, zelfs ook zijn eigen lijf en leven haat, kan hij geen leerling van mij wezen." Met datzelfde 'haten' vertalen álle oudere vertalingen: de Statenvertaling (uit 1618), de Petrus Canisius (van 1939) en die van het Bijbelgenootschap (1951).

 

Dus: Verfoeien, breken met, opgeven, haten. In het Hebreeuws wordt het woord voor 'haten' echter niet zozeer gebruikt in de zin van 'affektieve afwijzing' in de zin van: ik mag je niet, maar meer in de zin van 'geen abolute betekenis hechten aan' of 'achter zich laten'.[28]

 

Maar, dierbare gasten en parochianen, waar gaat het nu om? Waarom spreekt Jezus zo?

Ik denk dat Hij ons duidelijk wil maken en leren dat het niet verstandig is όm en dat het in wezen ook niet kán om je ziel en zaligheid helemaal op te hangen áán en je geluk helemaal te verwachten ván een méns. Noch jijzelf noch enig ander mens kan jouw geluk helemaal zijn en maken. Altíjd is dát perspectief te benauwd. Uiteindelijk red je het daar niet mee. Want: uiteindelijk moet je alles en iedereen, je hele leven op deze kleine aarde inclusief je hele 'zelf' loslaten en opgeven. En: Wat ís er dan nog? Wíe is er dan nog? En waar ga je dan heen? Waar ga je naar toe?

 

Eergisteren nog zat ik aan het bed van een stervende man, begin vijftig, vader van drie jonge kinderen. Hij was het aan het meemaken. Spreken kon hij niet meer. Zijn ogen leken wezenloos. Wat ging er in hem om? Ging er nog iets in hem om? Was er nog meer dan alleen maar ellende, malaise, verwarring, lijden? Ik denk: In zulke omstandigheden wordt een mens en worden ook degenen die op hem betrokken zijn, die van hem houden, onontkoombaar geconfronteerd met die vraag: Is er nog iets dát of iemand díe ruimte biedt, die een uitweg wijst?

 

Samen met de moeder van deze man, die dus in de bloei van zijn leven áfscheid moest nemen van het leven, van zijn vrouw, van zijn kinderen, heb ik, naast hem zittend, samen met zijn moeder dus, aanvankelijk onwennig want wij waren nieuw voor elkaar maar van lieverlede meer ontspannen, op fluistertoon maar vurig hebben wij daar de rozenkrans gebeden, dankend voor al het goede van zijn leven, biddend om het vermogen om los te laten en zich over te geven, God vragend om zich te ontfermen en hem tot zich te nemen, om hem te doen ingaan in Zijn eeuwig koninkrijk van licht, vrede en vreugde.

 

Geloof ik daar zelf in? Is er een realiteit die beantwoordt aan wat zulke bedes verwoorden en waar om gevraagd wordt? Is zoiets nog méér dan 'wensdenken'? Wie zal het zeggen veelgeliefden? Als refrein van onze psalm zongen wij vandaag: "Gij zijt voor ons van geslacht op geslacht, O Heer, een veilige woonplaats geweest." En in de laatstgezongen verzen hoorden wij: "O God, kom terug en sluit vrede met ons. Toon dat Gij met ons bezig zijt en laat onze kinderen uw heerlijkheid zien. Wees met uw mildheid om ons heen o Heer, en bestendig het werk van onze handen." Bieden zulke woorden, veelgeliefden, bieden zulke woorden ons de ruimte waarnaar wij zoeken, waarnaar wij snakken? Verlossen zulke woorden ons van onze claustrofobie: voor onze angst dat we totaal zijn opgesloten op deze aarde en in ons lichaam? Of bestaat er wérkelijk een opening naar een werkelijkheid anders dan de aardse, maar wél een werkelijkheid? Kan een mens dáár, kan een mens ér doorheen komen? Wie zal het zeggen? Wat is daarop uw antwoord?

 

Wat biedt veiligheid? Wie biedt veiligheid? Zijn het onze naasten, onze dierbaren, onze geliefden die wij kunnen zien en aanraken, die ons kunnen vergezellen en bijstaan, maar die ons uiteindelijk toch moeten loslaten en wij hen? Of is het God die wij níet kunnen aanraken en zien, maar die met ons kan gaan, "waar niemand met ons gaat" om een lied van Huub Oosterhuis te citeren?[29] Wat is echt en wat is onecht? Velen zeggen: God bestaat niet. God is maar schijn. God is maar een doekje voor het bloeden. Maar voor Jezus was God wél echt, echter dan wie of wat dan ook. Echter en wérkelijk reddend. En om dat in optima forma te kunnen ervaren is het nodig dat je alle mensen tussen haakjes kunt en durft zetten. En wil en kun en durf jij dat? is dan de vraag... Of zou Jezus zich soms vergist hebben veelgeliefden en kun je maar beter niet doen waartoe Hij ons uitnodigt?

 

Op de Eerste Pinksterdag van dit jaar overleed, één dag voor zijn 91ste verjaardag, in Het Schouw in Amsterdam-Noord Albert van den Berg. Hem en zijn vriend Sake Bakker, met wie hij maar liefst achtenvijftig jaar samen was, leerde ik kennen aan het sterfbed van een vriend van hen die hier recht tegenover de kerk woonde. Dat was kort na mijn aantreden in deze parochie, nu tweeëntwintig jaar geleden. Sindsdien kwamen Ab en Sake veelvuldig hier, deden ze mee en droegen ze op allerlei manieren bij aan onze parochie: financieel en door zich anderzins in te zetten, met name in het kader van de Open Kerk. Een paar jaar terug stierf Sake. Albert bleef alleen achter. Maar oud en wrak als hij was bleef hij όόk hier bij ons naar de kerk komen, helemaal uit Amsterdam-Noord. En op de vrijdag voor zijn laatste verjaardag had hij nog aan mijn dierbare vriend en ambtsbroeder Nico van der Peet, de pastoor van Amsterdam-Noord, gevraagd om, uitgeput als hij was, toch nog de heilige communie en zegen te mogen ontvangen. "Zijn devotie, zijn overgave zal ik niet licht vergeten" zei Nico bij de uitvaart op 19 mei. "Ik zal die met mij meedragen als een voorbeeld van vertrouwen, van overgave, het leven in geloof weten los te laten" aldus opnieuw Nico.

 

"Wie zou u raadsbesluit gekend hebben, als U de wijsheid niet had gegeven en uw heilige geest niet uit de hemel had gezonden?" zo hoorden wij vandaag in het boek van de Wijsheid. Ja, waar zouden wij zijn zonder de wijsheid van Gods Geest? Albert van den Berg, de vriend van Sake Bakker, stierf op Eerste Pinksterdag. En Pinksteren is zoals bekend het feest van de Geest, van Gods Geest, van Jezus' Geest. Bij de uitvaart citeerde pastor Nico van der Peet een passage uit Paulus' brief aan de Romeinen: "(...) Als de Geest van Hem, die Jezus heeft opgewekt van de doden in u woont, zal Hij, die Christus uit de doden heeft laten opstaan, ook uw sterfelijk lichaam levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u woont.[30]

 

"De Geest van God overwint de dood" zei Nico. En: "Ik wil naar Sake toe" kon Albert in die laatste fase van zijn leven zeggen. En zo is het veelgeliefden. Jezus kan dan van ons vragen om vader, moeder, vrouw, man, kinderen, broers en zussen en jezelf te verfoeien, om met hen te breken, hen op te geven geven, om hen te haten zelfs - We moeten niet te sterk aan de anderen en aan onszelf en aan wie we zogenaamd zijn en aan wat we zogenaamd hebben, wij moeten daar niet te zeer aan gehecht zijn. We moeten er niet aan vastzitten. Want dat gaat ten koste van onze werkelijke vrijheid die alleen in en door God te vinden en te ontvangen is. Wie van mensen houdt en naar hen verlangt, maar de gehechtheid aan mensen, het claimen van mensen haat en er van af ziet, die krijgt ze des te meer en des te beter terug. Mogen wij ervaren veelgeliefden: dat het waar is. Amen.          

 

Verkondiging

 

op 28 augustus 2016, de 22e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Jezus Sirach (3, 17-18.20.28-29), Psalm 68 (ged.), de brief aan de Hebreeën (12, 18-19.22-24a) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (14, 1.7-14).

 

Enkele jaren geleden, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk; enkele jaren geleden kreeg ik het idee en het verlangen om in Brugge eens deel te nemen aan de Heilig Bloed-processie zoals die op Hemelvaartsdag jaarlijks in grote bontheid door de straten van die schone Vlaamse stad slingert. Via een bevriende priester daar legde ik contact met de organisatoren werd het geregeld.

 

Het was een stralend zonnige dag die natuurlijk met een mis begon. Ik was al vroeg in de kathedraal in de ruimte die mij genoemd was. Daar hingen allerlei misgewaden klaar. Ik dacht: Ik kleed mij vast aan.

 

Langzaam druppelden de Vlaamse collega's binnen en drong het ook langzaam tot mij door dat ik overdressed was: die klaarhangende misgewaden bleken te zijn bestemd voor de belangrijkste conce-lebranten tijdens de viering, zeg maar: 'de hogere geestelijkheid' - kanunniken, kapittelheren, dekens, abten. Heel dom van mij dat ik mij dat niet eerder gerealiseerd had. Dom en natuurlijk behoorlijk gęnant. Ik kreeg het er warm van. Ik kon wel door de grond zakken. "Gij hebt dat nu aan, houdt dat aan" zei de ceremoniarius tegen mij. Heel aardig was dat. Maar ik  wilde daar natuurlijk niet van weten. Ik meende reeds enige verstoorde blikken te hebben geregistreerd: Wie is die man? Dus nee... voor geen goud. Ik zou mij tijdens de hele viering totaal opgelaten hebben gevoeld in die out-fit, dat concelebratiekazuifel. Ik heb het dus, zonder blikken of blozen zoveel mogelijk, uitgedaan - vόόr aller ogen.

 

Tja, dierbare gasten en parochianen: "(...) alwie zichzelf verheft zal vernederd worden". Ja, zo voelde dat toch wel - al had ik dan in onwetendheid gehandeld. "Goed voor je nederigheid", zou er destijds in de zogenaamde 'leefgroep' voor theologiestudenten waarvan ik gedurende het grootste deel van mijn studententijd hier in Amsterdam deel uitmaakte; "goed voor je nederigheid" zou daar gezegd zijn. En zo is het ook. Want: een mens wordt daar natuurlijk heus niet minder van, van zo'n beschamende ervaring, om op zo'n manier eens zichzelf tegen te komen, om eens een spiegel voorgehouden te krijgen en zijn hoofd te stoten.

 

"Je moet je plaats weten" zegt men. Jíj moet jouw plaats weten in dat gecompliceerde weefsel, in dat zeer vertakte en vertwijgde systeem van de maatschappelijke en ook de kerkelijke pyramide. En het is goed, verstandig en zelfs slim om binnen dat geheel eerder bewust een 'lagere plaats' te kiezen dan jou zogenaamd toe komt, of zou komen, dan een hogere plaats. Want van zo'n hogere plaats kun je alleen maar naar beneden kukelen. En dat is dan een afgang. Dan ga je af. Terwijl je van een lage plaats noodzakelijkerwijs alleen maar, zoals dat heet, hogerop kunt komen.

 

Het is opvallend dat Jezus in het eerste deel van onze evangelietekst vandaag aldus de maatschappelijke orde zélf, die sociale pyramide, eigenlijk lijkt te affirmeren. Hij is, "op een

sabbath, het huis van een van de voornaamste Farizeeën" binnengegaan. Blijkbaar was Hij uitgenodigd. Maar "zij hielden Hem voortdurend in het oog" zo staat er. Pieter Oussoren vertaalt zelfs: "Zij zijn Hem gaan beloeren".

 

Toe maar. Met argusogen dus. Zij, de mensen, de gasten, in het huis van die belangrijke man, ze ver-trouwen Hem, Jezus, voor geen cent. Hij is duidelijk niet one of the boys. Hij is duidelijk 'anders', niet: één van ons. De mensen daar hebben een ongemakkelijk gevoel bij Jezus. Ze hebben een kijkje op Hem. Wat gaat Hij doen? Eigenlijk hetzelfde als zij: Hij observeert hoe het daar toegaat in dat huis bij die ontvangst, die maaltijd. Hoe manifesteren de mensen zich? Hoe doen ze? Hoe gedragen zij zichzelf? Wat Hij ziet, Jezus, is een pikorde, net als in het kippenhok en op de apenrots. Zo werkt het onder mensen dus ook. Ik stel mij voor dat Jezus er een beetje om moet lachen, om dat gedoe. En zijn advies in dat verband is dus: Je kunt je maar beter zo terughoudend mogelijk opstellen, zo onopvallend mogelijk gedragen, jezelf niet op de voorgrond dringen en profileren als hoe dan ook 'belangrijk'. Dat is wél zo relaxed.  

 

Maar dán... komt Jezus tόch opeens stevig uit de hoek. Hij wendt zich tot de gastheer: Als je een feestje geeft, dan moet je niet je familie en je vrienden en well-to-do buren uitnodigen, mensen die het goed hebben. Je moet juist mensen uitnodigen die van alles te kort komen en het je nooit terug kunnen geven.

 

Oef! Die zit. En dat komt aan. Hopelijk ook bij ons. Want: wie staan er in jouw leven centraal? Om wie draait jouw leven? Om welke mensen? Op wie ben jij betrokken? Wie geef jij aandacht? In wie steek jij tijd en geld? Zijn dat mensen die dat eigenlijk helemaal niet nodig hebben, die het misschien 'wel leuk' vinden, maar die er geen boterham minder om zullen eten en die er geen traan om zullen laten als jij níet zo 'goed' voor hen bent? Zijn het mensen van wie je hoopt en eigenlijk ook verwacht of zelfs min of meer eist dat zij op hun beurt net zo 'goed' voor jou zijn als jij het bent voor hen? Draai jij rond in een elkaar wederzijds voortdurend bevestigend maar au fond behoorlijk lauw kringetje? Of durf jij om zoals dat tegenwoordig heet ook out of the box te denken en te doen? Durf jij ook contact te maken met mensen buiten jouw vertrouwde sfeer?

 

Hoe doe je dat om te beginnen bijvoorbeeld hier na afloop van de viering? Verlaat je dan zo snel mogelijk de kerk of doe je dat niet? Ga je of blijf je? En als je blijft, als je wel koffie blijft drinken, beperk je dan jezelf tot een vaste plek en tot eenzelfde kringetje van mensen? Of durf je ook eens op een andere plek te gaan staan of zitten en eens contact te maken met iemand die je nog niet kent? Wie zijn hier eigenlijk überhaupt welkom en mogen er ook taken vervullen? Zijn dat alleen mensen die eerst όnze ballotage moeten passeren of durven

wij ook de ruimte te geven onder ons en tussen ons in, aan mensen die ons misschien wel diepgaand verontrusten omdat ze behoorlijk anders zijn als zogenaamd wijzelf? Wil en kun je er zijn voor mensen voor wie jij wérkelijk iets kunt betekenen omdat ze leven met een handicap of een tekort of een verlies? Kunnen en willen wij dat als kerkgemeenschap ook? Mogen mensen met een tekort of een handicap ook bij ons horen en met ons meedoen? Ik denk, veelgeliefden: in het licht van het evangelie zijn het allemaal wezenlijke vragen.

 

"Bedenkt waar gij staat" werd ons in de Hebreeënbrief vandaag op het hart gedrukt. "Gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke en plechtige vergadering van de eerstgeborenen die in de hemel zijn ingeschreven; gij zijt genaderd tot God, de rechter van allen, en de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond." Ja, dat álles is hier aanwezig. Hij, Jezus, God, is hier in de kerk aanwezig. En zij, die engelen, die eerstgeborenen en rechtvaardigen, ook zij zijn hier in de kerk aanwezig. De hemel begint al hier. Dat is dus niet niks, niet gering.

 

Maar mensen, ook wij, kunnen geneigd zijn om er niet bij stil te staan, om het te vergeten. En we kunnen geneigd zijn om te denken en te doen of wijzélf hier de baas zijn, heer en meester. Wij kunnen ons gedragen alsof wij het hier zelf voor het zeggen zouden hebben. Maar zo is het niet veelgeliefden. Wij zijn hier allemaal gast, op aarde én in de kerk, niemand uitgezonderd. Wij moeten hier in die zin dan ook onze plaats kennen. En perfect, volmaakt zijn wij geen van allen. Arm, gebrekkig, kreupel en blind zijn we allemaal: Want we kunnen allemaal mensen en zaken over het hoofd zien en onhandig opereren eventueel en tekortschieten. En wie denkt dat dit in zijn of haar geval niet zo is, die heeft hier niets te zoeken, die kan maar beter weggaan en zijn of haar heil elders zoeken.

 

Maar ja, dáár, elders, is het vanuit ons, vanuit Jezus' perspectief natuurlijk niet te vinden. Dus blijf toch maar lekker. Maar overdress jezelf dus niet. Doe geen kleren aan die jou niet voor jou bestemd zijn. En meet jezelf geen verantwoordelijkheden aan die je niet hebt, matig je die niet aan. Kies op bescheiden wijze je plek. Kén je plek en wéét wie je bent. Heb oog voor mensen in nood in het bewustzijn dat je het ook zelf bent: in nood - dat ook jij de anderen echt nodig hebt. Amen.                                                                                                                                                

 

Verkondiging

 

op 21 augustus 2016 in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

(Deze preek is een bewerking van een preek die de Amerikaanse priester Joseph (Joe) Morrison, een vriend van mij, op deze zelfde zondag hield in Atlanta, Gegorgia (USA). 

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jesaja (66, 18-21), de brief aan de Hebreeën (12, 5-13) en het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (13, 22-30).

 

Het blijft een mooi gezicht: al die sporters van verschillende nationaliteit die het opnemen tegen elkaar, vandaag voor het laatst. En komisch hoe bij ons alles gefocust is op 'oranje': op mensen van eigen bodem, op sporters die de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hemd is nader dan de rok. 'Wij' tegen 'zij'. Ons land, onze taal, onze cultuur, onze godsdienst. We bekijken alles en iedereen vanuit ons eigen perspectief. Om die reden is onze eerste schriftlezing vandaag, uit het boek van de profeet Jesaja, zo bijzonder. Want daarin wordt beschreven: een groot bijeenkomen in Jeruzalem, de heilige stad van de joden, van mensen, van niet-joden ook, van zogenaamde 'heidenen'. Het is een mooie droom: een stad waar iedereen welkom is, waar niemand wordt buitengesloten, waar de onderscheiden tussen mensen vervagen en wegvallen, waar iedereen op de eerste plaats mens is en zich thuís voelt bij de God van Israël en bij die God dus ook van harte welkom is.

 

Heel anders moet de gemoedsgesteld zijn en moeten de ervaringen zijn tegen de achtergrond waarvan de brief aan de Hebreeën, vandaag onze tweede lezing, is geschreven. De schrijver van die brief richt zich daarin tot mensen die duidelijk te maken hebben gekregen met groot en zwaar lijden. Zoals elk van ons worstelt ook de schrijver van deze brief met de betékenis van dat lijden. En in een wereld waarin de wetenschap zoals wij die kennen nog niet bestond was eigenlijk iedereen ervan overtuigd dat het de gόden waren, of dat het Gόd was, door wie het lijden de mensen werd aangedaan.

 

Als de goden een slechte bui hadden, dan kreeg jij dat voor je kiezen. Je kind ging dood of je geitjes werden opgegeten door een wolf. Daar zaten de goden dan achter.

 

Als de goden goedgehumeurd waren, dan had jij ook geluk. Maar als jij je ochtendgebed vergat, dan konden de goden boos op je worden en een storm op je afsturen en dan werd je hutje omvergeblazen.

 

De oude goden waren grillig. Je kon tot ze bidden met het verzoek om iemand te straffen of je vijand een lesje te leren. En als het dan toevallig gebeurde, dan kon je denken: mijn gebed is verhoord.

 

Maar op een ander moment kon je zélf getroffen worden en daar niets van begrijpen: wat de reden daarvan was. De waanzin, de gekte van de wereld, daar kregen de mensen in een wereld zonder we-tenschap en teksten die iedereen kon lezen; op zo'n wereld kregen de mensen op die manier toch een beetje greep: Het zijn de goden zeiden ze.

 

Oόk de joden, van wie wij de bijbel hebben, waren vatbaar voor zulk bijgeloof omtrent God en de oor-zaak van het lijden.

 

In het praktizeren van geloof kán veel bijgeloof zitten. Mensen hebben dan het idee dat Gόd zich tégen een mens kan keren, dat God net zo wispelturig is als een mens en dat Hij je elk moment mores kan leren. Wie op die manier gelooft heeft een dreigend en duister geloof.

 

Wij krijgen de indruk dat de ontvangers van de brief aan de Hebreeën, dat dat mensen waren die te maken hadden met onverklaarbaar en zinloos lijden. En de schrijver van de brief richt zich met het Woord van God tot mensen die gewend waren aan lijfstraffen en die zulke straffen voor lief namen. Het geven van slaag hoorde bij het dagelijks leven. Gevangen werden geslagen. Slaven werden geslagen. Vrouwen werden geslagen. Kinderen werden geslagen.

 

Wij zijn daar in onze huidige cultuur allemaal erg tégen. Want al dat gemep lost in onze ogen niets op en het wordt er zeker niet gezelliger op en liefderijker van. De auteur van de Hebreeënbrief maakte echter deel uit van een cultuur waarin slaan dus normaal was. En hij schrijft over dat verschijnsel om iets duidelijk te maken over wie God is, precies zoals wij proberen om te begrijpen wie God is vanuit de verschijnselen binnen onze eigen cultuur, waar wíj mee te maken hebben.

 

Soms is het ook moeilijk om lijden af te doen als 'toevallig'. Wie met ziekte of ander onheil te maken krijgt, die gaat zich gemakkelijk afvragen: Waarom ik? Wát heb ik verkeerd gedaan dat ik dít verdiend zou hebben? Dat is een heel normale vraag voor mensen om mee te worstelen. Maar vaak worden mensen nu eenmaal vanuit het niets door rampen getroffen, out of the blue. Zomaar. Zonder reden.

 

Het is niet wreed, want er zít geen bedoeling en geen gedachte achter. Het gebeurt gewoon en het is gewoon hoe het leven loopt. Natuurlijk kunnen mensen het ongeluk ook wel over zich afroepen door hoe ze zelf leven, door wat ze doen en laten, door hun eigen keuzes. Maar vaak hebben dingen die in mensenlevens gebeuren géén reden en géén betekenis. De betekenis zit in onszelf: in hoe wij zélf met dingen omgaan en met Gods hulp verder leven.

 

Mensen gaan soms door de hel. En toch blijven ze aardig. Is dat geen wonder? Mensen kunnen soms erg beschadigd zijn. Wreedheden waar sommige mensen mee te maken hebben gehad, die laten soms diepe, levenslange sporen na. Ze komen er nooit helemaal overheen. En we kunnen echt niet zeggen dat Gόd ze het heeft aangedaan, expres, "om ze een lesje te leren". Je kúnt tegen iemand die beroofd, verkracht, mishandeld is niet zeggen dat Gόd ze die ervaring heeft gegeven: om door die levenservaring te groeien. Nee, wie op die manier gelooft en praat heeft een zíek geloof en die brengt een ander, een getroffen en geslagen mens, eerder van zijn of haar geloof af dan het geloof van die ander, het slachtoffer, juist te helpen genezen en sterker worden.

 

Welke boodschap hééft de auteur van de Hebreeënbrief dan voor mensen zoals wij die proberen te blijven geloven? Lijden waarmee we te maken krijgen hoeven we dus echt niet aan onszelf te danken te hebben. Toch kunnen we wel iets aan dat lijden hebben. Maar wat dan?

 

Als iemand van ons te maken heeft met een chronische ziekte, een ziekte die dus nooit meer overgaat, dan kan zo iemand, zo'n lijder aan een chronische ziekte, hopelijk gemakkelijker meeleven met mensen in vergelijkbare omstandigheden.

 

En iemand die is afgewezen, in de liefde of voor een baan, iemand die gediscrimineerd is en buiten-gesloten, die niet mee mocht doen, die heeft hopelijk meer begrip voor een ander die ook iets derge-lijks heeft meegemaakt. Zo iemand is door zo'n ervaring hopelijk veerkrachtig geworden en verzet zich tegen onrecht.

 

Als iemand een geliefde verloren heeft, dan zou hij of zij misschien wel eens de enige persoon in het leven van een ánder kunnen zijn die de diepte van zijn of haar verdriet kan begrijpen.

 

Wie veel geld kwijt is geraakt, die kan zich misschien goed inleven in de situatie van mensen die arm zijn, met hen meeleven en zich voor hen inzetten, in het kader van de voedselbank of zo.

 

Iemand die zelf vals beschuldigd is van iets, die zal misschien niet zo gauw roddelen over anderen.

 

Iemand die erg depressief is geweest, die kan misschien gemakkelijker een wanhopig iemand gezel-schap houden en die persoon helpen om in het leven te blijven geloven.

 

Iemand die zelf relatieperikelen heeft doorstaan of die gescheiden is, die zal wel minder gauw oordelen over mensen die iets dérgelijks meemaken.

 

Iemand die tracht los te komen van een verslaving, die weet daar dus alles van: hoe moeilijk dat is maar toch niet onmogelijk, en die kan vanuit die ervaring dan ook iets voor anderen betekenen.

 

Iets negatiefs wordt positief.

 

Maar vergeet een mens dan ook zijn of haar lijden? Misschien wel nooit. Toen Jezus na zijn verrijzenis zich weer liet zien aan zijn leerlingen, waren zijn kruiswonden, aan z'n handen en voeten en in z'n zij, nog duidelijk zichtbaar. Zelfs verrezen uit de dood neemt Jezus ze mee en blijven ze Hem bij.

 

De wereld lijdt. Overal heeft men er weet van: In Aleppo, in Damascus, in Nice, in München, in Brussel, in Parijs, in Zoetermeer, in Apeldoorn, in Baghdad, in Afrika, in India, in China, in Rio. Als volgelingen van Jezus kúnnen en willen wij aan al dat lijden niet voorbijgaan. Het is onze rόeping om te proberen verlichting en troost te schenken aan mensen in nood. En wie een ander helpt, die helpt daarmee ook zichzelf.

 

Door en in de viering van de heilige eucharistie staat in ons leven als christenen het lijden in al z'n omvang en hevigheid centraal: dat van Jezus en dat van álle mensen. De eucharistie is het hart van ons bestaan. En de eucharistie maakt ons hart hopelijk zacht en verlost ons van allerlei illusies en maakt dat allerlei muren tussen mensen instorten en verkruimelen. De eucharistie bouwt bruggen, geneest wonden en doet de hoop herleven in een gebroken hart. De eucharistie maakt ons één en zuivert ons, reinigt ons. In de eucharistie delen wij in het Lichaam en het Bloed van de eeuwige liefde.

 

Kort na afgelopen Pasen, op 31 maart, bracht ik in Torendael waar hij woonde een bezoekje aan Bert Rietveld die onlangs gestorven is. Totdat hij echt niet meer kon kwam Bert hier op zondag ter kerke. Hij zat altijd hier recht voor mij, op de stoelen vόόr de voorste kerkbanken, aan deze kant van de kerk. Bij die laatste ontmoeting met hem kon Bert niet spreken. Maar nadat wij, pater Edmund en ik, Jezus' Lichaam met hem hadden gedeeld, schreef hij op zijn electrische schrijfmachine een briefje voor ons: "(...) een troostrijk bezoek", zo typte Bert, "met als hoogtepunt de H. Communie. Vannacht dacht ik: O.L. Heer kom mij halen, ik ben bereid. Vorige maand ben ik 99 jaar geworden; tijd om afscheid van het leven te nemen." En in een P.S. voegde Bert hier nog aan toe: "Wat voel ik het als een gemis, dat ik niet meer in staat ben de mij zo dierbare Vredeskerk te bezoeken." Er wordt, veelgeliefden, wel eens meewarig, meesmuilend gezegd, ja geschamperd: alleen maar oude mensen - in de kerk. Maar ik draai dat om! Ik ben er juist trotst op dat oude, ja hoogbejaarde mensen soms alles op alles blijven zetten om naar de kerk te kunnen blijven komen. Want: dan moet het toch wel iets zijn waar het in de kerk om gaat! Dan moet dat toch wel betékenisvol zijn, als mensen het daar hun leven lang mee uithouden en er ook op hoge leeftijd nog aan hechten en zoveel voor overhebben, zoveel moeite... 

 

In het evangelie van Lucas vertelt Jezus ons vandaag dat de deur van het koninkrijk van God, waar je doorheen moet om gered te worden, dat die deur nauw is, smal.

 

Dat betekent niet dat we er niet doorheen kunnen. Het betekent wel dat we niet veel mee kunnen nemen. Haat, geweld, wreedheid, laster, vooroordelen, allerlei oordelen, oneerlijkheid en hypocrisie kunnen er niet doorheen.

 

Maar, geen zorgen: we hebben die ook niet nodig. Wie die zware lasten loslaat mag deelnemen aan het grote feest van God waarbij de Olympics verbleken omdat daar niet langer sprake zal zijn van 'wij' en 'zij', maar alleen nog maar van een 'wij' waar iedereen bij mag horen, een wij  dat iederéén omvat. Amen.                                                                                                                         

Verkondiging

 

op 14 augustus 2016, de 20ste zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozen-krans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek van de profeet Jeremia (38, 4-6.8-10), Psalm 40 (ged.), uit de brief aan de Hebreeën (12, 1-4) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (12, 49-53).

 

Een pyromaan? Of: pyromane trekjes? Had die lieve goede Jezus van ons, dierbare gasten en parochianen van deze Rozenkranskerk (De Obrecht), had Hij pyromane trekjes? Hield hij ervan om dingen in brand te steken? Hield hij ervan om mensen tegen elkaar op te stoken? Je zou het, getuige onze evangelielezing vandaag; je zou het gemakkelijk kunnen denken en dan ook de mensen gelijk moeten geven die "het altijd al gezegd hebben": dat religie, geloof, godsdienst, "alleen maar" een bron van ellende, van onenigheid, van ruzie is op aarde. Hij zegt het, Jezus, nota bene zelf! "Vuur ben ik op aarde komen brengen, en hoe verlang ik dat het reeds oplaait!" En: "Denken jullie dat ik ben gekomen om vrede te komen brengen op aarde? Nee, zeg ik jullie, eerder verdeeldheid."

 

Mijn hemel! Dat klinkt toch heel anders als in de kerstnacht waarin we de engelen altijd "Vrede op aarde" horen zingen, "Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft" schrijft de laatste editie (2012) van de Willibrordvertaling van de bijbel. En De Nieuwe Bijbelvertaling (2005) doet: "Vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft", terwijl de Bijbel in Gewone Taal (2014) schrijft: "Op aarde vrede voor de mensen van wie God houdt" schrijft. De engelen in de kerstnacht zingen met andere woorden niet van vrede zomaar voor iedereen dus, máár specifiek voor mensen in wie God welgevallen heeft, die Hij liefheeft, van wie Hij houdt. Voor hen, voor zúlke mensen betekent Jezus' geboorte vrede. En voor alle anderen dus niet is dan de logische conclusie. Maar ja... in wélke mensen heeft God dan welgevallen? Wélke mensen heeft Hij lief? Van wie houdt Hij?

 

Jezus, Gods welbeminde Zoon, kan dus ook een splijtzwam zijn, een bron van onenigheid met alle gevolgen van dien. Zélf somt Hij in het evangelie vandaag een hele waslijst op van de verschillende familieverhoudingen die vanwege Hem mogelijk verstoord kunnen raken. Het lijkt potjandorie wel of Hij daar een satanisch genoegen in heeft, een welbehagen. Is Jezus een borderliner? Of erger nog: Is Hij een psychopaat? Elk normáál mens leeft toch graag in harmonie met zijn of haar omgeving? Elk normáál mens houdt het toch graag gezellig en die wil toch zeker geen ruzie in de familie? Dus elk normáál mens die zal dan toch denken bij een evangelietekst als deze: Buiten de deur houden die Jezus! Die komt er bij mij niet in!

 

Tja...

 

En dan zitten wij dus met de gebakken peren: met diezelfde Jezus opgescheept - en ook met Jeremia over wie wij hoorden in de eerste lezing vandaag, uit het naar hem, Jeremia, ge-noemde boek. Ook al zo'n querulant, zo'n lastpak, zo'n vervelende figuur, die Jeremia! Hij leeft in een tijd, in de zesde eeuw voor Christus, waarin het eigenlijk heel goed gaat. Er is vooruitgang en er is rust in Israël - en mag dat geen wonder heten? Mensen zijn gelukkig en tevreden, het gaat hen goed. Jeremia wordt daarbij ervaren als grote spelbederver met zijn onheilstijdingen waarvan hij pretendeert dat ze van Godswege ingegeven zijn. De gezapigheid, de zelfgenoegzaamheid en alle Zwitserlevengevoelens van de mensen die het zo goed voor elkaar hebben, voor zichzelf in elk geval, die klaagt hij aan en die prikt hij door.

 

Dus is men niet zo blij met Jeremia, met 'die negatieveling' die de mensen demotiveert. "De edelen", de well-to-do mensen, naar wie de koning z'n oren laat hangen, zij kunnen die wel-bespraakte onheilsprofeet niet meer áánhoren. Ze willen van hem af. Ze willen hem dumpen. Jeremia moet de put in. De koning, Sidkia, is een slappeling. Hij gaat ermee akkoord. Hij zegt: "Ik kan toch niet tegen jullie", tegen al die nette mensen die eigenlijk schurken zijn; "ik kan tόch niet tegen jullie op." En "met touwen lieten ze hem neer." Iedereen stond er bij en keek ernaar. Niemand durfde er wat van te zeggen. De mensen lieten het gewoon gebeuren. En hoeveel onrecht en menselijke ellende, dierbare gasten en parochianen; hoeveel onrecht en menselijke ellende, ook in onze nabije omgeving, laten wíj maar gewoon voortbestaan zonder ertegen te protesteren en tegen in opstand te komen? Welke mensen laten wíj eventueel maar gewoon in hun sop gaarkoken en in de stront zakken? 

 

"In de put was geen water, alleen slijk, zodat Jeremia erin wegzonk" zo hoorden wij. En moet u zich dat voorstellen: Hoe dat voor een mens die zoiets meemaakt moet zijn, hoe claustro-fobisch, wat een nachtmerrie. "Vrede op aarde aan de mensen van wie God houdt." Heeft Jeremia, wegzinkend in het slijk, in die omstandigheden van die vrede nog iets ervaren? Ná de eerste lezing over Jeremia hebben de samenstellers van onze liturgie de veertigste psalm een plek gegeven die wij samen gebeden hebben. In die veertigste psalm wordt verwoord wát er in Jeremia in zijn benarde, angstaanjagende omstandigheden kan zijn omgegaan. In die psalm gaat het om godsvertrouwen, juist dan. Hád Jeremia toen en daar dat godsvertrouwen? Ja, wij mogen dat geloven. En hόe zit dat met ons? met u en met mij? Heb jij, heb ik nog godsvertrouwen als de stroke, de hersenbloeding, de afasie, de dementie, de alzheimer als dief in de nacht of als sluipmoordnaar toeslaat? Heb jij, heb ik nog godsvertrouwen in de put van het ziekenhuis, het verpleeghuis, het zorgcentrum of na de dood van een partner moe-derziel alleen thuis?

 

               "Met groot vertrouwen heb ik op de Heer gehoopt

                              en Hij sloeg acht op mij.

               Hij heeft geluisterd naar mijn roepen,

                              mij uit de modderpoel van leed gered."

 

Zo zingt de veertigste psalm - die onze liturgie dus Jeremia, daar onderin de put, wegzinkend in het slijk, in de mond legt. Zou jij, zou ik 't hem na kunnen zingen in zulke omstandigheden, als jij, als ik zelf in zo'n duistere dodelijke put zit?

 

Voor Jeremia kόmt er redding. Niemand, geen van die fijne, brave en vast erg weldenkende en vrome, godsdienstige mensen heeft z'n mond opengedaan en is voor hem opgekomen toen men die onruststoker, die ordeverstoorder, die naarling Jeremia neerliet in die put. Het is een vreemdeling, een buitenlander, de Ethiopiër Ebed-Melek, die blijkbaar als enige de misdaad aanklaagt, die bij koning Sidkia voor Jeremia opkomt en die hem op het laatste nippertje denk ik redt.

 

Als kind werd ik ooit geveld op het schoolplein. Ik had mij bezeerd en daar lag ik. Ik huilde en voelde mij ellendig. En toen kwam van boven opeens die grote, goede, lieve hand. Ik weet het nog goed. Bij wie hoorde die hand? Dat weet ik niet meer. Voor mij was het de hand van God. En ik denk: Zό komt God vandaag tot Jeremia in de figuur van die Ebed-Melek:

 

               "Al ben ik ook ellendig en armoedig,

                              de Heer draagt zorg voor mij.

               Mijn helper en bevrijder zijt Gij toch,

                              mijn God blijf dan niet talmen."

 

Zo zingt opnieuw de veertigste psalm. En zo denk ik dat God in heel concrete mensen, tot jou en mij kan komen en dat God zό, in en met hen en ons ook, Zijn verhaal schrijft.

 

Jeremia werd op het nippertje gered, nόg wel. Jezus echter "heeft (...) een kruis op zich ge-nomen en Hij heeft de schande niet geteld" hoorden wij vandaag in onze tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën. "Hij vond het niet erg dat hij op die manier vernederd werd" vertaalt de Bijbel in Gewone Taal dat laatste zinnetje. Jezus en Jeremia waren beiden zeer doelgerichte mannen. Zij wisten wat hun taak was in dit leven. Zij wisten welke boodschap zij hadden te brengen. Zij wisten wat hen te doen stond. En zij lieten zich door niets en door niemand daar van af houden. Mannen met ballen waren het die niet schroomden om récht tegen alle weerstand die zij opriepen; om daar tegenin en doorheen te gaan - naar het Licht toe. Zoete broodjes worden niet gebakken. En zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Een beetje onrust op z'n tijd, in de samenleving, maar ook binnen de kerk en in de familie, daar hoeven we dan ook echt niet bang voor te zijn veelgeliefden. Want die onrust kan ook 'heilige onrust' zijn. Soms is die gewoon nodig. Ja, soms is het nodig om de confrontatie met elkaar gewoon aan te gaan en om elkaar de waarheid te zeggen. Daar worden we echt niet per se slechter van. Nee, integendeel. Als jij koste wat het kost vόόr alles altijd maar de lieve vrede wilt bewaren, als je met alle winden meewaait en je per definitie altijd aansluit bij de meerderheid van stemmen en je, mét die veilige meerderheid, je keert tégen de stoorzender, de rebel, dan ben je gewoon een slapjanus, iemand zonder karakter en ruggegraat, zo'n type als koning Sidkia. Aanvankelijk laat hij zijn huig naar de wind van die kwaadaardige zogenaamde 'edelen' hangen, - precies de mensen die de weirdo, de catweazle, de have-not, die haveloze zonderling Jeremia durft te weerstaan. Sidkia, die nota bene de koning is, die is bang voor ze. En dát, veelgeliefden, is echt nergens voor nodig. Een mens die in God, die in Jezus gelooft, hoeft echt voor niemand bang te zijn, voor géén individu en ook niet voor de massa. Jeremia en Jezus zijn het dan ook niet. Zij zijn géén bange mensen. "Broeders en zusters, laten wij ons aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof (...) om vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we ons hebben ingeschreven" hoorden we in de Hebreeënbrief. Dafne Schippers mag dan afgelopen nacht in Rio op de honderd meter geen medaille hebben veroverd, maar ik hoorde haar gisteravond in het journaal wel zeggen nadat ze de kwart-finale had gelopen: "Ik had er vooral heel veel zin in."

 

En daar gaat het ook maar om, veelgeliefden, voor ons allemaal: dat we zín in het leven hébben én houden en zín ook soms, als het nodig is, omdat God zelf het je zegt; zin ook soms om de confrontatie aan te gaan. "Wrijving geeft glans" heb ik afgelopen week verschillende mensen horen zeggen. En zo is dat. "Zie naar Jezus" lezen wij in de Hebreeënbrief, "Zie naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof, (...) denkt aan Hem die zoveel tegenwerking (...) te verduren had: dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven." Laten wij, veelgeliefden, dat dus blijven doen: naar Jezus kijken en, gesterkt door Hem, niet uitvallen en moed houden. Moge ons leven, dat van elk van ons afzonderlijk én dat van ons samen, als kerkgemeenschap; moge ons leven ondanks, of nee: zelfs dánkzij allerlei frictie ook de glans krijgen van Zijn heilig Aangezicht. Mogen wij Jezus vuur hebben. Amen.          

 

Verkondiging

 

op 7 augustus, hoogfeest van de Kerkwijding van de kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Genesis (28, 11-18), Psalm 84 (ged.), de eerste brief van de heilige apostel Petrus (2, 4-9) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (19, 1-10).

 

Locus iste a Deo factus est. Díe Latijnse woorden zullen we zodadelijk tijdens de offergang door het koor horen zingen. Locus iste: Déze plaats. A deo factus est: (is) dόόr God gemaakt. Woorden zijn het die líjken op wat we, ontwaakt uit zijn droom, aartsvader Jakob hoorden zeggen in onze eerste lezing vandaag, uit het bijbelboek Genesis: "Waarlijk, de Heer is op deze plaats (...). Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel."

 

Wij lezen deze woorden vandaag hier in onze kerk omdat we daar de tweeënnegentigste verjaardag van vieren. In 1924 wijdde de toenmalige bisschop, Callier, op deze dag de kerk in. Híj deed op die dag wat we hoorden dat Jákob deed met de steen waarop hij met zijn hoofd had liggen slapen en die hij, ontwaakt, rechtop zette. Jakob goot vervolgens olie over die steen uit. En precies dát deed ook de bisschop op de dag van de kerkwijding met het spik-splinternieuwe, uit marmer gehouwen hoogaltaar van onze kerk: ook hij goot daar toen olie over uit. Daarmee wijdde hij dat altaar, geschenk aan de kerk van de bouwpastoor Nuijen; met die olie wijdde hij dat altaar, dat ons lief is, aan God toe, alsmede "aan Jezus' onbevlekte moeder" zoals op de achterzijde van datzelfde altaar is ingebeiteld en met gouden letters ge-schreven staat.

 

Het huis van God en de poort van de hemel. Zonder enige twijfel ís onze kerk dat voor ons.

In de nu tweeëntwintig jaar dat ik als priester aan deze kerk verbonden ben, heb ik ontelbare malen ervaren hόe hier de hemel openging en op aarde neerdaalde en hoe wíj, de mensen, er in werden opgenomen: hoe hemel en aarde hier dus één werden en worden. Locus iste. Déze plaatst... een heílige plaats!

 

Gistermiddag bevond ik mij op een voor mij heilige ándere plaats, aan de Prinsengracht na-melijk, op de stoep van de bekende familietherapeut Else-Marie van den Eerenbeemt en haar man Dick Schlüter. Else-Marie was een grote vriendin van mijn grote leermeester, de legendarische pater Jan van Kilsdonk S.J. die in 2008 op 91jarige leeftijd overleed. Dáár, vanaf de stoep van Else-Marie, maakte hij altijd de Canal Parade mee: die bonte processie op boten van mensen die in hun levens op een andere manier liefde en lichaam beleven dan binnen het huwelijk of de relatie van man en vrouw. zij én heterovrouwen en -mannen die met hen sympathiseren - en dat zijn er gelukkig zeer velen in dit land en zeker in deze stad. Volgens het achtuurjournaal waren er met elkaar wel 560.000 mensen in en rond de Prinsengracht aanwezig gisteren. Wat een aantal! Tachtig boten voeren er mee, die met burgemeester van der Laan, wethouders, gemeenteraadsleden en ambtenaren voorop. En vervolgens boten die allerlei segmenten van de samenleving  representeerden: politie en krijgsmacht, de Ne-derlandse Bank, politieke partijen, het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis enzovoort.

 

Voor de allereerste keer voer er ook een zogenaamde World Religion Boat mee, met mensen die de grote wereldgodsdiensten en andere vormen van geloof vertegenwoordigden.

 

Een imam, een vrouwelijke rabbijn, verschillende dominees, hindoes, boeddhisten, Boris Dittrich als humanist en mevrouw Corrie Kievith uit Westzaan die de eer van onze Roomse kerk in deze mocht redden. Vanaf die stoep, die voor mij heilige plek die mij de nabijheid, nog altijd, van pater Van Kilsdonk deed ervaren, heb ik, terwijl Else-Marie en Dick rijkelijk rosé schonken en het aanwezige gezelschap lekkernijen aanreikten; ik heb daar vanaf die stoep mijn ogen uitgekeken en volop genόten van wat ik allemaal zag. Was daar ook maar íets erotisch-banaal aan? Ach ja, veelgeliefden, ik denk: Een mens ziet altijd wat hij of zij ook wil en kán zien en ík moet u zeggen: ik heb het níet gezien. Nee, niet echt. Maar misschien heb ik iets gemist. Dat zou natuurlijk kunnen. Naar aanleiding van de onthulling, in 1987, van het homo-monument achter de Westerkerk zei pater Van Kilsdonk: "Op zulke dagen en op zulke plekken ervaar ik Amsterdam als een Mokum, zoiets als een heilige plaats. (En) als ik daar enkele duizenden mensen zie zingen en dansen, soms huilen van vreugde, neuriet in mij als een soort responsorie dat woord van Jezus: 'Jij of jullie bent niet ver van het Koninkrijk Gods'."  Dierbare gasten en parochianen, ik moet u zeggen: zo ervaarde ik het gisteren op de stoep van Else-Marie όόk. We all share the same dreams. We delen allemaal dezelfde dromen - was de boodschap van één boot. En is dat veelgeliefden niet wáár? Dromen we er niet allemáál van, zoals Jakob, dat er op aarde een ladder staat waarvan de top in de hemel reikt? En dat langs die ladder de engelen Gods opstijgen en neerdalen? Open communicatie met de hemel! Wat een mooie droom! Verlangen we niet allemáál om díe droom te dromen? Wie wil dat niet?

 

Opstijgen en neerdalen, daarover hoorden wij ook in onze evangelielezing vandaag. Opmer-kelijk: Zacheüs, dat kleine ventje, is opgestegen, opgeklόmmen is hij, in een boom. Daar zit hij: tussen het gebladerte dat hem half aan het oog onttrekt zo stel ik mij voor, hoog en veilig. En vanuit die veilige hoogte kijkt hij nota bene néér op Jezus op het moment dat Die onder die boom passeert. De betekenis van wat hier gebeurt, veelgeliefden, werd mij afgelopen week geopenbáárd, zo mag ik wel zeggen, door mijn hulp Sylvia die terwijl wij aan de keukentafel een actueel onderwerp bespraken uitriep: "Kom toch naar beneden! Zet toch een stap naar de mensen tόe...". Zacheüs die zich in zijn leven heeft opgesloten in een ivoren toren en die zich, omringd door wallen van geld, onkwétsbaar, maar ook: onbereíkbaar, onbenáderbaar heeft gemaakt en die gewoon doodeenzaam en doodongelukkig is; tegen Zacheüs in zijn bladerkroon zegt Jezus hetzelfde: Kom toch naar beneden! "Vandaag moet ik in jouw huis ver-blijven."

 

En de mensen spraken er schande van: "Hij neemt zijn intrek bij een zondaar", zeiden ze. En zo zijn er ook mensen die schande spreken van al die zondaars gisteren op de Prinsengracht. Maar die mensen vergissen zich veelgeliefden. Want dáár was ook Jezus. Ónmiskenbaar was ook Híj dáár aanwezig, tússen en met al die zondaars, precies zoals Hij op onze heilige plek hier, όns, zondaars, wil ontmoeten. Ja, juist daar wil Hij zijn, tussen en met de zondaars. Er op af. Er naar toe. Niet in je heilige smetvrije hoogte blijven vertoeven, maar tussen en met de andere mensen zijn. "Aan de herder moet de geur, de lúcht van de schapen zitten" heeft paus Franciscus meer dan eens gezegd. 

 

Gisteren aan de Prinsengracht een kudde van 560.000 mensen maar liefst. Maar waar was de herder? "Wij moeten homo zijn met de homo’s en hetero met de hetero’s" zei nota bene onze hulpbisschop Jan Hendriks in 2014 in een opmerkelijk interview met Rob Oudkerk,

de oud-wethouder.  Maar er wáren herders, zelfs Roomse priesters. Niet op de World Religion Boat, die laatsten, maar toch... ik heb er gezien, anoniem temidden van de menigte.

 

"Treed toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren door God en kostbaar in zijn ogen. Laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel, tot een heilig priesterschap dat geestelijke offers opdraagt, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus." Aldus de apostel Petrus in zijn eerste brief, vandaag onze tweede lezing. Wat leren wij uit deze woorden, speciaal vandaag op dit hoogfeest van onze kerkwijding? Ik voor mij dit: Het kerkgebouw, hoe dierbaar het ons ook is, hoezeer we het ook koesteren en liefdevol verzorgen en hoeveel we er ook voor over hebben, toch is het gebόuw níet het hart van de zaak en de kerk zelf. Jezus had geen kerkgebouw. Die liep gewoon vrij rond, in het wild. Het kérkgebouw, veelgeliefden, mag dus zeker géén afgod worden - wat ook hier soms wél eens dreigt te gebeuren ben ik bang. Nee. De échte kerk, de kerk zelf, dat zijn de ménsen, dat is de geméénschap van mensen die zichzelf en elkaar in God in Jezus Christus kunnen vinden. Dáárvoor, voor die ménsen en voor die soms ongrijpbare gemeenschap mogen we alles overhebben en geven en loslaten als het nodig is, als de omstandigheden dat van ons vragen.

 

Gisteren voer op de World Religion Boat ook mee de Algerijns-Franse imam Ludovic-Mohamed Zahed, 38 jaar, seropositief en homo. Wát een dappere man... Ik heb daar geen woorden voor... Een paar jaar geleden richtte hij in Parijs wat hij noemt een 'inclusieve moskee' op, een moskee waar niemand a priori wordt buitengesloten vanwege wie hij of zij is of hoe zij of hij leeft. "Religie ís (...) inclusief" zegt hij,  "het is de bedoeling dat er mensen bijkomen, niet dat er muren (! - pv) worden opgetrokken". En zo is het veelgeliefden en niet anders. Die inclusieve moskee van Ludovic is "geen gebόuw met een bordje op de deur. De bijeenkomsten vinden plaats op wisselende locaties die uit veiligheidsoverwegingen niet bekend worden gemaakt." - Over 'geestelijke offers' gesproken veelgeliefden... Ik denk dat deze imam Ludovic-Mohamed ze brengt. Zo'n man belíchaamt én tart alles wat religieuze fanatici haten. En daarmee is hij een droomdoel voor een aanslag. Tόch voer hij gisteren op de World Religion Boat méé over de Prinsengracht. Om met Petrus te spreken: zoals onze Jezus is ook híj een "steen die de bouwlieden hebben afgekeurd", maar juist als zodanig: "een hoeksteen". Hij is een zondaar tussen de zondaars en toch: een man van licht en instrument van God genade.

 

Dierbare geloofsgenoten, bezoekers en bezoeksters van onze jarige kerk: Mogen wij allen zúlke mensen zijn. Amen.

 

Verkondiging

 

op 31 juli 2016, de 18e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek Prediker (1,2; 2,21-23), Psalm 90 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (3,

1-5.9-11) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (12, 13-21).

 

Het is me nogal een waslijst, waar de apostel Paulus mee komt, in zijn brief aan de Kolossenzen vandaag:

 

"(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij."

 

Daar moeten we "radicaal een einde" aan maken schrijft hij. "En beliegt elkaar niet meer" voegt hij er dan nog aan toe.

 

Tja, veelgeliefden: zulke woorden komen binnen. En misschien kunnen we ons Paulus voorstellen terwijl hij de woorden schreef. Dat wil zeggen... het is onzeker of deze brief werkelijk van Paulus zelf afkomstig is. Veel geleerden betwijfelen dat. Maar als Paulus wél echt zelf de auteur is van deze brief, dan schreef hij die terwijl hij in de gevangenis zat, vermoedelijk in Rome, in de lente van het jaar 57 of in 62, zo'n dertig jaar dus na Jezus' dood. Stellen wij ons hem voor Paulus, driftig pennend. Het is felle taal die hij schrijft: "(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij."

 

Waar dacht Paulus aan bij dit alles? Wat had hij allemaal in dat grote Romeinse Rijk om zich heen zien gebeuren? En hoe ging het toe in de verschillende joodse en christelijke gemeenschappen die hij kende en die hij voor een belangrijk deel zelf gesticht had? Hoe leefden mensen met elkaar? Hoe gingen ze met elkaar om? En hoe gaat het er aan toe in onze tijd, in Europa, in Holland, buiten de kerk, binnen de kerk?

 

"(...) immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij." Op welke dimensies van ons leven hebben die woorden betrekking? Ik denk: op wat genoemd wordt 'de relationele sfeer', op hoe mensen met elkaar, met andere mensen omgaan in lichamelijke zin, in seksualiteit en erotiek. Hoe doen mensen dat? Hoe kijken ze naar anderen? Wie raken zij aan? Hόe raken zij aan? Hoe ziet op dit punt ons eigen leven er uit? En de geschiedenis van ons leven?

 

Herinner je, lichaam is de titel van een beroemd gedicht, in 1918 geschreven door de dichter Konstantínos Kavafís die geboren werd, leefde en stierf in Alexandrië, in Egypte. Hij was Griekstalig. Herinner je lichaam. Alleen de titel reeds van dat gedicht. Kavafis spreekt zijn eigen lichaam aan. Ja, wie en wat herinnert ons lichaam zich? Wat en wie hebben onze ogen gezien? Door wie en hoe is ons lichaam aangeraakt? Wie raakte of raakten wij zelf aan? Op welke wijze hebben wij dat gedaan? En hoe was dat?

 

Het zijn allemaal spannende en pikante vragen veelgeliefden, vragen op het scherp van de snede. Maar Paulus nodigt ons vandaag uit, vind ik, om naar deze dimensie van ons bestaan

 

 

te kijken, om daar gόed naar te kijken en om op dit vlak een onderscheid te maken tussen goed en niet-goed. "Maakt" aan wat niet goed is "radicaal een einde" schrijft Paulus in de hier voorgelezen vertaling van zijn brief. Maar de Griekse grondtekst gebruikt hier eenvoudig het woord "doden". "Doodt dan uw aardsgezinde kanten" vertaalt Pieter Oussoren in zijn Naardense bijbel.

 

Tja...

 

En waar zou dat dan goed voor zijn?

 

En hoe zou dat dan moeten?

 

Hoe máken wij in onze levens het onderscheid tussen goed en niet-goed op lichamelijk, op relationeel, op seksueel, op erotisch gebied? En hόe doen we het op het gebied van onze omgang met geld? Want ook het financiële domein komt duidelijk in het vizier vandaag. "Hebzucht staat gelijk met afgoderij" schrijft Paulus - precies zoals Jézus in het evangelie zegt: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht."

 

Je moet eigenlijk op aarde leven alsof je al in de hemel bent, schrijft Paulus. Daar is Jezus. Jezus  is de aarde en alles wat daar bij hoort, om met Prediker onze eerste lezing vandaag te spreken; Jezus is al het geploeter, alle ergernis, alle zorgen, alle ijdelheid en al het lijden die met het aardse leven samengaan, Jezus is ál dat aardse voorbij. Jezus, Christus, is "verborgen in God" schrijft Paulus. En met die in God verborgen Jezus mogen wij ons naar hartelust vereenzelvigen. Daartoe nodigt Paulus ons uit. Daarvoor wil hij ons enthousiasmeren. De oude mens afleggen. Jezelf bekleden met de nieuwe mens. Vernieuwd worden. Allerlei oppervlakkige verschillen die er tussen mensen bestaan, die van afkomst, huidskleur, taal en godsdienstige gebruiken, al die verschillen overwinnen en de eenheid vinden in Christus als "alles in allen" schrijft Paulus. Geen schatten verzamelen voor jezelf, niet oppotten, niet die bankrekening steeds vetter laten worden, maar je over geld geen zorgen maken en rijk zijn bij God. Zo drukt Jezus het ons in het evangelie op het hart. 

 

Afgelopen week werd binnen een situatie zoals ik die ook zelf dagelijks meemaak, tijdens een doordeweekse 'stille' mis in het Noord-Franse Saint-Étienne-du-Rouvray, bij Rouen, de 84jarige priester Jacques Hamel gekeeld door twee moslim-fundamentalisten. Zomaar vanuit het niets doken zij op en beschikten zij over dit leven, aldus natuurlijk alleen maar getuigend tégen de islam. Ik hoorde vanmorgen op de radio dat de islamitische gemeenschap van het stadje de daders niet wil begraven omdat hun geloof door deze afschuwelijke moord is bezoedeld. Dat is goed om te horen dat men dat vindt. En elke weldenkende moslim zal het ermee eens zijn mag ik aannnemen. Eerlijk gezegd wíl ik daar gewoon van uitgaan. Wij als christenen zouden de dood van deze priester op deze wijze, nota bene aan het altaar, mijns inziens op de allereerste plaats mogen beleven als een bevestiging van de waarde en van de waarheid van ons eigen geloof waarvan Jezus' kruisdood en verrijzenis het hart zijn. Juist in de viering van de heilige eucharistie beléven wij als het goed is dat wij inderdaad met en in Hem in God geborgen zijn, wat er ook gebeurt. Moge dat geloof, dat bewustzijn, die zekerheid veelgeliefden ons dan tot zo levensblij, angstloos, hartelijk en betrokken mogelijke mensen maken veelgeliefden. Niet bang voor de moslims, niet bang voor terroristen, niet bang voor vluchtelingen, niet bang voor liegbeesten, niet bang voor immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en hebzucht die gelijkstaat met afgoderij. Wij kunnen dat allemaal aan. Wij kunnen het allemaal hanteren. Wij kunnen met dat alles goed omgaan. Wir schaffen das. Jezus met wie samen ons leven verborgen is in God, Hij stelt er ons toe in staat. Amen.

 

Verkondiging

 

op 31 juli 2016, 18e zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Pred. 1,2 en 2,21-23; Kol.3, 1-11; Lucas 12, 13-21

 

Waar doen we het allemaal voor? “Zet uw zinnen op wat boven is en niet op het aardse”, zo lezen we in de brief van Paulus. In Lucas horen we de waarschuwing: “Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zichzelf en niet voor God”. Ergens anders in het evangelie staan de niet mis te verstane woorden: “Dwaas, vandaag nog zul je alles kwijtraken”.

 

De lezingen van vandaag confronteren ons met de zin van het leven. Aan het leven zit het einde van dat leven onherroepelijk vast. De zin van het leven zit niet in het vergaren van bezit of macht, want onze rijkdom en macht kunnen we niet meenemen. We weten dat alles voorbij zal gaan, want alles heeft zijn uur. We weten alleen niet wanneer dat uur zal zijn. Dat is maar goed ook. Ik zou erg benauwd zijn als ik zou weten dat mijn laatste uur geslagen is. Op het bidprentje van mijn opa, die onverwacht overleed, staat een uitspraak van de Heilige Augustinus: “Het is de barmhartigheid van God, dat een mens niet weet wanneer hij sterven moet”. En het kan zomaar ineens voorbij zijn. Je kunt een hartstilstand krijgen of de dood vinden op een boulevard in Nice of in een winkelcentrum in München of als vriendelijke priester terwijl je ergens de eucharistie opdraagt. Of je sterft een zinloze dood in oorlog en geweld of je verdrinkt op je vlucht in een of andere zee. Dan pas blijkt hoe zinloos je gezwoeg was. Alles in het leven is leegte, is ijdel, is ijdele hoop. Alles van wat we hier hebben, zullen we hier moeten achterlaten. Mijn moeder zei altijd zo treffend: “Het laatste hemd heeft geen zakken”. We worden in het evangelie opgeroepen om ons vooral druk te maken om de dingen die er werkelijk toe doen, terwijl het bereiken van rijkdom en macht in onze wereld tot het hoogste goed lijkt te zijn verheven. Het draait allemaal om mooier en beter en meer. Wij verwachten dat geld en goederen ons geluk zullen brengen. En als het geen materiële zaken zijn, dan vluchten we in immateriële zaken zoals macht, internetgames, geestverruimende middelen of andere verslavingen. Maar noch macht noch bezit noch verdovende middelen noch de vlucht op het internet kan ons leven veilig stellen. Kijk maar naar de parabel van de rijke boer van vandaag. Hij zit in een spiraal van onvrijheid: steeds weer nieuwe bouwplannen, steeds meer personeel, steeds nieuwe schuren, steeds nieuwe berekeningen. Hij had zijn overvloed aan graan beter kunnen verdelen onder de armen, maar hij wilde alles voor zichzelf houden en daarbij rekende hij even niet op de plannen van God. Voordat hij van alles kon gaan genieten, stierf hij.

 

Het is een misvatting dat je om een goed christen te zijn, je aardse bezittingen vaarwel moet zeggen. Afstand doen van alles wat je hebt, kan een mooi ideaal zijn, maar is alleen maar weggelegd voor een enkeling onder ons, een kluizenaar of een pater trappist die de gelofte van armoede heeft afgelegd. We hebben geld en goederen gewoon nodig om te leven, soms zelfs om te overleven. Geld mag dan niet gelukkig maken, maar helemaal geen geld maakt het meestal ook niet. Niemand mag jou je bezit misgunnen. Maar het ware geluk zal er niet van afhangen. Bezit wordt een probleem als we denken dat we alleen gelukkig zijn met een tweede huis, een tweede auto en een derde vakantie in een kalenderjaar.

 

Het laatste woord over leven en dood is aan God. Als een mens sterft, rest hem helemaal niets. Alleen de vruchten van onze arbeid blijven. We kunnen iets van onszelf nalaten in brieven, in composities, in schilderijen, in boeken of in overwegingen. Onze liefde leeft voort in partners, in kinderen, in kleinkinderen en in een mensheid die verder trekt op de weg van God. Gods volk onderweg. Het enige dat we kunnen meenemen uit dit leven is de liefde en het goede wat we gedaan hebben. Investeer dus in liefde en in goede dingen. Gebruik daarvoor je geld en goederen. Investeer met je bezittingen in de noden van de wereld. Lucas geeft ons vandaag een geweldig goed advies: “Het is dwaas als je anderen uitsluit van je rijkdom, als je niets van je bezittingen te gelde maakt om het uit te delen aan hen die tekort hebben”.

 

We moeten dus zo gaan leven dat we altijd klaar staan als ons laatste uur geslagen is. We moeten investeren in de mensen om ons heen en bereid zijn met hen te delen. We moeten hen behoeden voor armoede en onrecht. Er is veel onrecht om ons heen en veel mensen worden uitgesloten. Omdat ze oud zijn, omdat ze geen werk vinden, omdat ze vluchteling zijn, omdat ze jong zijn, omdat ze vrouw zijn, omdat ze anders geaard zijn of omdat ze een andere religie of andere huidskleur hebben. Mensen worden uitgesloten van de economische markt, van het onderwijs en van de sociale zekerheid. We mogen ons niet bij deze uitsluitingen neerleggen. Neem de uitgeslotenen op in je hart. Dat zal ons leiden naar vrede, naar solidariteit, naar werkelijk geluk en naar gerechtigheid. En dat is hard nodig in de wereld van nu. Ik citeer de boodschap van Mgr. Punt, die u vandaag in uw kerkblaadje vindt: “Zolang het extremisten lukt om in de hoofden van sommige mensen de bizarre gedachte te planten dat je andersdenkenden moet doden om God of Allah te behagen, zal de chaos in onze wereld alleen maar toenemen”. Wij christenen kunnen het verschil maken. Laten we er aan meewerken dat het stopt. Laat de dood van de parochiepriester Jacques Hamel en die van pater Frans van der Lugt niet tevergeefs zijn geweest. Ze hebben zich in hun leven dienstbaar gemaakt aan de mensen. Zij hebben werkelijk schatten verzameld, niet voor zichzelf maar voor God. Zij hebben werkelijk hun zinnen gezet niet op het aardse, maar op wat boven is.

Moge wij ook zo doen en moge zij rusten in Gods vrede.

 

Amen

                                                                                                                                    

Verkondiging

op 24 juli 2016, de zeventiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Remy Jacobs

 

Gelezen: uit het boek Genesis (18, 20-32),  de brief van de heilige apostel Paulus aan de Kolossenzen (2, 12-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (11, 1-13).

 

Beste broeders en zusters,

 

Een goede dokter begint bij het begin. Hij maakt een diagnose op basis van wat hij waarneemt en op basis van de beschrijving van de patiënt. Hoe is het vandaag gesteld met de patiënt: christendom? Paus Franciscus, die velen – binnen en buiten de kerk zijn gaan waarderen om zijn onconventionele optreden en om zijn nabijheid tot mensen, ongeacht wie ze zijn – heeft Europa in zichzelf gekeerd genoemd en een Unie waarin de waarden van de democratie, van vrijheid, glijkheid en broederschap aan het verbleken zijn. Een heldere diagnose. Een zelfde , mogelijk nog hardere diagnose stelde hij toen hij de interne gebruiken van de Kerk aanklaagde: machtswellust, begeerte naar rijkdommen, corruptie, vriendjespolitiek,  spirituele hoogmoed en spirituele navelstaarderij die niets met de radicaliteit van het evangelie te maken hebben.

Hoe kunnen mensen die kinderen misbruikt hebben, of dit hebben weggestopt onder het tapijt het in hun hoofd halen zich morele oordelen aan te matigen over hun broeders en zusters die zich soms vergissen in het leven?  Of over mensen die ernstig zoeken naar de liefde, zoeken naar die alles vervullende liefde die het hart goed doet, die mensen met elkaar verbindt en liefde voortbrengt?

Teillard de Chardin een beroemde en omstreden Jezuiet, had aan het begin van de vorige eeuw ook al een soortgelijke diagnose, maar dan van het hele Christendom, dus niet alleen van de kerkelijke hierarchie:

Hij zei: “Het Christendom is losgeraakt van de mens.”

 

Als dit een diagnose is van het Christendom, dan klinkt de roep uit Sodom en Gomorra ook vandaag nog luid omhoog naar God. Sodom en Gomorra.. het eerste waar velen in de kerk en buiten de kerk aan denken bij deze woorden is aan de verachting die de bijbelse schrijver zou hebben voor de homoseksuele mens, man of vrouw. En in sommige kringen maakt men zich zo druk over dit soort teksten dat het lijkt alsof er maar één doodzonde is en dat is: homoseksualiteit. Zoals een romeinse kardinaal een paar jaar geleden betoogde dat niet het seksueel misbruik een probleem was, maar homoseksualiteit.

Het is maar net hoe je het begin van de eerste lezing van deze zondag wil lezen. Goed. Hoe wilt u deze tekst lezen, nu vandaag duizenden mensen hier in Amsterdam beginnen aan de viering van de Pride?

 Ik zou vandaag met u (jullie? elkaar?) willen proberen de hele tekst te zien in de context van de andere teksten, voorbij het simpele oordeel, voorbij het makkelijke moralisme dat velen aan deze tekst ontlenen. Laat ik eerlijk zijn, het is spannend om hier over deze specifieke tekst te praten, vooral op een dag als vandaag omdat ik tot de groep behoor die de liefde vind in de homoseksuele variant die de Schepper heeft uitgevonden.

 

Wat is de kern van deze lezingen van deze zondag, de kern die ik er in vind en met jullie wil delen?

 

Ik heb geen pessimistische kijk op de mens, op de natuur of op de ontwikkelingen in de wereld. Als het zo is dat wij mensen “beeld en gelijkenis” van God zijn, dan is de mens tot hele grote dingen in staat. Maar soms zingt de mens zich los van de liefde: de liefde voor zichzelf, de liefde voor anderen, de liefde voor De Stem van de Liefde, waarvan Johannes zegt: God is liefde.

 

De losgezongen mens hoort deze stem niet meer. Hij leeft in een afgescheiden wereld God houdt afstand. Want wie zich afscheidt van de liefde wordt door de liefde wel gezocht, maar de liefde laat die mens volledig vrij.

 

 

We kunnen het verhaal van Sodom en Gomorra beschouwen als een verhaal over een historische plek, iets van vroeger waar we lessen uit kunnen trekken. Maar is Sodom en Gomorra ook niet de symbolische plek die het in ons taalgebruik geworden is? De plek waar we afgescheiden leven van de liefde? En als dat zo is, is die plek dan niet altijd en overal aanwezig? Overal waar de liefde afwezig is? Om ons heen, in onszelf? Dit is hoe ik het verhaal lees: Het loszingen van de liefde, deze afscheiding van de liefde is het eigenlijke Sodom en Gomorra . Sodom en Gomorra is die innerlijke ruimte waarin mensen zich van de liefde afscheiden. ”.

 

 

Wie God zoekt, zal hem vinden, ookal is Sodom en Gomorra nog zo dichtbij.  Maar het vraagt moed om van dat Sodom en Gomorra weg te lopen: weg te lopen van een wereld waaraan je gewend bent, waarin je je wellicht comfortabel voelt, ook klinkt de Stem van de liefde er niet. Het vraagt het volgen van het hart, daarin volharden en er je vervulling in vinden.

Sommigen zullen zeggen: Maar de God van de bijbel vernietigt Sodom en Gomorra toch? De God van de bijbel is toch een kwaaie God? 

Ja, Sodom en Gomorra worden vernietigd, maar is dat waar het verhaal over gaat? Nee, het verhaal eindigt niet met de vernietiging, het eindigt met een mens die de opdracht krijgt weg te lopen van d liefdeloosheid, zijn eigen pad te kiezen, weg van de rest, weg van de leegte en het verstarde leven.

Het eindigt met een mens op pad. En daarin zit de hoop.

Wie zijn persoonlijke pad volgt,  weg uit de afgescheidenheid naar de eenheid met de liefde, en  daarin volhardt, die hoeft voor geen toorn meer bang te zijn. 

De vraag is niet: wie moet er vernietigd en veroordeeld worden? De vraag is: willen we met de liefde van doen hebben, hoe de liefde zich ook laat zien? Durven we de liefde te volgen?

En kunnen Christenen van vandaag hun eigen afgescheiden zijn van de liefde, hun eigen Sodom en Gomorra achter zich laten, hun eigen pad te kiezen, en de eenheid met de liefde opnieuw op te zoeken?

Dat is volgens mij iets voor alle mensen, wie je ook bent, hoe je ook bent, binnen of buiten de kerk, gelovig of niet gelovig, atheďst of ietsist: Wil je met de liefde van doen hebben?

De erkenning dat Sodom en Gomorra in ons zelf zit als een innerlijke ruimte die ons van de liefde scheidt, zou de de bede van het evangelie nog krachtiger.en sprekender kunnen maken: Uw Rijk van de liefde en de eenheid kome, Uw wil van liefde geschiede, Geef ons heden ons dagelijks brood van liefde dat elk mens nodig heeft , en vergeef ons onze schuld wanneer wij de liefde beschamen, wie we ook zijn…

 

Verkondiging

                                                                                                                                    

op de 15e zondag door het jaar, 10 juli 2016, in de kerk van OLV Maria Koningin van de vrede te Amsterdam

 

Lezingen:            Lukas 10,25-37 (“De Barmhartige Samaritaan”)

                              Deuteronomium 30,10-14. Psalm 69. Kolossenzen 1,15-20

 

door Pater Mark-Robin Hoogland C.P. (Provinciaal van de Passionisten in Nederland)

 

We leven in de tijd van de lijstjes: de 25 beste films aller tijden, reisbestemmingen, boeken, grappigste tv-momenten enz.. Het houdt het leven ‘overzichtelijk’ en bovendien levert het onderhoudende televisie op. Serieuzer is de poging om een canon van de Nederlandse geschiedenis op te stellen. Mensen die hun eigen geschiedenis niet kennen, kun je alles wijsmaken...: een lijst van wat behoort tot de kern van onze historie en daarbij de vraag of de geselecteerde onderwerpen wel de juiste aandacht krijgen; hoe worden bijv. geloof en Kerk op de scholen behandeld en de slavernij, de onafhankelijkheid van Indonesië en Suriname, de vrouwenemancipatie en de homo-emancipatie? De onderwerpen en de behandeling ervan zijn zeer bepalend voor ons zelfbewustzijn, hoe we omgaan met ons verleden čn met elkaar.

               Een ander lijstje is de canon van de canon: een lijstje van Bijbelverhalen die de kern van het christendom uit zouden maken. Dit kan helpen om de boodschap van het evangelie beter te profileren in een tijd waarin Kerk en geloof het zwaar te verduren hebben. In ieder geval hoort het verhaal van de Barmhartige Samaritaan hier dan bij. Dit verhaal weerspiegelt ons verlangen om te léven [Lk 10,25] en is zo bekend, dat het in elke kinderbijbel wel te vinden is. Zelfs niet-gelovigen hoor je zeggen: “Ja, ik ben de barmhartige Samaritaan niet!” – m.a.w. ik heb best wat over voor mijn medemens, maar er zijn wel grenzen.

               Maar wat zijn die grenzen dan? Welke grenzen zitten in het verhaal zelf? Het gaat over een Joodse man, twee van zijn volksgenoten in hoog aanzien en een Samaritaan. Joden en Samaritanen gingen niet met elkaar om [Joh 4,9]; ze woonden in hetzelfde land, maar tussen deze twee bevolkingsgroepen met verschillende godsdiensten bestond een fundamenteel wantrouwen. Wij horen dat niet in het woord Samaritaan. Maar de parallel met vandaag de dag is niet moeilijk te trekken. Wat wij een mooi verhaal vinden – geraakt worden door je medemens in nood, in beweging komen en het lijden wegnemen – wordt ongemakkelijk; wat als het zou gaan over een barmhartige Marokkaan? Barmhartigheid, naaste worden van de ander [Lk 10,36], gaat over de grens van volk en godsdienst heen, openbaart Jezus ons. Barmhartigheid houdt niet op bij de grens van land, volk, religie; naaste worden houdt niet op bij de grenzen van Europa. De Eeuwige, die bemind moet worden volgens het eerste gebod [Lk 10,27], is immers de Heer van alle mensen en van al wat bestaat, zoals ook Paulus schrijft [Kol 1,15-18 cf. Ps 24].

               Liefde voor God en naaste gaat dus over de grens van landen en volken heen. Katholieken klinkt dit vertrouwt in de oren; de katholieke Kerk is immers een wereldkerk en het woord katholiek betekent nota bene: universeel!

               Er zit nog een tweede grens in het verhaal, een grens die niet overgegaan wordt: het liefhebben van God en naaste “met heel uw kracht” [Lk 10,27b]. De barmhartige wordt geraakt, is met de lijdende begaan, komt in beweging, gaat op hem toe, verzorgt de wonden met de olie en de wijn die hij heeft, geeft het geld dat nodig is en dat hij kan missen – maar hij draagt hem vervolgens wel over aan de herbergier. Kortom, de barmhartige doet wat hij kan, maar hij laat zich niet verlijden tot datgene wat hij niet kan. De Almachtige Zelf, heeft daar dus geen last van; God kan grenzeloos barmhartig zijn [cf. W 11,23]. Maar omdat barmhartigheid kan vragen wat de grens van onze eigen krachten te boven gaat, moeten barmhartige mensen steeds samenwerken, samen dragen en kunnen overdragen. Anders dreigt de burn-out...

               Barmhartigheid is derhalve niet alleen een quaestie van gevoel – liefhebben “met heel je hart” – maar ook een liefhebben “met heel je verstand” [Lk 10,27b].

               En barmhartigheid behelst altijd concrete daden [Lk 10,37a]. In het evangelie zien we al dat gelovig zijn, godsdienstigheid, geen garantie geeft dat iemand barmhartig handelt; de priester en de Leviet, “voorbeeldgelovigen”, lopen met een grote boog heen om de hulpeloze man aan de kant van de weg. Maar andersom heeft de afnemende godsdienstigheid in onze maatschappij wel tot gevolg dat mensen niet meer goed aanspreekbaar zijn op onbarmhartig gedrag. Vanuit een soort medemenselijkheid kun je nog steeds een beroep doen op barm-hartigheid, omzien naar elkaar, over grenzen heen: “de naaste liefhebben als jezelf” [Lk 10,27c]. Maar deze oproep is dan niet meer gegrond in iets wat onszelf te boven gaat: “U zult de Heer uw God liefhebben” [Lk 10,27a]. Wat zeg je tegen iemand die vindt dat we niks met elkaar te maken hebben, omdat we vreemdelingen zijn voor elkaar: niet behoren tot eenzelfde volk, familie, inkomensgroep, cultuur, religie...?

               “Ja, ik ben de barmhartige Samaritaan niet!” Echter, als wij willen léven nu en hierna, kunnen we maar beter zo grensoverschrijdend als die barmhartige Samaritaan wňrden! [Lk 10,37b] In het Nieuwe Testament lezen we hoe Jezus Zelf en Zijn leerlingen na Hem op die weg zijn voorgegaan [Lk 7,9 resp. Hnd 8,26-39. 10,1-48]. Tot op vandaag zien we dat die weg levengevend is voor iedereen die ’m van harte gaat. Er zijn al te veel mensen die zich in hun hart en denken en doen laten bepalen door de onbarmhartigheid van anderen. Zo brengt het extremisme van de één in anderen extremisme voort; dat is geen leven [Lk 10,28]. Juist als je zelf ervaart en om je heen en op televisie ziet hoe onbarmhartig mensen met elkaar omgaan, is dat dč oproep en de gelegenheid om je geloof van harte in praktijk te brengen. Wie gedoopt is in Zijn Naam, wil leven zoals Hij [Lk 6,27-36]. Jouw barmhartigheid kan anderen barmhartiger maken [cf. Rm 12,21]. Of denk je dat je de grens van je barmhartigheid al hebt bereikt?

                “Als u de stem van de Heer uw God hoort [....] moet u met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot” Hem; Zijn geboden “zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik” [Dt 30,10v. Cf. Ps 95,7v]; Zijn woord heeft Hij geschreven in ons hart, zodat wij met Zijn hulp in staat zijn om het te volbrengen [Dt 30,14. Jr 31,33. 2Kor 3,3]: met hart en hoofd en handen.

               Barmhartigheid is dus niet voor “softies”! In deze Eucharistie voedt Hij ons, om de barmhartige weg te kunnen gaan: in onderlinge verbondenheid en over de grenzen heen die mensen van elkaar scheiden [Ef 2,14], omwille van ons welzijn en omwille van ons heil. Amen.

 

Verkondiging

 

op 26 juni 2016, de dertiende zondag door het jaar, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het eerste boek der Koningen (19, 16b.19-21), Psalm 16 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten (5, 1.13-18) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas (9, 51-62).

 

Es gibt hier nichts was es nicht gibt. "Er is hier niets wat niet bestaat." Oftewel: Je kunt het zo gek niet bedenken of het is hier wel. Es gibt hier nichts was es nicht gibt. Dat zei: een Duitse geestelijke schuin achter mij, afgelopen woensdagmorgen op het plein voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Hij droeg een glanzend paars overhemd met priesterboord. Het zag er duur uit en hij was vast een monseigneur. Es gibt hier nichts was es nicht gibt. Hij zei het, de Duitse monseigneur, op het moment dat een Pόolse priester, in een motorpak, vlak achter mij, samen met een compagnon een witte motorhelm, een wit motorjack en een kruis-in-een-kist aan paus Franciscus aanbood - die op dat moment dus al vlakbij mij stond. Op de helm: de bekende afbeelding van Jezus met de veelkleurige stralen die uit zijn handen komen. Op het jack: het embleem van de komende wereldjongerendagen te Krakau. En het kruis in de kist was gemaakt van motorkettingen en tandwielen. Es gibt hier nichts was es nicht gibt, dus. Direct naast mij stond een keurige priester in soutane met een groot borstkruis, de provinciale overste van een congregatie die bijzonder is toegewijd aan de aanbidding van Christus' bloed. Hij had een groot bronzen beeld van de stichter van zijn congregatie meegenomen. Achteraan stond dat op een tafel opgesteld en de paus zou het later zegenen en hij zegende ook een aantal trouwringen die pater- provinciaal in zijn hand had. En toen was ik aan de beurt: de aanvankelijk wat angstig uit zijn ogen kijkende ongeschoren priester met lang haar uit Holland.

 

Ik zei, in gebrekkig Italiaans: "Goedemorgen Paus Franciscus. Ik ben pastor Pierre uit Amsterdam. Ik ben pastoor. Ik wil u dit boek aanbieden dat een echte schat van ervaringen is die een medebroeder-jezuďet van u, pater Jan van Kilsdonk, gedurende zestig jaar heeft gehad met homoseksuele mensen in Amsterdam. Hij heeft hen vergezeld in hun levens, in hun vreugdes, hun liefdes en ook in hun lijden en in hun verdriet en hij heeft ook veel over deze ervaringen nagedacht. Ik wil u vragen, Heilige Vader, om dit alles in overweging te nemen terwijl u werkt ten bate van de ontwikkeling van het onderricht van de Kerk over het thema homoseksualiteit." Terwijl ik sprak, keek en luisterde paus Franciscus heel aandachtig naar mij. Hij pakte mijn hand en legde zijn andere hand op mijn arm. En hij zei: "Deze mensen gaan mij ter harte. Zij hebben mijn aandacht. Ik draag hen in mijn hart." En terwijl hij deze woorden sprak bracht hij ook zijn hand naar zijn hart. En hij zei: "Ik wil u vragen om dit aan hen te zeggen en om hen van mij te groeten." En ik zei: "Dat zal ik doen Heilige Vader. Veel dank!"

 

(Het betrof de aanbieding van Van KIlsdonks boek Addio ragazzo di luce. Per abbatere il muro dell'indifferenza (Rome, 2016), de vertaling van Dag jongen van licht. Toespraken bij het afscheid van homoseksuele mannen. Op de site www.photo.va staan vele mooie foto's van deze ontmoeting met paus Franciscus: Linksbeneden (general audiences, 2016), dan de audiëntie van 22 ju ni aanklikken en vervolgens: sagrato destro, seconda parte (second part), vanaf foto 225616_22062016)

 

Ik vond het heel bijzonder, dierbare parochianen en gasten van deze Rozenkranskerk, ik vond het heel bijzonder, ja een wonder, dat deze paus die voortdurend zo'n oneindige stroom mensen ontvangt (nu is hij weer in Armenië), mensen die hem van alles willen geven en van alles aan hem willen vragen, dat deze lieve en goede, hartverwarmende paus er ook  éven, drie, vier minuten of zo, hélemaal voor mij was en voor wat ík hem wilde zeggen en geven. En dat hij zo prima antwoordde.

 

De paus was het plein opgekomen in gezelschap van een twaalftal pikzwarte jonge mannen in een-voudige broeken, ongestreken hemden en T-shirts. Over hen zei hij in zijn toespraak: "Vandaag zijn deze jongens bij me. Veel mensen denken van hen dat het beter zou zijn geweest als ze in hun eigen land zouden zijn gebleven. Maar daar leden ze zo. Het zijn onze vluchtelingen, maar veel mensen beschouwen hen als buitenstaanders. Per favore, sono i nostri fratelli. Alsjeblieft... zij zijn onze broeders. Een christen sluit niemand buiten, die heeft plaats voor iedereen." Dat zei de paus.

 

En over Jezus hoorden wij vandaag in het evangelie dat "toen de dagen van zijn verheffing hun ver-vulling naderden, hij vastberaden de reis naar Jeruzalem aanvaardde." Wij weten veelgeliefden: In Jeruzalem wacht Jezus de kruisdood. Maar Lucas karakteriseert die kruisdood hier dus reeds als 'ver-heffing' en 'vervulling'. Geen ondergang! Jezus is ten diepste niet bang. Hij durft te sterven. Ik denk: omdat ook sterven voor Hem leven is en wel: leven in zijn volheid, in zijn meest intense vorm. En daarna is alles open. Sterven moeten we ooit allemaal. Wij leven daar naar toe. En hoe zal het voor ons zijn? Hopelijk kunnen wij het, zoals Jezus, ervaren als een wezenlijk stukje en zelfs als de vervulling van onze levensweg. "Vastberaden aanvaardde hij de reis", zo staat er. Het viel mij op hoe krachtig en vastberaden paus Francíscus voortstapte aan het hoofd van die kleine schare berooide zwarte jongens, have-nots, maar kostbare, prachtige mensenkinderen. Paus Franciscus heeft ze gezien. Hij heeft hen opgemerkt. Hij heeft hen wérkelijk gezien. En wat heerlijk voor die jongens en voor al die mensen zoáls zij, dát de paus de mensen op het Sint-Pietersplein en via de media mensen over de hele wereld heeft uitgenodigd om hen eveneens écht te zíen.

 

In Jezus' gezelschap op weg naar Jeruzalem bevinden zich blijkbaar een paar geradicaliseerde jongeren, Jakobus en Johannes. Jezus en de zijnen zijn niet welkom in een Samaritaans dorp en zij vragen dan: "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?" Toe maar... Ook Johannes nota bene, "de leerling die Jezus liefhad" - in het Johannes-evangelie wordt hij zo genoemd. Jezus "keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht". Radicalisering is ook in onze tijd een hot issue. Hoe gaan wíj daar mee om?

 

Frans Horsthuis, een priester van 94 jaar oud over wiens leven en werk wij ons onlangs in het verband van een cursus hebben verdiept, hij schreef mij: "Het hedendaagse christendom is een voortdurend compromis tussen God en de wereld: de kool en de geit. Daardoor zijn onze hedendaagse kerken fut-loos geworden. (Er heerst) Angst voor de islam. Waarom? Het christendom zelf is-lam."

 

Hoort u de woordspeling? "Het christendom zelf is-lam."

 

Welk antwoord kunnen wij als christenen, als individuele gelovigen en als kerk, als geloofsgemeenschap geven op radicalisering? We zouden zelf moeten radicaliseren! Maar dan als christenen... Aan paus Franciscus zal het niet liggen. Die wijst in dit verband helemaal de goede weg lijkt mij. Hij gaat ons op die weg voor. Want hij maakt duidelijke keuzes. Vόόr die jongens! Hij komt voor ze op, heel duidelijk. Vόόr die jongens. En natuurlijk: tégen geweld. Jakobus en Johannes de-radicaliseren. Want zij luisteren naar Jezus. Hij heeft daarvoor bij hen het gezag. Want in alles ervaren zij natuurlijk dat Jezus ook vόόr hen is. En zo zou het denk ik ook kunnen werken bij onze eigen radicaliserende jeugd en ouderen, van welke soort dan ook: Als jonge of oudere mensen aan ons voelen dat wij vόόr hen zijn, dat zij ons ter harte gaan, dat wij aandacht voor hen hebben en dat wij hen meedragen in ons hart, dan nemen zij ons vast ook serieuzer, dan worden wij gezagvol voor hen. Dus daarom is het goed dat onze schepen op de Middellandse Zee, ook afgelopen nacht nog, al die vluchtelingen opvissen. Weet u nog: "Ik zal u vissers van mensen maken."  De zeelieden daar maken het letterlijk mee. Zij vissen de vluchtelingen op. Want dat moet volgens het internationale zeerecht. En dat moet nog meer en dieper omdat die vluchtelingen mensen zijn, precies zoals u en ik. En zij zijn even belangrijk als wijzelf. Medemenselijkheid, geen mensen uitsluiten maar voor ze opkomen. Dát is Jezus volgen. Dát is het koninkrijk van God verkon-digen, niet met woorden maar met daden. En wie zegt, of denkt: laat ze maar lekker verzuipen of als ze het overleven weer zo snel mogelijk ophoepelen, die keert zich tégen dat koninkrijk en die volgt Jezus niet.

 

Paulus, in de tweede lezing vandaag uit de Galatenbrief, herinnert ons aan het éne gebod dat alles sa-menvat: 'Bemin uw naaste als uzelf'. "Maar", zo voegt hij er aan toe, "maar als ge elkaar maar blijft bijten en klauwen, vrees ik dat ge elkaar op de duur zult verslinden". En zo is het veelgeliefden. De Brexit is een illusie. De Nexit is een illusie. Zo lossen we onze problemen echt niet op: door ramen en deuren met tien sloten op slot te doen en ons terug te trekken op ons eigen kleine, bange eilandje. Want: de buitenwereld, de andere volken waar wij destijds als eersten op af zijn gegaan, die we hebben gekoloniseerd, uitgebuit, als slaven hebben verkocht en hebben ontwricht, ze zijn er nu eenmaal. En om dan als het moeilijk wordt, ook binnen Europa, dan maar te zeggen: zoek het zelf maar uit, zoeken jullie samen het maar uit, bekijk het maar... Brrrr.

 

Niet alleen, maar samen. Niet de afsluiting, maar de verbinding. Niet mensen uitsluiten en ze er uit zetten maar ze verwelkomen. Niet ze in hun sop gaar laten koken maar ze ondersteunen, dáár jezelf voor inzetten. Overal waar dat gebeurt, en bij uitstek zou dat in de kerk ook moeten gebeuren, om te beginnen onderling; overal waar het gebeurt groeit en kόmt het koninkrijk.

 

Afgelopen vrijdagmiddag was ik aanwezig bij het afscheid van Marius Singels als de coördinator van de voedselbank Amsterdam-Zuid. Het terrein van die voedselbank, aan de Lutmastraat in De Pijp, dáár zie je hoe het gestalte krijgt, dat koninkrijk. De mensen die een beroep moeten doen op die voedselbank worden er geholpen met levensmiddelen en toiletartikelen, onder andere ook hier ingezameld, én met budgetteren enzovoort, maar vooral: ze kunnen daar ervaren dat ze er niet alleen voor staan. Mensen, vrijwilligers, zetten zich in, luisteren naar hun verhaal en zijn gewoon aardig. Zό begint het koninkrijk waarvoor wij onszelf geen rust moeten gunnen, dat ons uit de slaap mag houden en dat onze top-prioriteit mag zijn. Radicaliseren in liefde is het belangrijkste medicijn tegen radicalisering in de gewelddadige zin. Dus niet: eerst even dit of eerst even dat. Het is zelfs belangrijker dan het begraven van je vader zegt Jezus.

 

Maar morgen zullen we vanuit onze kerk Henk Brouwer begraven, onze geliefde oud-penningmeester, Henk met zijn sprankelende ogen en met die prachtige glimlach in zijn gezícht gebákken gewoon. Een vriendelijk mens. Een zuivere ziel denk ik, ongecompliceerd. Een goed mens die zich geweldig, met hart en ziel, voor onze parochie heeft ingezet. Hij is daarvoor werkelijk als een vader geweest. Een warme man. Toen ik hier kort na Kerst lucht gaf aan enige malaisegevoelens kwam Henk na afloop heel lief en zorgzaam naar mij toe. Hij zei: "Zeg het maar hoor als wij iets voor jou kunnen doen. Wij zijn er ook voor jou." Och wat een engel van een man. We zullen ons morgen níets van Jezus' woorden vandaag aantrekken en zo mooi, zo goed en zo liefderijk mogelijk afscheid van Henk nemen. En als wij dat dan zo doen, dan verkondigen we daarmee denk ik tegelijkertijd ook het koninkrijk Gods. Dus dan krijgt Hij, Jezus, evengoed Zijn zin. Amen.     

 

Verkondiging

 

5 juni 2016   - Ton van Hal

 

Plm 850 voor Christus in Sarefat:

“Toen nam Elia het kind op, ging van de bovenkamer naar beneden, ging het huis binnen en gaf het kind aan de moeder. En Elia zei: ‘Kijk, uw zoon leeft.”

 

Plm 30 in Nain:

“De dragers bleven staan en Jezus’ zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ [15] En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder.”

 

1969 in den Haag:

een jongeman ridt op zijn fiets tegen een HTM-bus aan.  Niet veel aan de hand maar toch maar even naar het ziekenhuis. Drie dagen later was hij gestorven. Een hersenbloeding.

Hij werd niet aan zijn moeder, aan mijn moeder, teruggegeven. Hij was mijn broer. Van Jezus of Elia geen spoor toen.

 

De lezingen van vandaag kunnen je verbitterd maken. Er zijn zo veel kinderen die sterven: in het Midden Oosten of in je eigen omgeving. Misschien wel je eigen kind. Waarom doet God daar niks aan?

De vraag is (zoals elke zondag eigenlijk): wat moeten we dan met die verhalen?

 

Ik denk dat je niet veel verder komt als je ze letterlijk opvat en voor kennisgeving aanneemt.

Eigenlijk kun je dan alleen maar zeggen: “Dat waren nog eens tijden: toen Jezus op aarde was of zulke grote profeten als Elia” .

 

Gelukkig zijn wij als katholieken wel een beetje getraind in het omgaan met onbegrijpelijke zaken: er zijn er nogal wat in ons geloof en in onze liturgie.

Wat zou dan de betekenis kunnen zijn van de opwekkingsverhalen van vandaag?

Ik zeg: KUNNEN zijn, want ik ga u natuurlijk niet een op een vertellen hoe je deze verhalen MOET zien. Het is juist mooi als ieder er het zijne/hare in ziet.

 

1

Misschien moeten we dan beginnen met de verhalen niet als stukjes uit een geschiedenisboek te zien, maar meer als een kunstwerk. Niet als een prima gelijkende goed scherpe foto maar als een schilderij waar gevoel en betekenis in zitten. Waarin je iets meer kan zien dan wat er feitelijk allemaal op staat. Wat iets bij je oproept. Dat lukt niet iedereen altijd. Ik sta ook wel eens voor bv zo’n “installatie” in het Stedelijk  zonder dat er ook maar iets bij mij opkomt. Het zal wel….

Laten we eens proberen om in de twee schilderingen van vandaag iets meer te zien. Misschien komen we dan Jezus tegen, niet als de grote tovenaar, maar als de spreekbuis van God die met ons is.

Ik reik een paar gedachten aan die mij  wel geholpen hebben en hopelijk u ook.

 

2.

Als het om leven en dood gaat spreekt Jezus een andere taal dan die van de biologie.

Aan het slot van de gelijkenis van de verloren zoon zegt de Vader: “want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” Die verloren zoon was niet biologisch dood, maar zeg maar: geestelijk. Hij had zich afgekeerd van de vader en zich aan allerlei wereldse geneugten overgegeven. Aan de afgoden van zijn (en onze!) tijd.

Jezus verwijst altijd naar een hogere orde: Gods koninkrijk van gerechtigheid en vrede: dat is het leven. De wereld van macht en geld, onderdrukking, discriminatie, oorlog: dat is de dood.

 

3

Opmerkelijk dat vandaag zowel bij Elia als bij Jezus gaat om de dood van de enige zoon van een weduwe. In die tijd was een weduwe totaal aangewezen op haar kinderen om in leven te kunnen blijven. In het koninkrijk van God mag dat zo niet zijn. Wij zullen goed en royaal moeten zijn voor weduwen, wezen, vluchtelingen, kansarmen. Wij zullen met God moeten meewerken.

 

4

Dat begint met ontferming, mededogen. Dat zien we in de beide verhalen van vandaag.

Niet eens zozeer de dood van de zoon maar het onmetelijke verdriet van de moeder beroeren Elia en ook Jezus “Toen de Heer haar zag, was hij ten diepste met haar begaan, hoorden we. Eigenlijk staat er dat hij het leed “tot in zijn diepste ingewanden voelde”.

Dat kan dus een boodschap voor ons zijn: dat Koninkrijk van God  begint met mede-lijden.

Vreselijk moeilijk vandaag de dag want je kunt de tv niet aanzetten of je ziet ellende. Dat mede-lijden: er is haast geen beginnen aan.

 

5

Als je het verhaal van Nain dan als een schilderij ziet:

Twee stoeten komen aan, Jezus met zijn gevolg en de moeder met haar dode zoon plus gevolg. Bij de stadspoort stuiten ze op elkaar. Jezus gaat niet opzij voor de stoet maar bemoeit zich ermee (en hoe!). Ik moest denken aan de Sequentia van Pasen, het “Victimae Paschali laudes” die wij (het Salve Reginakoor) dan zingen. Daar komt in voor:

Mors et vita duello conflixere mirando: dux vitae mortuus regnat vivus.

Dood en leven streden een wondere strijd; de vorst des levens, die gestorven was, heerst nu in onvergankelijkheid.

Bij de poort van Nain kwamen dood en leven elkaar tegen: het Leven won.

 

“God heeft naar zijn volk omgezien” riepen de mensen in Nain. Dat kan nog steeds, maar ik denk dat we God wel een handje moeten helpen, dat wij hem moeten blijven zoeken.

Dat Hij bij ons wil zijn heeft Jezus duidelijk gezegd bij het Laatste Avondmaal. Op wondere wijze kunnen  wij dat ervaren als we straks weer het Brood en de Wijn mogen ontvangen.

 

Verkondiging

 

Hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid, zondag 22 mei 2016

Jeroen van Berckel Smit

Lezingen: spreuken  8: 22-31; Rom. 5: 1-5; Joh. 16: 12-15

 

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amen.

 

Met dit kruis-teken en deze woorden zou het Hoogfeest van vandaag, van de Heilige Drie-eenheid samengevat kunnen worden.

De Drie-eenheid is alles omvattend, alles bevattend: Zij omvat de wijsheid uit de lezing Spreuken; het geloof,  de hoop en de liefde zoals Paulus die verwoordt in de brief aan de Romeinen; en de Geest van de waarheid die als helper tot ons komt, uit het Johannes Evangelie.

Maar als ik met deze zelfde woorden en het kruisteken de verkondiging nu besluit, dan zijn we snel thuis, maar doen we de dit mysterie tekort.

Straks krijgt u een beetje geschiedenis en  komen we terug bij de lezingen, maar eerst wil ik met u even stilstaan bij het zo ingesleten gebruik van deze woorden bij het kruisteken. Ik herinner me nog dat mijn moeder wel eens zei: het is geen vliegen-vangen, als we ons kruisje afraffelden.

Dit stilstaan bij het kruisteken is eigenlijk een vorm van  mindfulness: een in wetenschap en gezondheidszorg wijd geaccepteerde methode; een uitnodiging om iets met aandacht te doen. [Toen ik enkele jaren geleden met een aantal collega’s mijn eerste mindfulness sessie bijwoonde, kregen wij allemaal één rozijntje voorgeschoteld; en de opdracht was om met alle tijd en aandacht alleen maar dit ene rozijntje  te proeven.  Ik zal u vertellen : er ging een wereld voor mij open. Niet alleen mijn eigen bevindingen, maar ook die van de andere deelnemers, vertelden mij meer over een rozijn, dan alle rozijnen van de afgelopen 50 jaar.]

Zo nu met het kruisteken:

In de Naam van….

Wij leggen onze hele aanwezigheid maar ook ons handelen en onze intentie in de Naam.  Die Naam werd en wordt door onze Joodse broeders niet uitgesproken maar wel op vele manieren bezongen in de Thorah en de psalmen.

Ons woord Naam komt eigenlijk uit het Sanskriet Nama, dat buiging, eerbiediging, aanbidding,  groet, onderwerping, gift en stil staan betekent.

In de klank van de Naam ligt vanuit dit perspectief, de essentie vast. Het herhalen van de Naam is het heiligen van de Naam en  is een universele vorm van meditatie. Zo kennen wij het aanroepen van de Drievuldigheid in het Kyrie Christe Eleison: Heer, Christus, ontferm u over ons. In dit gebed is het niet moeilijk om de drie-eenheid terug te zien: Kyrie, de Heer; Christe, de Zoon en Eleison: de ontferming van de Heilige Geest.

In de naam van …de Vader.[kruisteken] Eén God. Het monotheďsme zoals dat heet. Dat was de rijke erfenis van het oude testament. En geen tittel of jota zou daar aan veranderd worden. Dit zou nog een groot strijdpunt worden in de jonge Kerk, maar daarover later.

De Vader zetten we met het kruisteken aan het hoofd. Die plaatsen wij boven ons.

Toen kwam de Zoon op aarde en onder ons en die wil zich vestigen in ons hart.  De verticale lijn van het kruisteken …En de Zoon…[kruisteken]

En Hij zond ons een helper in en door de tijd,  de Heilige Geest: de horizontale lijn van het kruisteken.

…En de Heilige Geest …Amen, Zo zei het.[kruisteken]

Zo eenvoudig was het dus niet in het begin van de Kerk.  Als je in de eerste eeuwen in Jezus geloofde en een kruisteken maakte,  was je leven niet zeker. In 313 maakte Constantijn een einde aan de Christenvervolgingen.

In 325 riep hij de bisschoppen bijeen in Nicea. Dit was het 1e oecumenische concilie. Hier ging het vooral om het vastleggen van de relatie tussen Jezus en God de Vader.  Zo ontstond de eerste versie van de geloofsbelijdenis.

Nog was de eenheid van de Kerk ver te zoeken. De Arianen hielden vast aan de ‘ene God- zonder- gelijke. Jezus en de Heilige Geest waren volgens hen door God geschapen. De emoties laaiden hoog op. Menig man liet liever zijn tong afsnijden dan toe te geven.

In het jaar 381, het jaar van de Drie-eenheid, vond het 1e concilie van Constantinopel plaats. Het grote strijdpunt van die tijd: de gelijkwaardigheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, werd hier beslecht.  De geloofsbelijdenis van straks vindt zijn wortels in deze twee concilies en is sindsdien, op twee woorden na,  onveranderd!

De lezingen van vandaag kunnen ons helpen op deze Heilige Drie-eenheid te bouwen en vertrouwen.

Bij de spreuken is het een lofzang op de Wijsheid die als een getuige en uitvoerster onlosmakelijk met de Schepping  en Schepper verbonden is. Het is de Heilige geest die inherent aanwezig is. Of anders gezegd: alle Wijsheid is al aanwezig; het is niet nodig haar te bedenken.

 ik was zijn lieveling,

een bron van vreugde, elke dag opnieuw.

Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid, vond vreugde in zijn hele aarde

en was blij met alle mensen.

Paulus beschrijft op schitterende poëtische wijze en  in enkele zinnen de Drievuldigheid in de vorm van het geloof, de hoop en de liefde.  En we worden zelfs aangemoedigd ons gelukkig te prijzen onder alle ellende.

Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.

Johannes geeft de belofte van Jezus dat er een helper komt: ‘De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer Hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid.’ Deze Geest staat niet op zichzelf maar zal zeggen wat hij hoort.

Deze tekst van het Johannes Evangelie is de sleutel tot de mysterieuze verbondenheid van de Geest met de Zoon en de Vader. “Alles wat van de Vader is, is van mij – daarom heb ik gezegd dat hij – de Geest- alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft.”

De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat.

Wat mooi dat wij deze Drie-eenheid hier vandaag  bewust mogen vieren.

 

In naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amenop

 

Verkondiging

15 mei 2016, Eerste Pinksterdag, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (2, 1-11), Psalm 104 (ged.), de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome (8, 8-17) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (14, 15-16.23b-26).

 

"Er wordt in de kerk niet veel gevlogen tegenwoordig, hoogstens wat gefladderd."

 

Dat zei, ruim dertig jaar geleden, de romanschrijver Frans Kellendonk. Destijds was ik hier in Amsterdam theologiestudent. Ik interviewde Kellendonk voor het blad van de instelling waaraan ik studeerde en dát was wat hij onder andere zei: "Er wordt in de kerk niet veel gevlogen tegenwoordig, hoogstens wat gefladderd." En: "Als blijk van goede wil fladder ik soms een beetje mee."

 

Dat was in 1985, zoals gezegd: ruim dertig jaar geleden. Toch herinner ik mij Frans Kellendonk en dat interview als de dag van gisteren. Vijf jaar later stierf hij, nog géén veertig jaar oud. Intussen zíjn wij er nog, u en ik. Of: wij zijn er bíj gekomen op aarde en in de kerk. Dat kan natuurlijk ook. En wát hebben wij intussen met ons leven en met onze tijd, die ons gegund is; wat hebben wij daarmee gedaan? Hebben we gevlogen of hebben we gefladderd?

 

Als kerk zijn wij er, wellicht tot verbazing van sommigen, dertig jaar na Kellendonks woorden in Nederland όόk nog. We hebben nu paus Franciscus. En gisteren is Gerard de Korte geďnstalleerd als nieuwe bisschop van Den Bosch, een gegeven waardoor veel katholieken denken: Dat gaat weer een beetje de goede kant op met onze kerk. Want hij, Gerard de Korte, wil een warme, hartelijke en gastvrije kerk, net als paus Franciscus en wijzelf.

 

Hoe zal het verder gaan met onze Roomse kerk in Nederland? Modderen, strompelen, fladderen we voort? Of komt er weer een beetje Schwung in en gaan we weer vliegen? 

 

Ons eigen kerkgebouw staat er, gerestaureerd en wel, stralend bij. En aan het koor (en het orkest) zal het niet liggen. Stug, onverdroten en krachtig zingt (en speelt) dat door. Maar hoe is het met ons als gelovigen gesteld? Hoe zit het met Gods, met Jezus' Geest in ons, in jouw? Heb je die Geest? Ervaar je die in jezelf? Maakt die Geest dat je kunt vliegen? Of is 't niet meer dan fladderen? 

 

Wij weten: bij Jezus' doop in de Jordaan daalde die Geest destijds uit de hemel neer in de gedaante van een duif.  En nu met Pinksteren horen wij hoe diezelfde Geest zich aan Jezus' eerste leerlingen op deze dag voordeed als "een gedruis alsof er een geweldige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren was er vol van. (En) Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. En zij werden allen vervuld van de heilige Geest en zij begonnen te spreken in vreemde talen, al naargelang de Geest hun te vertolken gaf."

 

Kijken wij eens naar elkáár. En luisteren wij naar elkaar. En wat zien wij? En wat horen wij? (...) En wat staat ons zodadelijk te wachten, als het heilig vormsel wordt toegediend? Zal dat met bijzondere, duidelijk waarneembare effecten gepaard gaan?

 

De kans is natuurlijk groot, dierbare gasten, parochianen en kandidaten voor het heilig vormsel; de kans is natuurlijk groot dat wij, behalve de mooie ceremonie, niet veel bijzonders zien en zullen zien. We blijven gewoon wie we zijn.

 

Dat wil zeggen... Gods Geest, die van Jezus, komt in je. Of die zit al in je. En die Geest, die blíjft daar zitten en die gaat er nooit meer uit. En die Geest beweegt je, die stuurt je aan. Dat mag je geloven. Daar mag je op vertrouwen. En je mag het vooral láten gebeuren. Het is net als met zagen. Ik hoor het mijn vader nόg zeggen terwijl hij het mij trachtte te leren: "Je moet de zaag het werk laten doen Pierre. Niet te veel kracht zetten..." Zo is het ook met de Geest: Je moet de Geest het werk laten doen. En jij laat je door die Geest gewoon leiden.

 

Sinds een half jaar ben ik erg onder de indruk van een stokoude collega van mij, de priester Frans Horsthuis.

 

Hij is nu 94 jaar oud. Kort voor Pasen ben ik hem in Doetinchem gaan bezoeken en verleden week zondag opnieuw, in Velsen-Noord ditmaal. In één van zijn prachtige boeken schrijft Frans Horsthuis:

 

"God (...) wil voor de mensen herkenbaar worden en niet ver weg vanuit de hemel neerzien op een wereld in nood. Hij wil ook niet met huisarrest in een kerk blijven zitten en daar audiëntie houden. Hij wil temidden van de mensen zijn, en via de huisgezinnen de straat op gaan, in bedrijven en kantoren met computers binnenkomen, in gevangenissen en ziekenhuizen alles meemaken wat zich daar afspeelt. Hij wil meeluisteren, meepraten. Hij heeft daar een lichaam voor nodig met ogen en oren, met handen en voeten en hij vraagt ons: "Mag ik jouw lichaam gebruiken, jouw ogen en oren, jouw handen en voeten, jouw tijd en beroep, zodat allen die jou ontmoeten, merken dat zij Mij ontmoeten?"

 

Tot zover Frans Horsthuis.

 

Mag God, mag Jezus met Zijn Geest in jouw lichaam komen en er gebruik van maken om in jouw wereld aanwezig te zijn - zodat allen die jou ontmoeten kunnen merken dat ze Hem (Jezus! God!) ontmoeten?

 

Wat is daar op uw antwoord? Wat is daar op jόuw antwoord? Leen jij jezelf uit aan die Geest? Of sterker nog: Durf jij die Geest bezit van jou te laten nemen zelfs?

 

Om jouw, om úw antwoord op die vraag gáát het veelgeliefden. Dat ántwoord van jou is het effect waar de Heilige Geest op uit is, namelijk dát God, dát Jezus zichtbaar, hoorbaar, ervaarbaar, voelbaar wordt in jou. En dan mag je daarbij vliegen of fladderen wat je wil, dat is allemaal bijzaak. Hoogstandjes en enorme prestaties worden niet verwacht. Daarin zit 't hem echt niet. Nee, integendeel: Ook al ben je op allerlei manieren door het leven getekend, gewond en gehandicapt, dat maakt je ábsoluut niet ongeschikt als instrument van en voor Gods Geest, die van Jezus. Nee, het is eerder veelgeliefden omgekeerd zou ik zeggen: Als je in het leven reeds het nodige hebt meegemaakt, wat z'n sporen in jou ook heeft achtergelaten - dat maakt je eerder béter geschikt als werktuig van Jezus' Geest, die van God. Want daardoor ben je hopelijk losgekomen en bevrijd van allerlei valse schijn en pretenties en daardoor kan Gods Geest in jou die het hart verlicht en verwarmt des te beter naar voren komen en aan de oppervlakte verschijnen.

 

Maar al te vaak, veelgeliefden, krijg je het gevoel: Als kerk en als individuele gelovigen modderen, strompelen, fladderen wij voort. Maar ik denk: juist ín dat modderen, strompelen en fladderen, juist ook ín al ons 'gedoe' - daarin gebéurt het ook. Nochtans gaan wij voort en gaan wij verder - onverstoorbaar ook als een D-Zug of als een vrachtschip op de rivier. Wij houden vol! We zíjn er als kerk anno 2016! En zonder Gods Geest, die van Jezus, ín ons en onder ons zou dat, zo geloof ik, niet voorstelbaar en mogelijk zijn. Dat we er als gelovigen en als kerk 'nog altijd zijn', ik denk: beter 'bewijs' dat de Geest tόch de kerk en de gelovigen beweegt en in leven houdt is er niet. 

"Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere helper geven om voor altijd bij u te blijven" hoorden wij Jezus vandaag in het Johannes-evangelie zeggen. Mogen wij die helper in ons persoonlijk leven én in ons gezamenlijk, in ons kerkelijk leven daarom altijd dichtbij weten. Die helper staat achter ons en is in ons, in ons midden ook. Die helper, de Heilige Geest, wil met ons verder gaan. En Hij wil vérder met ons gaan. Laten wij Hem in ons dan bégaan. Laten wij Hem in ons Zijn gang gaan. En laten wij met Hem, met die Geest, meewerken. Amen.

 

Verkondiging

 

op 8 mei, de zevende zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (7, 55-60), de Openbaring van Johannes (22, 12-14.16-17.20 en het het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (17, 20-26).

 

Driemaal is scheepsrecht.

 

Op eerste paasdag heb ik op deze plek gesproken over Maria Magdalena, vriendin van Jezus. Zij was na Jezus' dood zielsbedroefd. 'Een verlaten vrouw', zo noemde ik haar en ik vergeleek haar situatie met die van een vrouw die ik ken en die door haar man is verlaten omdat hij, zoals dat heet, 'een ander heeft'. Ook nabestaanden kunnen zich door iemand die gestorven is en van wie ze veel hebben gehouden soms in de steek gelaten voelen, ook al is die gedachte irreëel omdat het niet de eigen wens was van de persoon in kwestie om te sterven, hij of zij 'er niets aan kon doen' en omdat alle mensen nu eenmaal sterfelijk zijn. Ja, dat is zo. En tόch kunnen nabestaanden zich door een dierbare gestorvene soms in de steek gelaten voelen. Het is een gevoel, een irrationeel gevoel.

 

De tekst van mijn preken, dierbare gasten en parochianen, wordt altijd op de websites van onze en van mijn andere parochie geplaatst en soms wordt daar op gereageerd. Dat was met deze paaspreek het geval. Ik ga deze reactie nu weergeven en daarmee is dat dan de tweede en laatste keer dat ik op die paaspreek terugkom. Maar driemaal is scheepsrecht.

 

De reactie in kwestie is afkomstig van een vrouw, ik schat van mijn leeftijd, uit Zeeland. Zij had zich in mijn woorden herkend, want, zo schreef zij: Zelf had zich met Pasen ook verstoten gevoeld. Zij schreef:

 

"Mijn broer en schoonzus die in Engeland wonen, kwamen naar Nederland om onze ouders te bezoeken. Tevoren hadden zij bij hen geďnformeerd of ík met Pasen soms ook bij hen op bezoek zou komen. Via de familiaire tam-tam bereikte dat bericht mij." Maar: "Als mijn broer en schoonzus mij graag ook zouden hebben ontmoet, dan hadden zij mij een e-mail kunnen sturen, ook al is er onderling weinig contact. Ik durfde het hen niet goed te vragen. Om die reden ben ik maar thuisgebleven met Pasen, maar ik voelde mij net als de vrouw in uw preek afgewezen. Hoewel de situatie anders was, waren er zeker overeenkomsten en uw preek raakte mij daardoor en bood mij daardoor troost, ook door te horen dat ik niet de enige ben die dergelijke dingen meemaakt."

 

Tot zover deze reactie.

 

Natuurlijk heb ik naar de mevrouw in kwestie gereageerd. Als volgt:

 

"Hoe met zo'n situatie omgaan?

 

Ik werd getroffen door het zinnetje "Ik durfde het hen niet goed te vragen."

 

En ik vraag mij af: Zou er niet toch nog wat manoeuvreer-ruimte zijn in de verhouding tussen jou, je broer en schoonzus?

 

Erg uitnodigend en hartelijk klinken de omstandigheden niet, maar is het noodzakelijk om ze te interpreteren als (volkomen) afwijzing?

 

Het lijkt mij de moeite waard om verder na te denken over vragen als:

 

Wat wil ik (nog, opnieuw) met hen? En: Hoe kan ik eventueel daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen?

 

Ik denk: Hoe mensen zijn voor jou is ook (dus niet: uitsluitend) een effect van wie jij bent voor hen.

 

Misschien dat er toch nog wat beweging en groei in deze verhouding kan komen?

 

Zelf houd ik in moeilijke verhoudingen met mensen de deur altijd het liefst zo ver mogelijk open en wil liefst niet degene zijn die het contact afbreekt."

 

Tot zover.

 

Vervolgens kreeg ik van haar de volgende reactie:

 

"Dank voor uw bemoedigende woorden (...)

 

Ik heb kort daarop gelijk maar de moed gepakt en contact opgenomen met mijn broer. Ik kreeg gelijk een mail terug. Hij was zich nergens van bewust zo liet hij mij weten. Gladgestreken, dus. Ik ben er blij om! Ik voel mij dankbaar en opgelucht."

 

Tot zover.

 

U snapt, mijn dierbare parochinanen en gasten: het verheugde mij natuurlijk dat mijn preek en de er op volgende communicatie zo concreet en verheugend doorwerkten. Ja, waar doe je het ook anders voor, al dat preken? Als de woorden van de verkondiging niets bewerken, wat zijn ze dan waard? Wat heb je er dan aan?

 

Waarom echter dit alles nu vandaag, op deze zevende zondag van Pasen, ter sprake gebracht?

 

De evangelietekst die wij vandaag hebben voorgeschoteld gekregen is net een dans of een om elkaar heen cirkelen van wezens: Gij, Vader, Ik, Jezus zelf, zij, Jezus' eerste volgelingen en ook wij, degenen die "door hun woord", dat van Jezus' eerste volgelingen, degenen die ermee begonnen zijn om hun ervaringen van en met Jezus door te geven - uiteindelijk ook aan ons: degenen die "door hun woord in Mij", in Jezus, "geloven". Ook over hen en over ons gaat het.

 

Al die genoemde wezens wentelen als het ware om elkaar heen en doordringen elkaar. Ze gaan ín op elkaar en ze gaan in elkaar όp, ze beminnen elkaar. Het is een liefdesspel en een beeld van grote vrede, harmonie en eenheid dat zich aan je geestesoog kan voordoen als je de woorden van Johannes goed proeft en savoureert. Het zijn bewegingen van de hemel waar wij op aarde bij en in betrokken worden: "Gij, Vader, in Mij en ik in U: dat zij ook in Ons mogen zijn", "opdat zij één zijn zoals wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn", "opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad in hen moge zijn en Ik in hen."

 

Wie Jezus is, wie Zijn Vader is, wie beider Geest is: 'Het' wil ons bereiken. Hij wil ons bereiken. Hij wil tot en in ons doordringen en vat, greep ons krijgen. Wie God is moet in ons gaan leven, opdat wij vol worden van God en die ervaring ons met elkaar verbindt en opdat die ervaring ook door gaat schijnen en op gaat lichten in wie elk van ons is en in hoe wij met elkaar omgaan. Uiteindelijk is alles daar om begonnen: Hij, Jezus, moet reëel en concreet worden in ons. Hij moet voor ons als kerkgemeenschap centraal, in ons midden staan. Wij en al onze verhoudingen zouden geënt moeten zijn op Hem.

 

Dat is de bedoeling.

 

Maar hoe is het feitelijk?

 

Wie ben jij thuis?

 

Wie ben jij binnen je familie? - Denk even aan de mevrouw van wie ik die reactie op de paaspreek kreeg.

 

Wie ben je op deze moederdag voor je moeder?

 

Wie ben jij voor je vrienden?

 

Wie ben jij voor je buren?

 

Wie ben jij op je werk?

 

Wie ben jij in de kerk?

 

Hoe manifesteer jij je?

 

En kan er iets van Jezus in en aan jou beleefd worden?

 

Hou je van Hem?

 

En breng jij Hem ín opdat het geheel ook grόeit in Hem?

 

Stroomt het tussen de hemel en ons? En stroomt het tussen ons onderling? Of is de stroom geblokkeerd? En als dat zo is, wat kun jíj dan doen opdat het opnieuw gaat stromen?

 

Dat is de vraag.

 

Laat ieder die vraag voor zichzelf beantwoorden.

 

Amen.

 

Verkondiging

 

op 5 mei 2016, Hemelvaart van de Heer, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam door Loek van den Ham

 

Gelezen: Hand. 1, 1-11; Ef., 1,17-23; Lucas 24, 46-53

 

Ik vertrek. U kent dat televisieprogramma wel. Iemand neemt afscheid. En niet voor eventjes, maar voor goed. Hij komt niet meer terug. Het is een ingrijpende gebeurtenis. Feest met een lach, maar ook met een traan. Het is feest en verdriet tegelijk. Iemand gaat voorgoed weg, naar elders, naar waar het beter is, want anders ga je niet. En bij het afscheid is iedereen aanwezig. Er zijn speeches en cadeaus. Er wordt gelachen en gehuild.

 

Hemelvaartsdag. Als je aan de jeugd zou vragen wat Hemelvaartsdag inhoudt, zullen ze in ieder geval zeggen dat het een lang weekeinde is. Meer weten ze misschien niet. Hemelvaartsdag, hemelvaart en hemel. Hemelvaart was ongeveer de eerste aflevering van de serie “Ik vertrek”. Wat verstaan we onder de hemel? Het is een typisch begrip uit de Bijbelse wereld en uit de wereld van de Grieken en Romeinen. In die wereld bestonden er drie lagen. Hemel, aarde en hel. De hemel was de bovenste laag van de drie. De hel de onderste. Wij wonen er tussen in. Ik weet bijna zeker dat er geen hel bestaat. Is er dan wel een hemel en hoe moeten we die noemen of aanduiden? Met de hemel bedoelen we dat er een werkelijkheid bestaat die ons ver te boven én te buiten gaat.

 

Wat is ten hemelvaren? Hoe moet ik me dat voorstellen? Ik zie niemand opstijgen waarbij zijn voeten langzaam verdwijnen in een wolk. Of, zoals een ufo, helikopter of luchtballon, die zich langzaam aan ons gezichtsveld onttrekt. We vinden in het evangelie ook geen beschrijving van Hemelvaart en al helemaal geen fotorapportage. Vandaag de dag zou dat heel anders gaan.  Apostelen maken met hun IPhone selfies en zetten die meteen op facebook. De pers is met hun camera’s en microfoons aanwezig. Er wordt een rechtstreekse tv-uitzending verzorgd, die van commentaar wordt voorzien door Antoine Bodar of Wilfred Kemp. En daarna, bij Pauw of bij Humberto Tan, napraten met zogenaamde deskundigen. ………

Niet dus. Hoe moet ik het me dan voorstellen? Ik denk aan het sterfbed van iemand. Je zit erbij, je waakt, en ineens is hij er niet meer. Uit ons midden weggegaan. Vaak stilletjes, niet met een groot feest, zoals bij “Ik vertrek”. Ik zat aan het sterfbed van mijn moeder. Ik dacht dat ze sliep en ik las de krant. De aanwezige zuster of thuishulp, die toen nog niet was wegbezuinigd, zei op gegeven moment dat mijn moeder was overleden. Ik had niet opgelet en het precieze moment gemist. Ze was heengegaan en ik had het niet gemerkt. Ik zat ineens naast een dood lichaam. Het was mijn moeder niet meer. Die was opgestegen naar de hemel. Dat had ze ook dik verdiend. En zo is ook Jezus weggegaan.

 

Hemelvaart is geen rapportage of tv-uitzending. Hemelvaart is ook geen eindpunt. Het geeft een nieuw begin aan en houdt een boodschap in. Aan het einde van het Marcus-evangelie staat dat Jezus, voordat hij ten hemel steeg, aan iedereen de opdracht gaf om het goede nieuws van het evangelie door te vertellen. Hemelvaart vertelt over de wijze waarop iemand hier op aarde heeft geleefd en houdt de opdracht in om dat zelf ook zo te doen. Onze blikrichting zal zich moeten wijzigen. We moeten niet langer naar boven kijken, maar naar voren. Niet meer omhoog, maar naar de medemens.

Mannen en vrouwen van de Vredeskerk. Ga eens aan de slag. Laat het niet over aan pastores en anderen. Hoe we moeten leven heeft Jezus ons voorgedaan en het staat beschreven in het evangelie. Daarmee zullen we het moeten doen. Het wordt tijd dat we onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Geen passief luisteren meer. Niet meer afwachtend naar de hemel staren of we nog tips krijgen. Ieder van ons moet, met zijn eigen mogelijkheden en beperktheden, zijn steentje bijdragen aan de opbouw en de uitbouw van onze geloofsgemeenschap. We moeten samen kerk zijn. Daartoe geeft Hemelvaart een opdracht. In Johannes staat: “Ook jullie moeten Mijn getuigen zijn.” We kregen niet alleen een opdracht. Iemand een opdracht geven en hem daarna aan zijn lot overlaten, is niet erg christelijk. We kregen mét de opdracht ook de kracht daartoe. Jezus zegt: “U zult de kracht krijgen van de Heilige Geest om van Mij te getuigen.”  En daarom sta ik hier.

 

We moeten de strijd aangaan met de kwade machten van deze tijd: geldzucht, drankzucht, financiële, politieke en morele onverantwoordelijkheden, maar ook belemmerende politieke en soms ook kerkelijke structuren. We moeten zieken genezen, partijkiezen voor de zwakkeren, de hand reiken aan mensen die hulp nodig hebben, geld en middelen geven aan goede doelen. Dat is onze opdracht. We moeten een nieuwe taal spreken, een taal van hoop, een taal van vergiffenis en van bemoediging. De taal van paus Franciscus.

 

Onlangs overleed Jules Schelvis. Hij was een van de weinig overlevenden van het nazivernietigingskamp Sobibor. Ik hoop dat u de aangrijpende documentaire “De laatste trein naar Sobibor” ook hebt gezien. Indrukwekkend. Vanaf de ingangspoort van het kamp tot aan de gaskamers loopt een weg. De joden die per trein aankwamen, liepen direct door naar de vernietiging. Die weg heet nu de Hemelvaartsweg. De weg naar de hemel, de weg naar de bevrijding, de weg naar een beter leven. Het is enerzijds wrang, maar anderzijds een hele mooie benaming voor de weg die u en ik niet graag gelopen hadden. En vandaag vieren we toevallig Hemelvaartsdag en Bevrijdingsdag tegelijk. Voor de mensen uit de kampen van toen, zal Hemelvaart een bevrijding zijn geweest. Niet gewenst, maar wel om te herdenken. Leven in vrijheid. Wat een groot goed! Dat moeten we koesteren en er zo nodig voor vechten.

 

De tijd van werkeloos naar de hemel staren is voorbij. Maar mocht je ondanks alles denken dat je nóg niet voldoende bent toegerust, ga dan vanaf vandaag negen dagen bidden om de Heilige Geest, zodat de vlam van Pinksteren mede door jouw toedoen als een lopend vuurtje hier door de parochie, hier door De Pijp, door heel Amsterdam en door de wereld zal gaan.

 

Amen

 

Verkondiging

                                                                                                                                    

op 1 mei 2016, de zesde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (15, 1-2 + 22-29), het boek der Openbaring van Johannes (21, 10-23) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (14, 23-29).

 

Zoveel hoofden, zoveel zinnen.

 

Ja... dat kun je wel zeggen.

 

Op de televisie wemelt het van de talkshows: programma's waarin bij wijze van informatie én amusement vooral gepraat wordt - onder leiding van Jinek, Pauw, Mathijs, Umberto, Tijs enzovoort. Het is een strijd om aandacht: Wie worden daarvoor gevraagd? Dus: Word ik gezien? Word ik gehoord? En áls mensen gevraagd worden: Hoe komen ze dan over? Wie is het sympathiekst? Wie is het best gebekt? Welke mening wint? Wie wijzen de peilingen als winnaar aan? Hoe gedraagt de machtige maar grillige, onberekenbare publieke opinie zich? Het is voor politiek Den Haag én voor Brussel allemaal van groot belang.

 

Wij leven in zoals dat heet 'een democratie', de macht is aan het volk. En hoe wordt die macht van het volk gerealiseerd, hoe drukt de stem daarvan zich uit? Het gebeurt in de verkiezingen voor de volksvertegenwoordiging, het parlement met al z'n politieke partijen. Het gebeurt in het referendum waarvan we er onlangs nog één hadden in verband met het associatieverdrag tussen de EU en de Oekraďne. Én het gebeurt in de media, rond de tafels waaraan de gastheren en enkele gastvrouw, want op dit terrein zijn vrouwen toch ook weer wonderlijk ondervertegenwoordigd; het gebeurt aan die tafels waaraan zij hun sympathieke en minder sympathieke, welbespraakte of minder welbespraakte, overtuigende of minder overtuigende gasten ontvangen: al die talking heads, al die pratende hoofden in een kakafonie van visies en meningen.

 

Zo gaat dat in de wereld, in όnze wereld tenminste. Want in China, Noord-Korea, Rusland, Turkije en Saoedie-Arabië en de meeste landen is dat een heel ander verhaal, dat wil zeggen: Daar zul je op de t.v.schermen ook wel oneindig veel pratende hoofden zien, maar wat ze in zulke landen daarop wel en niet kunnen en mogen zeggen, dat wordt door de machthebbers achter de schermen strak geregisseerd. Bij ons is dat minder het geval, hoewel we deze factor ook bij ons niet moeten onderschatten. Want: welke rol speelt bijvoorbeeld ook bij ons het bedrijfsleven? Welke rol spelen de economische machthebbers? Bekend is bijvoorbeeld de situatie van de populaire Volkskrant-journalist Martin Bril die in zijn columns regelmatig getuigde van zijn liefde voor auto's van het merk Volvo - en die er zich, zoals na de voortijdige dood van Bril bleek, door de fabriek vanwege verleende diensten ook maar één cadeau had laten doen.     

 

Zoals gezegd, veelgeliefden: Zo gaat dat dus in de wereld.

 

En hoe gaat het in de kerk, binnen de geloofsgemeenschap? Hoe wordt daaraan leiding gegeven? Hoe worden dáárbinnen de beslissingen genomen? Hoe gebeurt dat feitelijk? En hoe zou het mόeten gaan?

 

Over die laatste vraag (Hoe zouden beslissingen binnen en vόόr de geloofsgemeenschap genomen mόeten worden?) bestaat binnen onze kerk, de Roomse, veel verschil van mening en leeft er veel onvrede. Want: de geloofsinhoudelijke beslissingen worden in de kerk genomen door de priesters: door de paus, door de bisschoppen en op parochie-niveau door de pastoor, met twee 'o's'. Over hen wordt binnen de kerk vaak veel geklaagd, gelukkig minder over de paus tegenwoordig, maar over de kardinaal, Eijk, nog altijd wel veel. En over de bisschop en over de pastoor? - Die vraag mag u zelf beantwoorden.

 

Naast de pastoor heb je voor met name de materiële zaken het parochiebestuur waarvan de pastoor qualitate qua, uit hoofde van zijn functie, de voorzitter is. In het parochiebestuur kan ook gesproken worden over niet-materiële zaken. Dat recht hebben de parochiebestuursleden: om de pastoor daarover te adviseren. En datzelfde kan ook gebeuren in het kader van een zogenaamde 'parochievergadering' waarvan de leden idealiter door de parochianen gekozen worden, zoals zij zich ook mogen uitspreken over de keuze van de parochiebestuursleden. Maar in de praktijk van veel, misschien wel de meeste Nederlandse parochies bestaat er feitelijk geen parochievergadering en zijn er (dus) ook geen gekozen vertegenwoordigers van de parochianen.

 

Zo zit het ongeveer in elkaar en werkt het ongeveer dierbare gasten en parochianen. Maar... werkt het zo goed? goed genoeg? Zou het niet anders kunnen en zelfs moeten? Dat is de vraag.

 

In onze eerste lezing vandaag, uit het boek der Handelingen van de Apostelen, kregen wij een interessant inkijkje in hoe het wat dit betreft ging in de begintijd van de kerk, toen deze nog heel dicht stond bij haar oorsprong binnen het jodendom en zich van de synagoge nog maar pas had losgemaakt. Ook toen, in die tijd, was het al hommeles. Er is sprake van "opschudding", van "heftig dispuut" en van een "strijdvraag" - waarόver dat laten we nu maar even in het midden. Maar... dat wij daarmee in onze tijd dus ook regelmatig te maken hebben, met onenigheid, dat mag ons dus niet verbazen. Zonder strijd gaat het blijkbaar niet. Strijd hoort blijkbaar bij het leven, ook bij dat van de kerk dus.

 

Maar: Hoe ging de christelijke gemeenschap detijds daarmee om? Onderling kwam men er in de situatie die in de Handelingen van de Apostelen vandaag aan de orde is; onderling kwam men er duidelijk niet uit of achtte men zich ook niet bevόegd om over de kwestie die speelde te beslissen - omdat die ongetwijfeld ook in andere pas ontstane christelijke gemeenschappen kon opkomen en spelen. En men realiseerde zich: Wij staan niet op onszelf maar zijn wezenlijk met die andere gemeenschappen verbonden en willen daarmee dus ook voeling houden en niet op eigen houtje opereren. Aan Paulus en Barnabas werd daarom de opdracht gegeven om de kwestie waar het om ging voor te leggen aan "de apostelen en oudsten in Jeruzalem" en daarmee aan de centrale gezagsinstantie destijds. In Jeruzalem spreekt men erover. En, ik citeer, "daarop besloten de apostelen en oudsten in overleg met heel de gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas (...) te sturen, Judas (...) en Silas (...)". De heren krijgen een brief mee. Daarin wordt gemeld dat men in Jeruzalem "eenstemmig besloten" heeft om deze Silas en Judas af te vaardigen, mannen "die zich met hart en ziel inzetten voor de naam van onze Heer Jezus Christus". En dan staat er "zij zullen u dezelfde boodschap" (die dus ook al in de brief stond!), zij zullen die boodschap "ook mondeling overbrengen". Kijk veelgeliefden... dat is nog eens zorgvuldig communiceren... Behalve de schriftelijke communicatie ook nog eens de rechtstreekse communicatie van mens tot mens. En dan, als kers op de taart, klinken vervolgens de volgende plechtige, zelfbewuste en zelfs enigzins triomfantelijke woorden - Houd u vast! - : "De heilige Geest en wij hebben besloten u geen enkele last op te leggen dan alleen wat strikt noodzakelijk is." 

 

"De heilige Geest en wij". Dat is nog eens een beslissing derhalve die gedeeld en breed gedragen wordt: De hemel en de aarde staan er achter...

 

Wat kunnen wij hiervan leren met het oog op onze eigen omstandigheden?

 

Ik haal er een aantal dingen uit:

 

1. Dat er op bepaalde punten verschil van inzicht kan zijn en dat zulks gemakkelijk tot onenigheid en frictie kan leiden, dat is normaal. En het hoeft ook geen ramp te zijn - als je er maar goed mee om gaat.

 

2. Ook voor ons geldt: Wij staan niet op onszelf. Wij zijn als parochiegemeenschap geen monade. Het is goed als iedereen zich thuisvoelt in de kerk en in de parochie. Maar het is niet goed als iedereen daarbinnen maar zijn en haar eigen gang gaat zonder voeling te houden met het grotere geheel. Wij maken deel uit van dat grotere geheel van de diocesane en universele kerk waaraan door de bisschoppen als de opvolgers van de apostelen leiding gegeven wordt. Het is dus belangrijk om de bisschoppen en op de eerste plaats die van onszelf, onze eigen bisschop dus: om die in zijn en hun verantwoordelijkheid voor het grotere geheel en daarmee dus ook voor ons te erkennen en te respecteren.

 

3. Die "apostelen en oudsten", voor ons in onze tijd geconcretiseerd in de persoon van onze bisschop en in 'Haarlem', 'het bisdom', de bisschoppelijke curie, zij staan ook ten dienste van ons. Zij zijn er ook voor ons - of zouden dat dienen te zijn in elk geval. Wij hoeven dus niet te schromen om op 'Haarlem' een beroep te doen als er kwesties zijn waar wij met elkaar niet uitkomen en met name niet als het belangrijke kwesties betreft die ook het grotere geheel van de kerk raken en aangaan.

 

4. Over het doen van zo'n beroep op 'Haarlem', zoals eertijds op Jeruzalem, zouden we het bij voorkeur wel met elkaar eens dienen te zijn. Zo was het destijds ook. Liefst samen dus zo'n beroep en niet op eigen houtje - al was het maar omdat men in Haarlem ook méér te doen heeft.   

 

5. Zorgvuldig communiceren. Schriftelijke communicatie, per brief of per e-mail, en mondelinge communicatie, contact van mens tot mens, ook binnen groter verband, hebben elk een eigen kwaliteit, vullen elkaar aan en kunnen elkaar versterken. Dit geldt voor de communicatie die wij hebben met 'Haarlem', maar uiteraard ook reeds voor onze communicatie onderling.

 

Aan onze evangelietekst, van Johannes, ontleen ik tenslotte nog enkele andere punten die hierop aansluiten:

 

6. Jezus zegt: "Als jullie mij liefhebben, zou het jullie met vreugde vervullen dat ik heenga naar de Vader." Als jullie mij liefhebben... Met andere woorden: Vanzelfsprekend is dat niet - dat wij, u, jij, ik, Jezus liefhebben. Maar als wij Hem liefhebben, als jij Hem liefhebt, dan ervaar je vreugde. En dan ervaar je vertrouwen - vanwege ook die mysterieuze "Helper" die de Vader in Jezus' naam zenden zal, steeds opnieuw denk ik. De Helper, de heilige Geest, deze "zal jullie verder in alles onderrichten: Hij zal jullie alles laten begrijpen wat ik jullie gezegd heb." Vreugde, vertrouwen en tenslotte: Vrede! De drie v's... "Vrede laat ik jullie na, mijn eigen vrede geef ik jullie. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen." Dat zegt Jezus. Het zijn geruststellende, aanmoedigende en aansporende woorden die Hij spreekt en in die zin zeker niet overbodig, ook niet in onze tijd. En hiermee stelt Jezus een vraag aan elk van ons: Ervaren wij in ons leven samen als kerkgemeenschap en ervaar jij binnen die gemeenschap maar ook daarbuiten; ervaren wij en ervaart elk van ons genoeg vreugde, vertrouwen en vrede? Heeft ons, heeft jόuw leven die kwaliteit?    

 

Jezus zegt: "Mijn eigen vrede geef ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft."

 

Wat bedoelt Hij daarmee?

 

Ik denk, veelgeliefden, dat wij in dit verband ook mogen denken aan de woorden van onze tweede lezing vandaag, uit de Openbaring van Johannes. Daarin werd ons geschilderd hoe "de heilige stad, Jeruzalem, (...) vanuit God uit de hemel neerdaalde, stralend van God heerlijkheid." Wat een beeld! En wat een contrast inderdaad met al die talking heads, al die pratende hoofden bij Eva, Jeroen en Umberto en overal, ook in de kerk. Maar dat neerdalen van die heilige stad gebeurt in stilte. Let all mortal flesh be silent. Laat iedereen nu z'n mond houden - en zien hoe die stad vanuit God uit de hemel neerdaalt.

 

Gaat het hierbij, veelgeliefden, om toekomstmuziek? Ja vast. Maar toch ook niet uitsluitend. Nee, ik denk en ik ervaar: Tijdens de viering van de heilige eucharistie maken wij dat in elk geval elke zondag mee. De stilte na de consecratie, de heiliging waardoor brood en wijn tot Lichaam en Bloed van Christus worden. Daarin zit het. En daarin gebeurt het. Op dat moment dáált die heilige stad neer en ontvángen wij reeds Christus' vrede die inderdaad een heel andere is dan die welke de wereld te bieden heeft.

"Die stad heeft het licht van zon en maan niet nodig, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en haar lamp is het lam." Dat zegt Johannes. Hij heeft het over Jezus. Dat lam ís Jezus. En Hij, Jezus, is en wordt in elke viering van de heilige eucharistie opnieuw: de onze. En van daar uit, vanuit Hem, zijn en worden wij steeds opnieuw kerk en parochie.

 

Wat is een parochie? De codex, het kerkelijk wetboek, stelt: "De parochie is een bepaalde gemeenschap van christen-gelovigen, (...) duurzaam opgericht, waarover de herderlijke zorg, onder het gezag van de diocesane bisschop, aan een pastoor als haar eigen herder is toevertrouwd." Dat het, dat de parochie, ons vreugde, vertrouwen en vrede mag schenken. Dat we dat alles er aan mogen ontlenen en beleven. Dat we het mogen beleven: aan God, aan Jezus, aan beider Geest, aan de bisschop, aan de pastoor en aan elkaar. Amen.

 

Verkondiging

                                                                                                                                                   

op 24 april 2016, de vijfde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (14, 21-27), Psalm 145 (ged.),  de Openbaring van Johannes (21, 1-5a) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (13, 31-33a.34-35).

 

Een hot tub - zo'n groot warm bad in de tuin.

 

Of: de sauna.

 

Taartjes!

 

Haring met dillesaus.

 

Zalm uit de oven.

 

Grand Marnier. Bénédictine. Advocaat met slagroom.

 

Of de kinderen misschien: Patat met mayonaise! Pizza! Spinazie! Spercieboontjes! Spruitjes! Tomaten!

 

Heerlijk! Waar denk jij, waar denkt u aan bij het woord 'heerlijk'?

 

In de korte evangelielezing van deze zondag, dierbare gasten en parochianen, in die korte lezing hoorden wij dat woord 'heerlijk' maar liefst vijfmaal: 'verheerlijken', 'verheerlijkt'.

 

In het Johannes-evangelie zitten we met dat woord 'heerlijk' helemaal in de sfeer van God. Heer-lijk: wat met de Heer te maken heeft. 'Heerlijk', dat is: wat en wie het gewicht, het volle gewicht heeft van God. Ja, 'heerlijk' - dat maakt zwaar. Heerlijk is zwaar, in die zin. In zijn evangelie doet Johannes Jezus vandaag spreken over zichzelf in relatie tot God in de derde persoon: "Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken." Er is een va-et-vient, een heen en weer, interactie tussen Jezus en God. Zij doordringen elkaar en gaan in elkaar op.

 

De woorden worden vandaag gelezen omdat dit al de vijfde zondag van Pasen is. Jezus is tot Zijn leerlingen teruggekeerd als De Verrezene. Al een tijdlang gaat Hij in een nieuwe hoedanigheid maar nog heel zichtbaar, hoorbaar en tastbaar met hen om. Maar nu loopt die tijd op een einde. Hij staat op het punt nu verder weg te raken en dieper in God op te gaan. Donderdag over een week is het Hemelvaartsdag. Hij, Jezus, gáát. Wij blijven. En nu op de valreep zegt Hij nog één keer, vat Hij nog één keer samen wat het belangrijkste is, waar de achterblijvenden vooral, op de eerste plaats aan moeten blijven denken, wat ze goed in hun oren moeten knopen. Hij zegt: "Een nieuw gebod geef ik jullie: jullie moeten elkaar liefhebben; zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben."

 

Het liefdesgebod. Dat heeft iets paradoxaals. Want: je kunt toch niet liefhebben op commando? Je kunt toch niet liefhebben omdat het moet? Heb lief of ik schiet! Dat werkt toch niet?

 

Kijk maar naar onszelf hier. Kijk maar eens om je heen. Hoe goed kennen wij elkaar? Van de mensen die hier en nu aanwezig zijn ken je er misschien een aantal, de één beter dan de ander, sommigen misschien alleen maar van gezicht, anderen omdat je ook wel eens een enkel woord of méér woorden met hen gewisseld hebt, na de viering bij de koffie of op het kerkplein. Maar er zijn hier en nu misschien ook mensen die je vandaag voor het eerst ziet, wildvreemden dus. Het zijn misschien toeristen. Toch horen wij bij elkaar. Want onze kerkgemeenschap hier staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een veel grotere, ja over de hele wereld verspreide gemeenschap die door de tijden trekt. Van de mensen die je hier wel kent, daarvan ligt de één je misschien meer dan de ander en vind je hen in verschillende gradaties aardig, variërend van 'heel erg' tot 'niet zo'. Er zijn misschien mensen naar wie je toe trekt en met wie je gráág omgaat en praat én er zijn misschien mensen die je misschien liever vermijdt, tegen wie je niet weet wat je tegen hen zou kunnen, willen of moeten zeggen en om wie je geneigd bent met een boogje heen te lopen. Ja, je kunt je afvragen: in hoeverre zijn wij als geheel van mensen werkelijk een gemeenschap? Zijn we niet eerder een verzameling individuen en van eilandjes van mensen die met elkaar klitten? Let wel veelgeliefden: Ik geef hier geen mening over ons samen maar ik stel u en mijzelf hier een vraag. En laat ieder van ons daar zelf een antwoord op geven, op die vraag, nú in de stilte van eigen hart en geest en zodadelijk bij de koffie kunnen we er desgewenst over uitwisselen - of niet en dat is dan natuurlijk ook een antwoord.

 

Ja, de schriftlezingen vandaag nodigen ons erg uit om stil te staan bij hoe wij met elkaar omgaan. Is dat in de sfeer van God of heerst er een andere sfeer? "Jullie moeten elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad" zegt Jezus. En hoe is dat dan? Hoe heeft Jezus ons dan liefgehad? Wij mogen het misschien invullen vanuit de psalm, de 145ste, die wij samen gebeden hebben. Daarin hoorden wij: "De Heer is vol liefde en medelijden, lankmoedig en zeer goedgunstig. De Heer is bezorgd voor iedere mens, barmhartig voor al wat Hij maakte."

Vraag: Karakteriseren deze kwaliteiten ook onze omgang hier met elkaar en met mensen die er op dit moment niet zijn en met mensen buiten onze kring? Hoe liefdevol, meelevend, ja mede-lijdend, 'lankmoedig' oftewel geduldig, 'zeer goedgunstig', bezorgd en barmhartig zijn wij onderling en voor elkaar - hier in dit huis, in deze kerk om te beginnen? Hoe doen wij het wat dit betreft? Doen we het goed? Doe jij het goed? Of kan het misschien beter? Valt er aan jou en aan mij op dit punt nog wat bij te schaven? Kunnen we er zo nodig nog een tandje bij zetten en als warme, liefderijke, gastvrije, hartelijke gemeenschap groeien? "Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat jullie mijn leerlingen zijn", zegt Jezus: "als jullie de liefde onder elkaar bewaren." En doen wij dat? Bewaren wij die liefde? Hoe voelen wij voor en met elkaar? Hoe denken wij over elkaar? Hoe spreken wij met en over elkaar? Hoe schrijven wij aan en over elkaar in brieven en e-mails? Ja... Hoe doen we het?

 

De geloofwaardigheid van God, dierbare parochianen en gasten, die geloofwaardigheid is en wordt voor een heel belangrijk deel aan όns toevertrouwd en in handen gegegeven. Maken wij God waar? Of wordt God door ons tot een ongeloofwaardige figuur, een schertsfiguur en is het eerder een parodie op God, een farce die wij ervan maken? Hoe echt en geloofwaardig is het allemaal, die kerk van ons? Verschijnt God, verschijnt Jezus werkelijk in en door ons? Of verduisteren wij eerder het zicht op Jezus, op God? Om dat soort vragen gaat het.

 

In de eerste lezing uit het boek der Handelingen van de Apostelen hoorden wij hoe Paulus en Barnabas in de verschillende pas door henzelf gestichte christelijke gemeenschappen "de leerlingen in hun goede gesteldheid bevestigden, hen aanspoorden in het geloof te volharden" en dat zij zeiden "dat wij door vele kwellingen het Rijk Gods moeten binnengaan". Ja, zo is dat, nog altijd. Het valt soms niet mee. Wij kunnen ons soms echt gekweld voelen, ook door elkaar. Maar de vraag is dan altijd: Kunnen we daar ook doorhéén groeien? En zou ook een andere, veel fijnere, ja een geweldige, een heerlijke ervaring met elkaar niet mogelijk zijn? Vast veelgeliefden, vast. Ik geloof daarin.

 

Paulus en Barnabas "stelden na gebed en vasten oudsten voor hen aan, en vertrouwden hen toe aan de Heer in wie zij nu geloofden." 'Oudste', dat is in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, 'πρεσβυτέρος'. Ons woord 'priester' is daarvan afgeleid. Ik voel mij in dit verband dus zeer aangesproken. Ik voel mij verantwoordelijk - in de allereerste plaats om te bevorderen en te waarborgen dat Jezus' liefdesgebod binnen onze gemeenschap zo goed mogelijk doorwerkt, uitwerkt en tot z'n recht komt. Maar ik doe dat in het gelukkige bewustzijn dat wij allen, u en ik, net als die allereerste christelijke gemeenschappen aan de Heer zijn toevertrouwd. Dat is dus al gebeurd. Het is er al. Wij zijn er ook al. Hij zorgt voor ons. In dat vertrouwen mogen wij dus met een gerust hart geloofsgemeenschap zijn.

 

"Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, schoon als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. (En) Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: 'Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn want al het oude is voorbij." Die woorden, heerlijke woorden veelgeliefden, hoorden wij in de tweede lezing, uit de Openbaring van diezelfde Johannes aan wie wij ook het naar hem genoemde evangelie danken. Is het toekomstmuziek die Johannes in die Openbaring voor ons speelt?

 

Zeker... Vast!

 

Maar... ik denk: als het goed is, dan zouden wij die heilige stad die van God uit de hemel neerdaalt, Gods woning onder de mensen, όόk al enigzins en het liefst uiteraard zoveel en uitbundig mogelijk moeten kunnen ervaren in ons kerk-zijn hier op aarde, heel concreet ook hier op deze plek, binnen onze gemeenschap, die van de Rozenkranskerk en -parochie: de Obrecht!  

 

Het liefdesgebod. Heerlijk is dat. Dus: Geloof er maar in. Vertrouw er maar op. Gehoorzaam eenvoudig dat gebod. Gedraag je ernaar. Doe het. En dan komt het gevoel vanzelf wel - όόk voor de mensen die jou a priori minder of helemaal níet liggen of die je mogelijk zelfs verafschuwt en eerder haat, mensen die voor jou een groot probleem vormen - maar die jou misschien ook een spiegel voorhouden en bij jou de vinger op de gevoelige plek leggen, die jou confronteren met wat je in en van jezelf niet wilt zien en niet wilt weten. Dat zou όόk kunnen.

 

"Hij die op de troon is gezeten sprak: 'Zie, ik maak alles nieuw.' " Nou veelgeliefden: Ik ben benieuwd! Amen.

 

Verkondiging

 

op 10 april 2016, de derde zondag van Pasen, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5,27b-32.40b-41), Psalm 30 (ged.), het boek der Openbaring van Johannes (5,11-14) en uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (21,1-19).

 

Zeer ontevreden, dierbare gasten en parochianen, zeer ontevreden was één van ons over de viering van Eerste Paasdag hier in onze kerk - en dan speciaal wat betreft mijn aandeel daarin. "Een aanfluiting" vond de persoon in kwestie verschillende aspecten van mijn spreken en doen. De door mij gehouden verkondiging was "geen paaspreek" zo werd geoordeeld.

 

Tja...

 

Voor degenen die er niet bij waren of het zich niet meer herinneren: Ik heb in het kader van die verkondiging op Eerste Paasdag gesproken over een door haar man verlaten vrouw. Ik zag in haar situatie een overeenkomst met die van Maria Magdalena, vriendin van Jezus, die óók door Hem verlaten was - zij het om een heel andere reden uiteraard. Want Jezus werd vermoord en de man van de vrouw over wie ik sprak 'had een ander', maar toch... Beíde vrouwen, zowel Maria Magdalena als de vrouw in het huidige Amsterdam, beiden voelden zij zich beroofd, in de steek gelaten en intens verdrietig. Dat was voor mij het punt van over-eenkomst. Maar degene van wie ik die zeer kritische feed-back, zo mag ik wel zeggen, mocht ontvangen, die zag dat niet zitten: "Die relatie van die vrouw die jij goed kent, heeft niks te maken met de verrijzenis van Jezus" merkte deze op. Zelf had ik toch nóg een verband gezien, want zoals Maria Magdalena na Jezus' dood opnieuw door Hem, door Jézus werd aangesproken, zo voelt die vrouw die ik ken zich nog altijd aangesproken door haar goede vader die een paar jaar terug overleed. Haar Vader en De Vader, die van Jezus en van ons allen, ze zijn voor deze vrouw met elkaar vergroeid geraakt. Beide vrouwen, Maria Magdalena en zij, ervaren dus contact 'voorbij de dood' - óver de grens van de dood heen. Mij persoonlijk, zo moet ik zeggen, hélpt zo'n verhaal van iemand die nú leeft om misschien een beetje beter te begrijpen waar het in de bíjbel om gaat, óók waar het de verrijzenis van Christus betreft.

 

Het moge echter duidelijk zijn, dierbare gasten en parochianen, dat dit niet heeft gegolden voor de persoon die mij die ongezouten kritiek gaf, ja die mij onder uit de zak gaf. Die persoon had hier op Eerste Paasdag bepaald geen verrijzenis-ervaring gehad, maar was er alleen maar opstandig van geworden.

 

Ik was de persoon in kwestie echter oprecht erkentelijk dat die mij, wiens schuld het allemaal was in diens beleving, dat deze mij hiervan rechtstreeks zélf op de hoogte stelde. Want dat maakt het mogelijk om erover na te denken en er verder over te communiceren, ook in het kader van de verkondiging, want wie weet hadden wel meer mensen onder u op die Eerste Paasdag een vergelijkbare beleving. Misschien heb ik voor méérderen onder u toen de plank wel volledig misgeslagen...

 

Gelukkig is er bij God, in de kerk en hopelijk ook bij de mensen altijd een herkansing. Opnieuw zijn wij hier in het licht van Pasen bijeen. En, zo vraag ik mij dan nu af: Wát heeft mijn preek-criticus op Eerste Paasdag níet gehoord wat deze wel absoluut noodzakelijk vindt óm te horen in verband met Pasen? De persoon in kwestie schreef: "Volgens de evangelist "zei de engel tegen de vrouwen: 'Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus. Hij is niet in het graf. Want Hij is opgestaan uit de dood, zoals Hij gezegd heeft."

 

Inderdaad is dat de paasboodschap.

 

En kunnen en moeten we er mee volstaan, dierbare gasten en parochianen; moeten we er mee volstaan om die boodschap maar gewoon te laten voor wat ze is, die maar zo letterlijk mogelijk nemen, er verder geen vragen bij stellen en niet proberen om in die boodschap dieper door te dringen? Jezus was dood en nu leeft Hij weer. Zo simpel is dat. Punt uit.

 

Ja... dat zou natuurlijk kunnen. Maar ik ben bang: veel mensen zijn daar toch niet tevreden mee en die zitten zo toch niet in elkaar. Veel mensen hebben wél allerlei vragen bij die paasboodschap en willen die vragen denk ik wél gesteld hebben en erover mijmeren, medi-teren en spreken. In elk geval geldt dat voor mij. Een dode die terugkomt, dat is toch onbe-staanbaar! Dat kan toch niet! En als het voor en met Jezus wél zou kunnen, waarom dan niet voor mijn lieve vader en voor mijzelf als het zover is? Wat is precies de aard van dat terug-komen van Jezus? Hoe aboluut is eigenlijk de grens tussen leven en dood en tussen dood en leven? Als Jezus dan verrezen is, waar is Hij dan nu? En is Hij daar alleen? En maakt Hij in deze tijd ook nog contact met mensen? Is er communicatie mogelijk tussen deze en gene zijde van de dood? Ja, dat zijn zo van die vragen die bij ons op kunnen komen als wij werkelijk stilstaan bij wat we in de paasevangeliën te horen krijgen.

 

Zo ook vandaag. Net als op de Eerste Paasdag hoorden wij een tekst, een lange tekst, uit het Johannes-evangelie. "Toen het reeds morgen begon te worden stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was." Wonderlijk dat laatste en: precíes zoals op paasmorgen met Maria Magdalena. Ook zíj zag Jezus. Maar ook zíj herkende Hem aanvankelijk niet. Ze dacht dat het de tuinman was, zo staat er. Blijkbaar zag Jezus er dus anders uit dan voorheen. Hij leek een vreemde. Ze herkende Hem blijkbaar niet aan Zijn ge-zicht en gestalte. Zó ook hier aan de oever van het meer. Ongeveer honderd meter van de kant zitten de leerlingen met z'n zevenen in de boot. Ze zijn gefrustreerd en gedeprimeerd, want ze hebben niets gevangen.

 

Is het dáárom dat ze Jezus niet herkennen: vanwege hun eigen gemoedsgesteldheid? Dat zou natuurlijk kunnen. Zien en geloven is denk ik gemakkelijker voor wie zich zonnig, opgeruimd en opgewekt voelt, dán voor wie somber, lusteloos en knorrig is. 'Ópgewekt': het woord zegt het eigenlijk al. Dat is al bijna: opgestáán. Jezus roept, van enige afstand dus, de leerlingen toe. Hij stelt ze een vraag: "Vrienden, hebben jullie soms wat vis?" Die vraag klinkt vriendelijk, bescheiden én opgewekt. En vervolgens, na het "nee" van de leerlingen, geeft Jezus een aanwijzing: "Werpt het net uit, rechts van de boot, daar zult ge wel iets vangen". En dan is er opeens overvloed. En dán herkent "de leerling van wie Jezus veel hield" in die vreemde op het strand de Heer. Hij herkent Hem, nog niet eens door Zijn stem, maar door het effect van Zijn woorden, door die overvloed.

 

Ik denk: wat we daar horen en zien gebeuren, dat is ook erg belangrijk voor ons. Als wijzelf in ons leven te maken hebben met mislukking, met schaarste en schraalheid en met alle weinig vrolijk stemmende gevolgen van dien, dan is het zaak om je door Jezus' woorden vandaag ook persoonlijk te laten aanspreken. Hij heeft het tegen jóu. Hij heeft het óók tegen jou: Wanhoop niet. Geef de moed niet op. Geef de mensen niet op. Geef jezelf niet op. Geef elkaar niet op. Probeer het, aangemoedigd door Jezus, gewoon nog eens opnieuw. Gun jezelf en de anderen een nieuwe kans. En dan zul je eens zien...

 

Wonderlijk gegeven: als de leerlingen aan land zijn gekomen, dan blijkt daar al een houts-koolvuur te zijn aangelegd, mét vis en brood er op. Waar Jezus naar had gevraagd, wat Hij van Zijn leerlingen, van ons dus ook, wilde en wil hebben, dat was en dat is reeds aanwezig. En dan vraagt Hij toch nog wat van die vers gevangen vis! Zo komen dus het onze en het Zijne bij elkaar in dat eerste paasontbijt op het strand. "Gij deelt ons mens-zijn en neemt ons op in uw goddelijk leven" bidden wij altijd bij de gavenbereiding tijdens de viering van de eucharistie. En ik denk: dat heeft ermee te maken - met wat we horen en zien dat daar op dat strand gebeurt. God en mens komen samen en bekrachtigen elkáár. Zonder God, zonder geloof in God, dat wil zeggen: zonder geloof in Jézus voor ons - ben je gemankeerd, ben je geamputeerd, ben je maar half mens, doe je het leven tekort en begrijp je het maar half. Om het leven in z'n volheid en overvloed te kunnen ervaren is geloof, is God, is Jezus nódig.

"Komt ontbijten" zegt Hij. En dan komt er bij Johannes weer zo'n eigenaardig iets, een vreemde zin: "Wetend dat het de Heer was durfde geen van de leerlingen Hem te vragen: 'Wie zijt Gij'?" Ja wat is dát? zou je zeggen. Het moet toch van tweeën één zijn: Ófwel je weet wie iemand is en dan hoef je het hem of haar ook niet meer te vragen wie hij of zij is. Ófwel je weet het niet en dan vraag je het gewoon. En waarom zou je dat niet durven? Vanwaar die schroom bij de leerlingen? Het is toch Jezus, hun vriend? Of is Hij het toch niet? Zoals gezegd, veelgeliefden: eigenaardig.

 

Of je kunt ook zeggen: mysterieus. Jezus' verschijning en aanwezigheid voor en na Pasen, dat is blijkbaar toch geen kwestie van 1 staat tot 1 en is 1. Ik denk: De buitenkant van de verrezen gedaante van Jezus is misschien anders. Hij ziet er anders uit. En Hij klinkt ook anders. Verschijning en stem van de verrezen Jezus zijn niet zonder meer herkenbaar als die van Jezus zoals Hij was vóór Zijn dood. Maar Zijn binnenkant is dezelfde gebleven. Het hart is hetzelfde. De liefde die Hem en ons bindt, díe is dezelfde gebleven. Het is vanwege die liefde dat de geliefde leerling Jezus herkent. En het is op het punt van de liefde dat Jezus Petrus ondervraagt: "Heb je me lief, meer dan de anderen hier?". Provocerend dat laatste! - "meer dan de anderen hier". Petrus, en wij, worden door Jezus qua liefde werkelijk uitgedaagd... Hoe groot, hoe sterk is jouw liefde? Als je werkelijk van mij houdt, dan vertrouw ik je alles en iedereen met een gerust hart toe.

 

Hebben wij iets aan deze uitpluizerij van en beschouwing over deze bijbeltekst veelgeliefden? Ik hoop het eerlijk gezegd toch wel. De liefde blijft. Gods liefde blijft. Dus Jezus blijft. Die liefde, Hijzelf, gaat door de dood heen. Die liefde in Hem en de Zijne in ons, die is beslissend, daar hangt alles vanaf.

 

Gisteren hoorden wij in de lezingendienst, dat is het eerste zogenaamde 'officie' waarmee het dagelijks gebed van de kerk begint en dat in elk geval de priesters en de diakens geacht worden te bidden; in die lezingendienst hoorden wij een tekst van John Henry kardinaal

Newman (1801-1890), de grote bekeerling tot het katholicisme in het Victoriaanse Engeland. Graag citeer ik tot besluit van deze verkondiging een klein stukje van de bewuste tekst. Newman schrijft: "Degenen die Christus in zich dragen, kan geen kwaad overkomen. Be-proeving of bekoring, tijd van overvloed, leed, zwaar verlies, zorgen, verdriet, de honende opmerkingen van de vijand, het verlies van wereldse goederen, niets kan 'ons scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer' " Einde citaat.

 

Een mooie tekst veelgeliefden. Maar geen vrijblijvende tekst. Want deze confronteert ons met vragen als: Draag jíj Christus in je? En: ervaar jíj die liefde Gods die is in Christus Jezus onze Heer? En: kun jíj in en vanuit die liefde naar mensen kijken - mensen die misschien heel anders in elkaar zitten en voelen en denken en opereren als jijzelf zoals bijvoorbeeld de preek-bekritiseerder en ikzelf? Kunnen we, heel concreet, toch gewoon een beetje of liefst een beetje veel van elkaar blijven houden, ondanks al onze verschillen? Ik hoop het. God, de verrezen Jezus, sta ons erin bij. Amen.                                                                                                        

 

Verkondiging

 

op 7 april 2016, tweede verjaardag van het martyrium van pater Frans van der Lugt s.j., in de Kerk van Onze Lieve Vrouw van de Allerheiligste Rozenkrans te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezenen: uit het Boek der Handelingen van de Apostelen (5, 27-33) en het evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes (3, 31-36)

 

"Kyrië is Syrië. Liturgie gaat over de shit van deze wereld, over de ervaringen van mensen, daar is niks heiligs aan.”

- Aldus onlangs de liturgie-wetenschapper en Bach-kenner Ad de Keyzer in Trouw.

"Kyrië is Syrië."

- Misschien dat we daarmee de hele ellende maar ook de hoop van het land waaraan Frans van der Lugt s.j. zijn hart had verpand wel mogen samenvatten.

Kyrië. God aanspreken: De Heer. Dat doe je omdat er nood is. Maar in die nood heb je tenminste een adres. Zo géldt dat voor gelovige mensen, van welke snit ook.  

Vandaag precies twee jaar geleden gaf Frans zijn leven. Nou ja, dat leven werd hem ontnomen. Levensmoe was hij bepaald niet. Nee, eerder bruisend en sprankelend temidden van de ellende. Zo komt hij over op dat beroemde filmpje in elk geval: ondanks de ondervoeding met een grote geestkracht. Hier ben ik! Hier zijn wij! Horen jullie ons? Wij willen niet dood!

Maar gestorven is hij, vermoord zelfs. En het risico daarop zat natuurlijk volop in de lucht. Maar dat risico heeft hij genomen - min of meer luchthartig is mijn indruk: Van der Lugt. In die zin heeft hij dan zijn leven gegeven. Kyrië is Syrië: voor dat land en z'n mensen is deze man, deze priester, deze Heer-roeper gestorven. Ja, hij heeft dat heel hard geroepen: Heer! Die Heer in elk van ons, in alle wereldburgers, heeft hij aangesproken.

De schriftlezingen die wij hoorden zijn die van de dag, van deze donderdag in de tweede paasweek. 

"God moet men meer gehoorzamen dan de mensen".

Dat regeltje uit het boek der Handelingen van de Apostelen lijkt mij zeker koren op Frans' molen. Ik heb de indruk gekregen: Hij was een eigenzinnig man, zeker niet erg volgzaam waar het allerlei met name kerkelijke, liturgische regels betrof. 

Daar gaat de promotor voor de heiligverklaring nog een zware dobber mee krijgen - mocht dat verlangen om Frans als martelaar heilig verklaard te krijgen überhaupt bestaan of ooit opkomen. Ik vermoed dat hijzelf zoiets niet erg belangrijk, om niet te zeggen: een totale quantité négligable zou vinden. Maar ja... dát gegeven kandideert hem dan natuurlijk juist...

Frans een eigenzinnig man, een man, een christen, een priester, een jezuďet vol hartstocht en vuur vanwege individuele mensen, vanwege de schapen van zijn kudde waar iedereen, christen, andersgelovig of niet-gelovig denk ik bij mocht horen, vanwege het gezelschap van Jezus en vanwege zijn projecten: El Ard, het land- en wijnbouwbedrijf, annex gehandicaptenopvang, annex hotel, de voettochten enzo-voort... Hij was daarin bepaald niet uitgeblust. De burgeroorlog wakkerde zijn gelovig vuur alleen maar aan...

"Je moet God meer gehoorzamen dan de mensen." Natuurlijk is dat een gevaarlijk zinnetje, vooral in verband met eigenzinnige mensen. Want gemakkelijk wordt God op die manier een voertuig van en voor jouw eigenzinnigheid. Als doctor in de psy-chologie zal Frans  zich van dat gevaar zeker bewust zijn geweest. In hoeverre hij er last van had, van godsdienstige ego-inflatie, daar heb ik geen idee van. Dat zoeken ze eventueel t.z.t. in Rome maar uit. Wij gaan daar niet over.

Frans heeft indruk op ons gemaakt, wereldwijd. Stralend en hoopvol bleef hij in Syrië Kyrië roepen en een beroep op ons en de wereld doen. Graag wil ik zelf daarom, zeker op een avond als deze, gráág geloven dat hij juist in en door zijn eigenzinnig-heid gehoorzaam was aan zijn diepste en hoogste inspiraties en daarmee: aan Jezus.

 "Wie afkomstig is van de aarde, blijft tot de aarde behoren en spreekt de taal van de aarde" hoorden wij in onze evangelietekst Jezus bij Johannes zeggen. Wij zijn geneigd, en ook Frans was het denk ik, om hemel en aarde wat minder tegenover elkaar te zetten als Johannes het doet. Frans was meen ik een heel aards mens. Hij hield van de aarde en de mensen, Syrische, Hollandse en andere(n).

Ja, maar toch... "Wie van boven komt", "wie uit de hemel komt staat boven allen." "Hij die door God gezonden werd, spreekt de woorden van God, die zo mateloos zijn Geest schenkt." Ook dat hoorden wij in Johannes' evangelie. En dat gaat dan natuur-lijk over Jezus. Maar wij zien en horen er vanavond ook echt iets van Frans in lijkt mij. Want kon hij temidden van de Syrische ellende niet vol goede moed blijven omdat hij er als het ware ook "van boven", "uit de hemel", "Van der Lugt" naar kon kijken? - naar de aarde en alle mensen en er daarom des te meer van houden? Ik vermoed: zo werkte dat wel bij en in Frans. Werkte ook in hem niet mateloos de Geest, Gods Geest, Jezus' Geest? Ik denk: wij geloven dat...

Maar wij gaan hem hier vanavond natuurlijk niet heilig verklaren. Dat zoeken ze in Rome maar uit!

Wij willen Frans' leven hier vanavond vieren omdat hij van allerlei mensen die nu hier zijn, familieleden en ordebroeders; omdat hij van hen hield en zij van hem. Wij vieren hem omdat hij indruk op ons heeft gemaakt en hem bij ons willen houden: een stralend mens in de hel van Syrië. Wat een mens. Wat een man. Wat een christen.  Wat een jezuďet. Wat een priester.

Syrië is Kyrië. Ik denk: Ook in en door wie Frans zelf was en in Gods licht is en blijven zal, ook daardoor is en wordt zijn eigen gebed verhoord. Moge dat ook voor ons op de plek en binnen de omstandigheden waarop en waarbinnen wij zelf staan gelden. Amen.

              

Verkondiging

 

op 3 april 2016, Beloken Pasen en zondag van de Goddelijke Barmhartigheid, in de Kerk van Onze Lieve Vrouw Koningin van de Vrede te Amsterdam

 

door pastor Pierre Valkering

 

Gelezen: uit het boek der Handelingen van de Apostelen (5, 12-16), de Openbaring van Johannes (1, 9-19) en het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgend Johannes (20, 19-31).

 

Ten little niggers, Tien kleine negertjes - dát is de titel van een spannend boek van Agatha Christie uit 1939. Mijn excuses aan pater Edmund Owusu en onze andere zwarte geloofs-genoten, maar: zó is nu eenmaal de titel van dat boek. Het is genoemd naar een kindervers-je dat in het boek voorkomt, een versje waarin het ene na het andere negertje het leven laat:

 

Tien kleine negertjes gingen uit eten langs verre wegen. Eén stikte in zijn drankje – toen waren er nog negen.

 

Negen kleine negertjes praatten tot diep in de nacht, Eén kon niet wakker worden – toen waren er nog acht."

 

Enzovoort.

 

Ik moest eraan denken, aan die tien kleine negertjes, bij één van mijn laatste ontmoetingen met onze kapelaan Hans Schouten. Hij lag in het AMC. En hij vertelde daar hoe hij in de jaren zestig-zeventig als dominee al bevriend was geweest met vele Roomse priesters - waarvan de een na de ander het ambt had neergelegd. Tien op rij waren het er geweest: tien priesters die Hans persoonlijk goed kende met wie het zo gegaan was. Tien kleine negertjes - tien kleine priestertjes. Hij, Hans, had het verschrikkelijk gevonden. "Dat betekende dat ze niet langer geloofden in de Zoon van God!" riep hij in zijn ziekenhuisbed voorzover zijn zeer verzwakte stem het hem nog toestond om te roepen. Al die ambtsverlating van Roomse priesters destijds wond hem nog altijd op. Snikkend had hij destijds, nadat het nieuws van priestertje nummer tien hem ter ore was gekomen; snikkend was hij destijds op een avond terecht gekomen op de stoep van paters die een huis hadden in de Honthorststraat. Eén van hen, ook een vriend van Hans, was naar buiten gekomen, had hem naar binnen genodigd en had hem getroost. Met grote dankbaarheid en warmte verhaalde Hans het. En wij weten: Al die ambtsverlating en gelóófsafval, in Hans' beleving en visie; het mocht hem dan destijds erg hebben aangegrepen, er was toch geen háár op zijn hoofd geweest die er aan gedacht had om zelf óók maar heen te gaan.  Op zijn tachtigste had bisschop Punt nota bene hemzelf nog priester gewijd, na een héel leven als gereformeerd predikant.

 

Ik hoorde er pas van vlak vóór die priesterwijding. En ik herinnerde mij hem van lang geleden. Dat ik, als middelbare scholier nog of als student; dat ik hem wel eens op de televisie had gezien, als predikant destijds ook al mét priesterboord om, vlammend sprekend temidden van een gezelschap van jongeren. Die moet ik hebben... dacht ik meteen. Ik probeerde hem te bellen, maar kreeg geen contact met hem. Dus wie schetst mijn verbazing toen ik hem de zondag daarop hier in de kerk zag, hier vooraan op één van de stoelen, naast de dikke Piet Quičl die daar ook altijd zat.

 

 

 

 

Ja, dat was toch een soort verschijning voor mij kan ik wel zeggen. Ik was stupéfait. "Ja", zegt hij, "ik kom hier al een tijdje...". Ik wist niet wat ik hoorde. En het was, dierbare gasten en parochianen, het was dus alsof dat zo moest zijn geweest, alsof niet wij dat zo hadden bedacht en georganiseerd, maar alsof dat elders, in de grote regiekamer, zo geregeld was geworden. Wat een vreugde! Wat was ik dankbaar en blij dat hij, Hans, zo op mijn en onze weg gekomen was. En dat ik ook kennismaakte met Jaap Dorland, de levenslange Marker metgezel van Hans, en met Oud Rustenburgh, het erf van omstreeks 1650 aan de Angstel waar zij temidden van allerlei bevriende families woonden: een rietgedekt huis dat mij deed denken aan The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, een huis propvol bijzondere, vaak religieuze voorwerpen waarvan je kon vermoeden: achter al die dingen zit een verhaal. "Een schiettent altijd prijs" zo noemde een tante van mij ooit het interieur van mijn eigen ouders. En bij Hans en Jaap thuis moest ik daar meteen aan denken...

 

Wat hebben wij hier in de Vredeskerk nog vijf mooie jaren met hem gehad... Wat krijgen we nou? En: Wat heb ik nóu aan m'n fiets hangen hebben sommige parochianen zeker gedacht... Want er kwam wel wat binnen met Hans: een bijzondere, kleurrijke figuur, één brok passie, gelóvige passie, een Elia, een Paulus. In de tweede lezing vandaag, uit de Apocalypse, het boek der Openbaring, daar hoorden wij Johannes over zichzelf zeggen dat hij "in geestvervoering raakte op de dag des Heren". Ik denk: zo hebben parochianen en gasten Hans hier vaak meegemaakt. Toch bleef hij tegelijk ook heel gewoon, heel menselijk en gezellig. Hij was een man die graag en veel lachte. Ik denk: Hij is er in die jaren hier toch helemaal bij gaan horen. Hij is één van ons geworden. "Kapelaan" wilde hij genoemd worden. Zo staat het ook op de rouwannonce: "Kapelaan van de Vredeskerk te Amsterdam". Ik ben daar erg blij mee en trots op: dat Hans dat op het eind van zijn leven nog geworden is. Hij heeft dat leven werkelijk ten volle geleefd. Hij heeft er uit gehaald wat er in zat en hij heeft dat ook met ons ten volle gedeeld. Wat een man! En wat een priester... Ondersteund door Henk Ostendorf en Nisan Sarican zoals Aäron en Chur ooit Mozes ondersteunden,  zo strompelde Hans steeds moeilijker naar en over het priesterkoor. Een ander had het waarschijnlijk allang opgegeven. Maar hij niet. En zijn geest bleef sterk, vlammend en vrolijk. "Waar denk je aan? Wat gaat er door je heen?" vroeg ik hem in het AMC. En Hans noemde toen onder andere: al die lieve kaarten die ik vanuit de parochie heb mogen ontvangen. "Ik zou al die mensen nog willen bedanken..." Dat doe ik nu dus maar namens hem...

 

Afgelopen woensdag hebben wij hem op Zorgvlied begraven. In de kerk van de heilige Comas en Damianus te Abcoude was er daarvoor een afscheidsviering geweest en op dinsdagavond werd coram episcopo, in aanwezigheid van de bisschop, de requiemmis gevierd. Na afloop daarvan mocht ik meerijden met Jim Schilder, de kapelaan van de Nico-laasparochie in de Amsterdamse binnenstad en met name verbonden, als zodanig, aan de Nicolaasbasiliek tegenover het Centraal Station, het boegbeeld van katholiek Amsterdam. Ook Jim is trouwens van gereformeerden huize. Hij vertelde, Jim, hoe Hans in één van de kerken waarin hij als priester voorging; hoe hij registreerde hoe een dame die de communie uitdeelde daarbij zei: "Brood voor onderweg". In verband met de communie is dat natuurlijk een mooie en een poëtische  term. Je denkt daarbij meteen aan de lunchpaketten, dierbare motorrijders, die u, die jullie op jullie tochten natuurlijk altijd meenemen. En zo géldt dat ook voor Jezus Christus, Zoon van God. Hij ís ons brood voor onderweg: voor onze reis door-heen dit leven. Hij, Jezus, ís het voedsel voor onze reis, voor ons leven. En toch zinde het Hans niet dat die mevrouw dat zei terwijl zij in het kader van zíjn verantwoordelijkheid de communie uitreikte. "Mevrouw... Het is het Lichaam van Chrístus" zei hij. En toen ze het toch bleef zeggen, "brood voor onderweg", herhaalde Hans het... "Mevrouw...".

 

 

 

"Lichaam van Christus". Dat was het voor hem, voor Hans. En dat is het. Voor minder deed hij het niet. Jezus, Zijn Lichaam, is veertien karaats goud. Martelaren hebben hebben hun leven gelaten voor het geloof in Jezus' werkelijke tegenwoordigheid in het sacrament des altaars. Dus daar mocht geen afbreuk aan worden gedaan vond Hans. En ik ben het daarin geheel met hem eens zo moet ik zeggen.

 

Maar intussen, veelgeliefden, is het natuurlijk niet meer dan logisch en normaal dat niet iedereen daar zo maar in kan komen, in dat geloof, en Jezus' levende aanwezigheid kan ervaren en daarin kan delen. Want vanzelfsprekend en altijd gemakkelijk is dat geloof natuurlijk niet. 'De ongelovige Thomas' zit in een bepaalde mate, meer of minder, zéker in elk mens en misschien ook wel in elke zogenaamde 'gelovige'.

 

Wat mij opviel vandaag in onze evangelietekst, dat is dat Thomas tot drie keer toe "Ik wil" zegt: "Ik wil zijn handen zien, met de gaten en de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet." Zo! Ik heb gezegd! Thomas heeft zijn positie bepaald. Hij heeft de piketpaaltjes geslagen en de condities gesteld: voor God, voor Jezus en voor het geloof in Hem. Thomas heeft zich tot de tanden toe bewapend en zich geharnast: Tot hier en niet verder. Ik wil!

 

Maar bij die woorden "ik wil" denken wij natuurlijk onmiddelijk aan wat Jezus zei in die laatste nacht van zijn leven in de tuin van Getsemane, in die Hof van Olijven waar hij in doodsangst bidt. Op Palmzondag hebben we het hier nog gehoord in het Lucasevangelie: "Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg; maar toch, laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U."  En in het Onze Vader bidden wij, mét Jezus: Uw wil geschiede. En zo is het veelgeliefden. Onze wil, die van u en die van mij, die moet altijd, vroeg of laat, wijken voor een hogere wil - die van God, die van dat ondoorgrondelijk mysterie waarin wij leven, bewegen en zijn.  En die 'hogere wil', veelgeliefden, die brengt met zich mee dat wij allemaal op de één of andere manier dit aardse leven moeten verlaten: grote vuurproef die ons allen aan het eind van ons leven wacht. Maar diezelfde hogere wil, die wil ons er blijkbaar ook van doordringen dat 'leven' nog meer is dan wij denken, menen te weten en in staat zijn om te zien... Thomas, met zijn ijzersterke wil, moet zich er aan gewonnen geven en wat in die zin vóór en met hém gebeurt is dan ook een uitnodiging van Godswege aan elk van ons: om óns, om jouzelf aan Hem, aan God, aan Jezus, toe te vertrouwen.

 

Hans Schouten heeft dat gedaan. "Hoe bent u er aan toe?" had de professor, omringd door co-assistenten aan hem gevraagd in het AMC. "Ik vertrouw mijzelf toe aan mijn Schepper en mijn Verlosser die ik heel mijn leven heb verkondigd" had hij afgemeten en stoer geantwoord. "Ik wou dat iedereen dat kon zeggen" had vervolgens de professor gezegd. Hans vertelde het met nauw verholen tevredenheid en trots.

 

Wij vieren Pasen veelgeliefden, Belóken Pasen. Tulpen, hyacinthen, forsythia... Alles bloeit en dat ruik je. En: "De hemel zingt het hoogste lied, de aarde juicht uit alle macht, de hel barst los in jammerklacht".  Na afloop van deze viering zullen we de motoren weer zegenen. De motorrijders zijn bijna niet te houden. Ze popelen om op weg te gaan, zoals koeien, schapen, lammetjes en kalveren kunnen popelen om de wei in te gaan - en laten we hopen dat ze dat vergund wordt: ook de dieren die zo vaak levenslang blijven opgesloten in hun nauwe hokken waarin ze door hun poten zakken...

 

 

 

Kijk goed uit motorrijders! Kijk goed om je heen, geniet, maar let ook goed op de weg. "Tien kleine negertjes gingen uit eten langs verre wegen" - jullie weten het... En als jullie langs de Angstel rijden en in Baambrugge en daar, midden in het dorp bij de brug, Oud Rustenburgh passeren, denk dan nog eens aan onze kapelaan Hans Schouten. Groet hem. Mét Jezus groet híj júllie: "Ik was dood, en zie, Ik leef tot in eeuwigheid." Moge dat voor ons allen zo zijn. Amen. Alleluia. 

 

Verkondiging

 

Verkondiging  28 III AD2016

 

Lezingen:  Hnd.2: 14 + 22-32, Ps.16, Mt.28: 8-15

 

Motto: men lijdt het meest  het lijden dat men vreest

 

Ga er maar eens goed voor zitten, dierbare gasten, parochianen en niets vermoedende passanten, want de evangelietekst van vanochtend vertelt over een beladen stuk politieke besluitvorming vol list en bedrog.  Zware kost dus.  Maar de lezing bevat daarnaast ook een vreugdevolle boodschap, van Jezus: ‘’weest niet bevreesd; jullie zullen mij zien’’.

 

Die vreugdevolle boodschap komt boven op een misschien nog veel vrolijkmakender reden tot blijdschap:  zo dadelijk mag Jennifer de doop ontvangen en dan wordt zij daarmee ook officieel een kind van God.  Tijdens de Paaswake werden 2 volwassenen gedoopt en nu komt Jennifer hun gezelschap versterken: het gaat helemaal niet zo slecht met de kerk als dat recent verschenen, nogal onwetenschappelijke rapport zou doen vermoeden. Laten wij positief blijven denken en doen. Van harte gefeliciteerd, Jennifer, je ouders en andere geliefden en vrienden.

 

Terug tot de evangelietekst. Twee dingen vallen er in op. Enerzijds de hogepriesters, die hun politiemensen omkopen om het volk met lage leugens te misleiden. Anderzijds de boodschap van de opgestane Jezus aan Zijn leerlingen: ‘’Weest niet bevreesd’’ en dan stuurt Hij hen naar Galilea om Zijn boodschap te brengen. Daar zal Hij ook verschijnen. Een missionaire opdracht met een blijde verrassing dus.

 

Om met het eerste te beginnen.  Overheden, die hun personeel aanzetten of omkopen om het volk te besjoemelen, of zelf jokken  -  het is van alle tijden. Je hoort het heden ten dage ook bij ons dagelijks op het nieuws en zelfs onze heilige kerk heeft dit moeten meemaken.  Vorig jaar op tweede paasdag refereerde ik vanaf dit rostrum aan een prins van de kerk, die op een vraag over seksueel wangedrag van priesters met kinderen reageerde met de tekst  ‘’Wir haben es nicht gewusst’’. Dat bleek niet waar te zijn.

 

Ik ben toen nauwelijks ingegaan op een toch belangrijke vraag: WAAROM loog de kardinaal ?  Eigenlijk maakte ik aldus een ernstige fout, maar het is nooit te laat om voor je fouten uit te komen en je zelf te corrigeren, desnoods een jaar later.  Het sacrament van boete en verzoening, de biecht is er ook niet voor niets, maar dit terzijde. Evenmin legde ik toen uit waarom de hogepriesters in de tijd van Jezus hun gemeenschap lieten voorliegen.

 

De tragiek is dat in beide gevallen waarschijnlijk gedacht werd een hoger doel dan de waarheid te dienen. De kardinaal streefde er naar om op die manier de schade voor de ook door hem geliefde kerk zo klein mogelijk te houden. Ook meende hij wellicht rekening te moeten houden met regels, die gelden voor  priesters.  De encycliek ‘’Laudato Si’’ van paus Franciscus was nog niet verschenen. Onze paus immers schrijft in paragraaf 67, pagina 44 ‘’dat de christenen soms de Schriften op een onjuist